Home

Nooit je rookmelders zo hoog hangen als de maan

Na drie kwartier bejengeld te zijn, op vele decibellen sterkte, echt loeihard, begon ik er een metafoor in te herkennen. Voor Trump, of gewoon voor de ondergang van Europa, en eigenlijk de hele wereld.

Ik heb het over onze rookmelders. De domheid ervan was nooit tot me doorgedrongen, maar nu ze met z’n drieën afgingen, vond ik ze niet erg nozel opgehangen, eerder onnozel.

Kijk, we hebben een 6 meter hoog huis, in verband met Jurassic Kast, onze boekenwand – ik heb vaak over dit achttien schappen tellende monster bericht, en graag zou ik er meteen even over uitweiden.

In Jurassic Kast staan namelijk zo’n achtduizend romans, maar wat ik gedaan heb, is de gelezen exemplaren, ongeveer drieduizend stuks, naar voren zetten, op de rand van het schap, en de ongelezen exemplaren (uit het blote hoofd: vijfduizend stuks) een centimeter of drie naar achteren. Zo kan ik iedere dag zien dat ik lui ben, en slecht, en dat ik de mouwen dien op te stropen. Mooi aan dit systeem is, dat wanneer er bezoek komt, bijvoorbeeld Maarten ’t Hart, we het gewoon omdraaien, dan zeg ik: kijk, Maarten, dit is Jurassic Kast, had je niet verwacht hè, en o ja, de gelezen exemplaren staan iets dieper.

Maarten zal grote ogen opzetten, knikkend, rondsnuffelend, heb jij elf romans van Dickens gelezen, zal hij stamelen, en nota bene de diksten? En heb je alleen de dunste nog voor de boeg? Wat ben je toch een bijzonder kereltje, Peter. Een echte liefhebber! Beginnen met de dikste en onbekendste Dickensjes. Uit pure Dickensliefde? Tranen zullen opwellen in Maartens ogen.

Jurassic Kast is dus slim. Nu de domme rookmelders. Op ons platte dak zitten een soort dakkapellen, twee huisjes van glas. Eronder, in het zonnetje, zit ik als een biokomkommer te writen, iets anders kan ik er niet van maken. Iemand, mogelijk dezelfde figuur die destijds een rookmelder in het hoogste puntje van de Notre-Dame hing, heeft in die dakkapellen, ik schat op 8 meter hoogte, genoemde rookmelders geplaatst. Niemand kan erbij, alleen Hennie Dompeling, naar wiens interventie ik afgelopen zaterdag, toen het inferno losbrak, al snel snakte.

Maar Dompeling leefde niet meer, las ik. Rip Hennie. Ooit interviewde ik hem, hij was onze grootste kleiduivenschieter.

Vrienden, waar geen rook is, is lawaai, een nieuw spreekwoord was geboren. Na dwars door de muren heen inmiddels alweer 1,5 uur (!) gruwelijk hard bejengeld te zijn, stonden alle buren naar binnen te loeren. Fikt Jurassic Kast af, zag je ze glunderen.

Nee, er was juist niks aan de hand. We konden alleen niet bij de kleiduiven. De dagen ervoor waren de volkomen onbenaderbare ufo’s omineus gaan bliepen, om de minuut: piep. Toen vond ik ze al dom. Waarschijnlijk lege batterijen, maar hoe moest ik ze vervangen dan? Een giraf huren? Een trampoline?

We roken ze uit, was het plan. Over een weekje piepen ze wel anders. En dan plakken we wel andere rookmelders op de muur, bijvoorbeeld op ooghoogte. Maar toen dus, zonder spoortje rook, begon een van de krengen zomaar te loeien. Stan, de vorige bewoner, had me trots gemeld dat ze ‘geschakeld’ waren – nu pas begreep ik de verregaande strekking van zijn woorden. Daar gingen de broertjes al, dopplereffecten, geluidsknopen, een gegier alsof er drie kiezen tegelijk werden uitgeboord.

Mijn vriendin Jet trok, hop, d’r jas aan. Ze ging ‘alvast boodschappen doen’, kon maar gebeurd zijn. Mij achterlatend met de oliedomme decibellen. Hoe ik en mijn trommelvliezen het zonder Hennies dubbelloops getackeld hebben, vertel ik een andere keer.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant columns

Previous

Next