Denkers Thomas Piketty en Michael Sandel vullen elkaar mooi aan in een soms wat voortkabbelende, maar steeds interessantere dialoog over gelijkheid. Dit boekje smaakt naar meer.
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft over de financiële sector.
Rare vraag misschien, maar voor welke bevolkingsgroep koestert u de minste sympathie? Voor zwaarlijvigen? Voor moslims? Of juist voor de armen, blinden of laagopgeleiden?
Als u zelf hoogopgeleid bent, dan is het antwoord wellicht: voor de laatste groep. In een serie enquêtes peilden sociaalpsychologen enkele jaren geleden hoe Britten, Belgen en Nederlanders dachten over bovenstaande minderheden. Daaruit bleek dat hoogopgeleiden met afstand de laagste dunk hadden van zogenaamde laagopgeleiden, oftewel mensen met alleen basisschool, vmbo of de eerste drie jaren havo of vwo. Deze groep bleek bij hen ook de meeste woede te wekken. Soortgelijke Amerikaanse enquêtes leverden hetzelfde resultaat op.
De onderzoekers trokken hieruit twee frappante conclusies. Ten eerste dat de weledelgeleerde elites helemaal niet ‘toleranter en moreel verlichter’ zijn dan hun minder gegradueerde medemensen. Hoogopgeleiden discrimineren net zo goed, alleen houden ze er andere zondebokken op na.
En ten tweede dat hoogopgeleiden zich niet eens schamen voor hun discriminatie, omdat ze in een meritocratie menen te leven, waarin status niet afhangt van komaf, sekse of etniciteit, maar van capaciteiten en prestaties. Of, zoals socioloog Michael Young het kernachtig samenvatte in zijn profetisch gebleken satire The Rise of the Meritocracy (1958): ‘IQ + Inzet = Verdienste’.
Deze door Young nog belachelijk gemaakte ideologie heeft zich sindsdien als een intellectueel overdraagbare aandoening verspreid en veel hoogopgeleiden blind gemaakt voor hun eigen vooroordelen. In tegenstelling tot racisme of seksisme zien ze geen been in ‘credentialisme’, oftewel diplomadiscriminatie, omdat ze een gebrek aan papieren uitleggen als een gebrek aan inzet, en dus als een kwestie van eigen schuld, dikke bult. Curieus, omdat academische gaven toch in hoge mate genetisch bepaald zijn.
‘In zekere zin is het credentialisme het laatst overgebleven maatschappelijk geaccepteerde vooroordeel’, verzucht de Amerikaanse filosoof Michael Sandel dan ook in Gelijkheid – Wat het is en waarom het ertoe doet. ‘Niet dat we de andere vooroordelen hebben uitgebannen – integendeel zelfs. Maar de bovenmatige waardering voor hoogopgeleiden en minachting van laagopgeleiden is een vooroordeel dat mensen haast klakkeloos accepteren, zonder zich van enig kwaad bewust te zijn.’
De tenenkrommende terminologie van ‘hoogopgeleid’ versus ‘laagopgeleid’ en het geïmpliceerde statusverschil tussen pak ’m beet een hoognuttige, maar vmbo-geschoolde brandweerman en een afgestudeerde in ‘Leisure & Events Management’ helpt daarbij ook niet echt mee, zou je hieraan kunnen toevoegen.
Het 160 pagina’s tellende boekje is de neerslag van een publiek gesprek dat Sandel vorig jaar in Parijs voerde met Thomas Piketty. De Franse econoom, beroemd geworden met zijn als 19de-eeuwse romans zo dikke boeken over groeiende ongelijkheid, vormt een goede combinatie met Sandel, de deugdethicus die wereldfaam verwierf dankzij zijn met dilemma’s over kannibalisme en op hol geslagen trams doorspekte colleges over rechtvaardigheid.
Waar Piketty sinds zijn succesboek Kapitaal in de 21ste eeuw (2013) als invloedrijkste apostel van de gelijkheid geldt, predikt gemeenschapsdenker Sandel vooral het evangelie van broeder- en zusterschap, die altijd wat stiefmoederlijk behandelde waarde uit de trits ‘liberté, égalité, fraternité’. Waar Piketty vooral materiële ongelijkheid beschrijft, richt Sandel zich in De tirannie van verdienste (2020) op ongelijkheid in immateriële zin, zoals het verschil in erkenning voor theoretisch en praktisch geschoolden. En waar Piketty vooral de imperfecties van de meritocratie benadrukt – bijvoorbeeld dat kinderen van arme en rijke ouders helemaal geen gelijke onderwijskansen hebben – waarschuwt Sandel voor de duistere kanten van een perfecte meritocratie, waarin de hoogmoed van de winnaars al helemaal niet te harden zou zijn.
In hun soms wat voortkabbelende, maar steeds interessantere dialoog duiden Piketty en Sandel de opmars van Trump, Le Pen en consorten. Het verfrissende is dat het duo de lezer daarbij niet alleen de inmiddels tot snot gekookte linkse grieven over het neoliberalisme voorschotelt. Nee, links heeft de opkomst van autoritair rechts voor een belangrijk deel aan zichzelf te wijten, concluderen de twee.
Als voorbeeld noemt Piketty de bijna aangeleerde hulpeloosheid van links op thema’s als belastingontwijking of naar het buitenland verdwijnende banen. Te vaak doen linkse partijen alsof dit natuurverschijnselen zijn waartegen niets te beginnen valt, tenzij via internationale verdragen, die echter zelden of nooit tot stand komen.
‘Zolang links blijft zeggen: ‘Oké, we wachten op het een of andere internationaal akkoord over gemeenschappelijke belastingheffing, een CO2-belasting, enzovoort’, zegt het eigenlijk tegen de bevolking: ‘Zolang de anderen niet meewerken, zijn we aan handen en voeten gebonden. Op één ding na dan. Er is één soort economisch beleid dat we wel kunnen voeren, en dat is dat we migranten tegenhouden aan de grenzen en onze identiteit bewaken.’’ Wie deze boodschap eindeloos herhaalt, ‘moet niet gek kijken wanneer het hele politieke debat ineens blijkt te gaan over identiteit en grenscontrole’.
Progressieven zullen pas weer verkiezingen winnen wanneer ze ‘hun electorale aantrekkingskracht in de meest welvarende kiesdistricten verliezen’, aldus Piketty. De beste manier om het stigma van ‘partij voor de elite’ af te schudden, is door de ‘meritocratische hoogmoed’ van academisch geschoolden te temperen, denkt Sandel. Met zijn pleidooi voor een eerlijkere verdeling van waardigheid borduurt hij voort op De tirannie van verdienste. Daarin fulmineerde hij hartstochtelijk tegen het dedain waarmee linkse leiders spraken over gewone Amerikanen, of over ‘deplorabelen’ en ‘mensen die zich vastklampen aan wapens en religie’, zoals Hillary Clinton en Barack Obama hen omschreven.
Symptomatisch noemde hij de dwangmatige neiging van Obama om zijn politieke plannen ‘slim’ te noemen, en die van tegenstanders ‘dom’. Sandel ziet daarin weinig meer dan een technocratisch mantra om in tijden van politieke verdeeldheid discussies over moraal of ideologie te smoren. Met een slimme oplossing kan immers niemand het oneens zijn – ook al blijken zulke oplossingen in de praktijk vaak helemaal niet zo snugger, zoals de ‘slimme automatisering’ van de Belastingdienst ruimschoots bewees tijdens de toeslagenaffaire.
Progressieven kampen in Sandels ogen met een ‘totaal gebrek aan klassenbewustzijn’. Waar ze ooit aanjagers waren van een klassenstrijd langs economische lijnen, lijken ze geen raad te weten met een klassenstrijd langs academische lijnen. Het spreekt volgens Piketty en Sandel boekdelen dat ook linkse partijen in westerse parlementen bijna louter hbo- of universitair geschoolde fractieleden tellen, terwijl die bijvoorbeeld in Nederland slechts 32 procent van de bevolking vormen. In tijden waarin diversiteit de klok slaat, zouden progressieven werk moeten maken van een betere academische afspiegeling, bijvoorbeeld door een deel van de volksvertegenwoordigers aan te laten wijzen via loting, vindt het duo.
Ook pleiten ze voor een publiek debat met meer waardeoordelen over nut en onnut van de maatschappelijke bijdragen van mensen. Waarom is een leraar bijvoorbeeld minder waard dan de door multinationals ingehuurde consultant wiens tax planning ertoe leidt dat er minder belastinggeld naar onderwijs gaat? Het standaardantwoord dat ‘de markt’ dit nu eenmaal bepaalt, doet denken aan de grap van filosoof Thomas Carlyle: ‘Leer een papegaai de woorden ‘vraag’ en ‘aanbod’ en je hebt een econoom.’ Met dergelijk gepapegaai lijken we de netelige, maar noodzakelijke discussies te willen ontduiken over een eerlijke verdeling van waardering, vindt Sandel.
Lezers die al bekend zijn met het werk van Piketty en Sandel zullen met hun nieuwe boek misschien op hun honger blijven zitten. Met slechts 127 pagina’s gesprekstekst, gegarneerd met een voorwoord van politicoloog Tim ’S Jongers en een nawoord van econoom Irene van Staveren, is de kost te karig om als volwaardige maaltijd te dienen. Maar als hors-d’oeuvre om de eetlust voor de rijkere spijzen uit het oeuvre van de twee denkers op te wekken, is het boekje niet te versmaden.
Thomas Piketty & Michael Sandel: Gelijkheid – Wat het is en waarom het ertoe doet. Uit het Engels vertaald door Alexander van Kesteren. Ten Have; 160 pagina’s; € 19,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant