Hoe kijkt de generatie van 2000 terug op de jaren die hen gevormd hebben en wat verwachten ze van de toekomst? Thijs van der Ent: ‘Ik beschouwde mezelf altijd als introvert. Maar ik denk dat ik norser was geworden omdat ik in het verkeerde vakgebied zat.’
Waar ben je opgegroeid?
‘In De Hoeksche Waard, een akkerbouweiland onder Rotterdam. Ik kom niet uit een boerenfamilie, al heb ik wel een oudoom die tuinder was. Mijn vader werkte bij een petrochemisch bedrijf, mijn moeder bij een energiecoöperatie. Ik heb een oudere broer.
‘Van jongs af aan was ik meestal te vinden bij een maat van me. Dat is nog steeds een heel goede vriend. Zijn ouders hadden een erf, niks groots, een moestuin, een paar schapen en paarden. Een van mijn eerste herinneringen is dat ome Jan me liet zien hoe de snijbonenmolen werkte – prachtig vond ik dat. Mijn moeder zegt: Thijs wist op z’n 5de al dat hij boer wilde worden.’
Thijs van der Ent wordt 25 op 25 mei
Woonplaats Dronten
Hoe volwassen vind je jezelf op een schaal van 1 tot 10? ‘Een 8, als ik mijn serieuze kant aanzet. De rest van de tijd ben ik een kind dat zich voordoet als volwassene: een 5,5 of 6.’
Voel je jezelf onderdeel van een generatie? ‘Zeker. Wij kregen vanaf eind basisschool smartphones in onze handen. Dat heeft ons gevormd.’
Waar ben je over 7 jaar? ‘Dan heb ik hopelijk mijn eigen stuk grond en boerderij, ergens in Frankrijk.’
Had je ook een plan hoe je dat zou bereiken?
‘Na de havo ging ik chemische technologie studeren, aan de Hogeschool van Rotterdam. Ik dacht: dan kan ik een baan krijgen waarmee ik goed verdien, snel geld sparen om een stukje land te kopen en dan gaan boeren. Achteraf gezien nogal naïef, want je hebt ook kennis nodig en die had ik totaal niet.’
Waarom koos je voor chemische technologie?
‘Mijn vader was altijd enthousiast over zijn werk, dat heeft hij met de beste bedoelingen op mij overgebracht, denk ik. De vakken op de opleiding vond ik interessant. We werden klaargestoomd voor duurzaamheid, maar zodra je stage ging lopen bij een bedrijf ontdekte je dat het in werkelijkheid amper over duurzaamheid ging. Als stagiair bedachten we mooie projecten over verduurzaming, die na je stage direct in een la zouden verdwijnen.
25 in 25
In de serie 25 in 25 vragen we jongeren geboren in 2000 hoe ze zijn geworden wie ze zijn en hoe ze hun toekomst zien.
‘Tijdens mijn vierde jaar liep ik stage in een nylonfabriek, daar maak je de grondstoffen voor panty’s, van die wegwerpdingen. Ik besefte: als ik doorga in het bedrijfsleven, word ik doodongelukkig.
‘Ik ben gestopt, zonder diploma. Via een agrarisch uitzendbureau ging ik als operator in een chipsfabriek werken: aardappels van de akkers verwerken tot chips. Dat heb ik anderhalf jaar gedaan. Leuk werk, maar de gangbare landbouw was niet wat ik zocht. Toen ben ik als boerenknecht bij een biologische boer gaan werken en heel veel gaan lezen over landbouw en duurzaamheid. Zo kwam ik bij de Warmonderhof in Dronten terecht, waar ik nu een mbo-opleiding volg tot biodynamische boer. Je woont hier ook en gaat vanaf dag één aan het werk. Dat was precies wat ik nodig had.
‘Van hbo naar mbo leek me een stapje terug. Dat was een domme en onterechte gedachte, er lopen hier zo veel slimme en interessante mensen rond. Ik had eerder voor een mbo-opleiding moeten kiezen.
Hoe woon je?
‘Op de campus op het erf. We wonen met zo’n negentig studenten in woningen met vijf of zes huisgenoten. Ik ben pas laat op mezelf gaan wonen, ik was 23. Toen ik in Rotterdam studeerde ging ik elke dag met het ov, anderhalf uur heen en weer terug. Het was goedkoper om bij m’n ouders te blijven wonen en ik vond het prima.
‘Het bevalt heel goed. Ik had toch meer behoefte om op mezelf te wonen dan ik me realiseerde. In het begin was het wennen. Het was zo smerig, echt een studentenhuis. Met mijn huisgenoot Nienke heb ik de boel schoongeschrobd, kerstlampjes opgehangen, dat hielp.
‘Ik beschouwde mezelf altijd als introvert. Maar ik denk dat ik norser was geworden omdat ik in het verkeerde vakgebied zat. Hier heb ik mijn plek gevonden tussen gelijkgestemden. Ik blijk veel socialer en opener dan ik dacht.
‘We eten samen. De groente komt direct uit de tuinbouw of van de akkers. Nu is het niet zo veel, want er staat weinig. Je hebt je eigen kamer om je terug te trekken, maar meestal zoeken we elkaar op. Dan zitten we hier, of bij de buren. Uren natafelen of een spelletje spelen. In de avonden werken de meesten, om wat geld te verdienen. Ik heb net bij de Groene Vlieg gesolliciteerd, biologische bestrijding, lieveheersbeestjes uitzetten die bladluizen opeten bijvoorbeeld.’
Hoe zien je dagen eruit?
‘Ik sta rond 7 uur op en ga opstrooien bij de koeien, of melken, dan sta ik eerder op. We hebben een halve dag theorieles en werken een halve dag op het land – in de zomer is er veel meer werk dan nu in de winter, je leeft hier met de seizoenen.
‘We leren duurzame landbouw bedrijven. Dat is biologisch, zonder pesticiden en kunstmest, maar het is meer dan dat. Als biodynamische boer ben je niet alleen productgericht, zoals veel andere boeren. Je hebt een holistische kijk op landbouw. Je bent natuurbeheerder, een deel van je bedrijf is natuur: de bloemen, randen, hagen en bosjes. Je zorgt voor het land, houdt de grond gezond, met zo veel mogelijk organische stoffen, en plaagdiertjesvrij. De vruchtwisseling is ruim. Wil je bijvoorbeeld kolen verbouwen, dan moeten er acht jaar tussen zitten.
‘We leren over CO2-opslag in de bodem en regeneratief begrazen. Als je koeien niet bijvoert en ze telkens een ander stuk grond laat begrazen, worden zowel de koeien als de grond gezonder. Wat we hier doen kost tijd, maar het eindresultaat is dat het land klimaatbestendiger en de bodem gezonder wordt.’
Ben je idealistisch?
‘Ik noem het realistisch. De intensivering van de landbouw en veeteelt na de Tweede Wereldoorlog komt mede voort uit de angst voor honger. Maar al sinds de jaren 70 weten we dat de manier waarop we met het land omgaan niet toekomstbestendig is. Het gaat ten koste van het bodemleven, de biodiversiteit. Ik heb net het proefschrift van Meino Smit gelezen, een ecologische boer. De huidige landbouw levert maar 15 procent meer oogst op dan in 1950. Terwijl we er ruim 600 procent extra energie aan grondstoffen instoppen. Dat slaat nergens op.’
Heb je zorgen?
‘Mijn grootste zorgen gaan over klimaat en natuur: mijn leefomgeving, de biodiversiteitscrisis. Ik ben dol op vissen, maar iedereen die vist, weet dat het niet goed gaat met de visstand. Bij mij thuis in de Hoeksche Waard zitten de sloten jaarlijks vol blauwalg, dan stinkt het hele dorp. De eerste weken van de zomer kun je amper naar buiten door de gigantische hoeveelheid tripsen, onweersbeestjes, die van de akkers komen. Die kunnen zich blijven vermenigvuldigen omdat de boeren een vruchtwisseling hebben van een op een. Dat betekent: ieder jaar spuiten. En geen natuurlijke vijanden voor de tripsen.
‘Toch ben ik hoopvol. Het kan goed komen met de wereld, maar enkel als we met z’n allen ons best doen. Ik heb mezelf aangeleerd om bezig te blijven, dat helpt me. En ik vermijd het nieuws, heb geen nieuwsapps, geen krant. Mensen om mij heen wel, die houden me voldoende op de hoogte.’
Waarom mijd je nieuws?
‘Ik behoor tot de eerste generatie die opgroeide met smartphones, wij hadden het nieuws aan onze vingertoppen. Ik denk niet dat dat goed is voor een mens. Ik heb een klaptelefoon met Google Maps en Whatsapp, verder niets. Ik heb vooral contact via email, dat werkt het best voor mij. Sociale media gebruik ik niet.
‘Wij zagen als tieners hoe de mensheid de wereld uitput. Ik las een periode alles over internationale klimaatakkoorden en onderhandelingen. Het maakte me onrustig. Het ligt buiten mijn cirkel van invloed, ik kon er geen actie aan verbinden. Ik ben een doener. Dus richt ik me op de mensen om me heen, op het werk. Dat kan goed in een gemeenschap als deze. Ik ben wel bij de Klimaatmars geweest, maar dat is ook als iets doen.
‘Vrienden van mijn vorige opleiding, allemaal slimme jongens, zijn gaan werken voor rederijen, in palmolie, olie- en gasbedrijven. Ik neem het ze niet kwalijk, ik ga niemand de les lezen, daar houd ik niet van. Ze konden sneller dan ik huizen kopen, een auto, maar ze komen er een beetje op terug. Nu vragen ze me: wat is biologische landbouw nou precies?’
Wat doe je in je vrije tijd?
‘Vissen en zwemmen, in de zomer, in de vaart daar achter ons huis. Sporten, en ik lees veel. Ik heb net een boek gelezen van Temple Grandin, een autistische mevrouw die kon denken als een koe. Zij is nu even een idool voor mij. Nu lees ik een boek over bomen, Life of Trees.
‘We hebben soms feesten in de schuur. We hebben onze eigen cider gebrouwen, van lokale boomgaarden. En ik heb een nieuwe hobby gevonden: heggenvlechten. Het is een oude techniek die ervoor zorgt dat je de groei van bomen vertraagt, waardoor ze honderden jaren ouder kunnen worden, dat is echt beyond gaaf.
‘Thuis heb ik ook nog een hechte vriendengroep, die zie ik minder vaak dan ik zou willen. Eerst verklaarden ze me voor gek met mijn interesses, ze vonden me radicaal, noemden me een tuinkabouter. Inmiddels vinden ze het eigenlijk wel gaaf wat ik doe.’
Waar zie jij jezelf over 10 jaar?
‘Volgende maand ga ik voor een leerstage naar Frankrijk. Daar kijk ik echt enorm naar uit. In Nederland staat het biodynamische boeren in de kinderschoenen. In Frankrijk heb je veel meer boerenmarkten, een grote lokale afzetmarkt, en mensen die er voor willen betalen.
‘Zoals ik er nu over denk, heb ik over tien jaar een plekje van mezelf in Frankrijk. En een gezin. Deze manier van boeren gaat echt over het opbouwen van iets, dat kost veel tijd. Hoe mooi zou het zijn als ik later kinderen heb die het stokje van me overnemen.’
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant