Home

‘Ik speel graag oud-Hollandse liedjes, maar als je naar me kijkt, zie je wel een donkere jongen met dreads’

Om succes te hebben in de muziekbusiness moet je een haai zijn, zegt singer-songwriter Gerson Main. Zelf bewijst hij dat je óók rustig je eigen weg kunt volgen. Want waarom zou Corry Brokken niet samengaan met soul en gospel?

is columnist en verslaggever bij de Volkskrant. Voor Volkskrant Magazine schrijft hij geregeld interviews.

‘Breekbaar’ staat er op een sticker die Gerson Main op zijn gitaar heeft geplakt. Dat is zeker niet het eerste waaraan je denkt als je hem ziet zingen, tijdens een gastoptreden bij het Nederlands Blazers Ensemble in het Amsterdamse Podium Mozaïque. Zijn blik is vrolijk en open, zijn dreadlocks deinen op de maat. Moeiteloos windt hij het publiek om zijn vinger met zijn lied Sultan, een ode aan lanterfanten en onbezorgd leven, vol met fraaie oneliners: Het gat in de ozonlaag is groot/ Maar je moet die in mijn hand eens zien/ Ze zeggen me: tijd is niet te koop/ Nou, we kunnen wat huren misschien.

Maar als de singer-songwriter een paar dagen later aanschuift in een koffietent in de Amsterdamse Bijlmer duurt het maar even voordat hij allerlei twijfels op tafel gooit. Over de mogelijke overlast die hij zijn buren bezorgt nu hij thuis met zijn band aan het repeteren is voor zijn aankomende clubtour.

Maar ook twijfels van fundamentelere aard. ‘Sultan gaat eigenlijk over de manier waarop ik heel lang heb geleefd’, zegt hij. ‘Altijd met het idee: ik hoef niet te denken aan morgen. Al die dromen, plannen, ambities... laat maar gaan, ik moet gewoon leven. Dat vond ik heel fijn en bevrijdend, maar tegelijkertijd worstelde ik ermee. En soms vraag ik me af: als ik wat meer structuur had gehad, waar zou ik dan nu staan? Om succes te hebben in de muziekbusiness moet je een haai zijn. Overal bovenop zitten, de hele tijd output hebben. Dat gaat mij niet zo natuurlijk af. Soms kom ik er gewoon een tijdje helemaal niet uit met mezelf. Zodra muziek maken als een baan gaat voelen, verliest het voor mij zijn magie.’

Begenadigd gitarist

Wel breekbaar dus, en daar ontwapenend eerlijk over. Dat is ook weer niet heel erg verrassend voor wie Weg van dit feestje heeft beluisterd, de vorig jaar verschenen plaat die hij maakte in samenwerking met producer en muzikant Marnix Dorrestein. Het is een wonderbaarlijk album van een begenadigd gitarist en een zeer charmante zanger, vol met geestige taalvondsten en tegelijkertijd diep ontroerend.

Main zingt over ouderschap en ouder worden, over vervreemding en de behoefte om te vluchten en over zijn verhouding tot het geloof – om er een paar thema’s uit te pikken. Er zijn geluidsfragmenten te horen van zijn zoontje en zijn oma. Het zwoele nummer Eiland werd breed gedeeld op sociale media. Met Nacht schreef hij een zeldzaam prachtig liedje over een ouder iemand die langzaam de grip op het leven verliest.

Dat Weg van dit feestje vooralsnog geen gigantische hit is geworden, is eigenlijk een grof schandaal. Tegelijkertijd is het ook wel een beetje begrijpelijk, want zijn muziek is verdomd lastig te plaatsen. Zelf heeft hij zijn stijl weleens omschreven als Caraïbische country. ‘Maar zo zou ik het nu niet meer noemen. Het is gewoon een samensmelting van alles wat me raakt.’ Er zit ook soul in zijn muziek, gospel, reggae, Braziliaanse invloeden en een flinke scheut van het Nederlandse lied. Waar dat allemaal vandaan komt, vertelt hij op bedachtzame toon, nippend van een kop muntthee, terwijl buiten de levendigheid van de Bijlmer voorbijtrekt.

Gerson Main (38) werd geboren in Paramaribo en kwam op jonge leeftijd met zijn ouders naar Nederland. Hij groeide op in Diemen-Zuid, later in Almere. ‘Maar in de weekends en vakanties was ik meestal hier, in Zuidoost, bij mijn oma.’

Zijn jeugd werd gekleurd door de kerk. ‘We waren lid van de pinkstergemeente. Met mijn broertjes ging ik ook naar zondagsschool, bij oma thuis moesten we vaak de Bijbel lezen. En niet zomaar lezen, hè. Ze was docent en zag erop toe dat we er helemaal indoken en stelde allerlei vragen. De kerkdiensten werden gehouden in een enorme parkeergarage. Best een enge, donkere plek, waar toen nog veel junkies rondhingen. Het voelde voor mij altijd als een moetje, ik was blij als we na afloop konden gaan buitenspelen. Maar het zingen vond ik wel mooi.’

In zijn ouderlijk huis werd veel muziek gedraaid. ‘Maar vrijwel nooit Surinaamse liedjes. Mijn vader hield wel van die ritmes, maar hij vond de teksten te banaal. Ik heb later zelf moeten ontdekken dat daar ook hele toffe dingen tussen zitten. Maar de opwekkingsliederen uit de kerk kan ik nog altijd dromen. Heel zoete popliedjes, ze stonden in een geel boekje.’ Hij zingt zachtjes: ‘Bron van levend water, ontspring nu in mij…’

Is de kerk van invloed geweest op je taalgevoel? Het valt me op dat je nogal wat ouderwetse woorden gebruikt.

‘O ja, daar heeft de Bijbel vast een rol in gespeeld. Laatst begon iemand te lachen toen ik het woord ‘weldra’ gebruikte. Hij zei: dat lees je toch alleen nog in hele oude boekjes? Maar voor mij voelt dat als iets heel natuurlijks. Ik heb sowieso altijd heel erg van de Nederlandse taal gehouden. Als klein kind las ik alles wat los en vast zat. Guus Kuijer, Dolf Verroen, en ook alles van Roald Dahl. Ik was op school heel goed in gedichtjes en verhaaltjes maken, al had ik dat nooit zo in de gaten. Misschien had ik er baat bij gehad als iemand me op dat gebied gestimuleerd had, maar ik denk dat het voor mijn ouders moeilijk voorstelbaar was dat je carrièremogelijkheden zou kunnen destilleren uit een gevoel voor taal.’

Rond zijn 15de begon hij zich los te maken van de kerk. ‘Mijn oma is nog lang blijven aandringen: wanneer kom je nou weer eens naar een dienst? Maar ik kreeg er gewoon te veel vragen bij. Het is toch gek: God geeft je een vrije wil, maar de enige juiste keuze die je met die vrije wil kan maken, is kiezen voor hem. Anders volgen er represailles. Als je niet precies gelooft wat er in de Bijbel staat of wat de pastoor zegt, moet je voor eeuwig branden in een hel. Het systeem is gebaseerd op angst, en ik voelde steeds duidelijker dat dat voor mij niet the way was.’

Het losmaken was een ‘struggle’, zegt hij. ‘Lange tijd was het alsof er een zwaard van Damocles boven mijn hoofd hing. Steeds de gedachte: ik moet eigenlijk wel naar de kerk, want anders... En ergens zit die angst er nog steeds wel een klein beetje. Wat nou als het wél waar is, dat God me zal straffen omdat ik niet strikt volgens zijn regels heb geleefd? Dan heb ik een probleem, hoor. Dan is het straks: hup, naar het vagevuur. En dat moeten we echt niet hebben.’

Gelovig is hij nog altijd. ‘Maar ik heb langzaamaan een meer spirituele vorm gevonden, een meer persoonlijke relatie met God, het geloof dat hij in ons allemaal zit. Het was een enorme bevrijding om dat idee te kunnen omarmen.’

Zo bevrijdend, kennelijk, dat je het aandurft om in het nummer Here de regel ‘Zing halleluja, zing amen’ te laten rijmen op de zin ‘Soms heb ik onveilige seks met iemand die ik nauwelijks ken’.

‘Haha, ja! Als je gelooft dat God in jou zit, dan hoef je hem niet langer op een voetstuk te plaatsen en hoef je zelf niet op je knieën. Ik mag gewoon zijn zoals ik ben en zeggen: dit heb ik gedaan. Ik stel God in dat nummer ook allemaal vragen. ‘Bent u in paniek soms?’, ‘Gaat u weleens kapot van jaloezie?’ Het was een lange weg, maar ik geloof nu in een God die onvoorwaardelijk van me houdt, en dat geeft mij heel veel rust en directie.’

Zijn muzikale pad was grillig. Wat smaak betreft liep hij niet in de pas bij zijn leeftijdgenoten. ‘Op de middelbare school was het hiphop en r&b wat de klok sloeg. Vond ik ook wel vet hoor, maar eigenlijk luisterde ik liever naar oudere soulzangers als Al Green en Donny Hathaway.’

Van zijn vader leerde hij de basisbeginselen van de gitaar. ‘En niet lang daarna, zo rond 2005, kwam YouTube op en kon je opeens álles vinden. Muziektheorie, solfège, tutorials. Complexe akkoorden, uit de bossanova en zo, vond ik ook te gek. Dat je daarmee een zanglijn in een heel ander perspectief kunt plaatsen en zo het verhaal van een liedje kunt veranderen. Ik ben iemand die zich ergens helemaal in kan verliezen en ik vrat het allemaal op.’

Met een groepje vrienden speelde hij vaak ’s nachts op het station van Almere Muziekwijk. ‘Daar brandde de hele nacht licht. We deden het niet om als straatmuzikant geld te verdienen, maar om te jammen en ideeën uit te wisselen. Zo heb ik mezelf de ervaring van het live spelen eigen gemaakt. Dat is echt onmisbaar geweest.’

Hij volgde een mbo-opleiding muziek en zat een tijdlang op het conservatorium in Utrecht, tot hij besefte dat het niet zijn ideaal was om jazzstandards uit zijn hoofd te leren. Intussen speelde hij in allerlei bands, onder meer bij rappers als Typhoon en Akwasi. Met die laatste werkte hij in 2014 aan Daar Ergens, een plaat met odes aan Bram Vermeulen. ‘Eigenlijk was ik gewoon de gitarist, maar op een gegeven moment vroeg de producer: waarom schrijf jij niet eens een liedje? En daarna zei hij: zing het ook maar in. Dat was echt het zetje dat ik nodig had. Dorst heette het nummer. Wauw man, om zelf zo’n hele wereld te mogen vormgeven, dat was echt een eurekamoment voor me. In één keer wist ik: bám, dit is het.’

Niet lang daarna bereikte hij als soloartiest de finale van het tv-programma De beste singer-songwriter van Nederland. In 2016 bracht hij een soloplaat uit die hij met de nodige zelfspot De slechtste singer-songwriter van Nederland noemde. Ook had hij een bescheiden hit met Ik weet niet hoe, een cover van een nummer van Bennie Neyman uit 1980.

Hoe komt een jongen die opgroeide met soul en gospel en speelde met hiphopartiesten uit bij zulke ‘witte’ Nederlandstalige muziek?

‘Dat begon zo rond mijn 19de, toen ik voor het eerst in zo’n typisch Amsterdams café kwam, met mijn manager.’

Had je op die leeftijd al een manager dan?

‘Nee, haha, ik bedoel mijn manager bij de Smullers op het Centraal Station, waar ik patatjes bakte. Mijn baas eigenlijk: Ko. Als we niet aan het bakkeleien waren, waren we de beste vrienden. Na het werk nam hij me een keer mee naar zo’n bruine kroeg. Zoiets kende ik helemaal niet, man. En daar draaiden ze toen Ik meen het van André Hazes. Iedereen stond het mee te brullen. Ik keek naar Ko en het leek alsof-ie thuiskwam. Ik dacht: dit is zo dope. Wat een mooie song, wat een mooie akkoordenprogressie. Ik denk dat dat de eerste spark was.’

Vandaaruit zocht hij steeds verder terug in de tijd. Inmiddels rekent hij Jules de Corte, Ramses Shaffy en Corry Brokken tot zijn favorieten. ‘Ik heb echt een fascinatie voor oud-Hollandse muziek. Qua composities, maar ook qua storytelling. De teksten van Shaffy vind ik zo goed. Ken je Johnny van de vier seizoenen? Man, daar kan ik helemaal in verdwalen. Ik snap zelf ook niet precies waar het vandaan komt, behalve dan dat ik nooit geloofd heb in het inkaderen van muziek. Maar soms voelt het wel een beetje gek om die liefde uit te dragen naar de buitenwereld.’

Waarom?

Hij denkt lang na. ‘Ik denk toch door mijn achtergrond. Soms denk ik: hoe diep ik er ook induik, ik ga deze cultuur toch nooit helemaal doorgronden. Ik ga het nooit helemaal zijn. Ik speel graag oud-Hollandse liedjes, maar als je naar me kijkt, zie je wel gewoon een donkere jongen met dreads.’

Dat snap ik, maar ik vind juist dat je er door jouw achtergrond iets wezenlijks aan toevoegt. Ik vind jouw versie van Ik weet niet hoe echt véél mooier dan die van Bennie Neyman.

Een brede lach: ‘Dat is tof om te horen. Misschien vul ik het ook een beetje in voor anderen. En daarnaast ben ik ook gewoon heel trots op mijn Surinaamse achtergrond en geloof ik dat er kracht zit in het feit dat die twee werelden in mij verenigd zijn. En ergens wil ik helemaal niet met dit soort vragen bezig zijn.’

Waarom zat er acht jaar tussen je eerste plaat en Weg van dit feestje?

‘Het korte verhaal is: er was veel afleiding. Ik kreeg een zoontje, dat was een goeie afleiding. Ik ben gaan samenwerken met artiesten als Sef, Freez, Stef Bos en Shirma Rouse, wat allemaal erg leuk was, maar toch ook een soort varen op andermans energie. Ik ben onzeker geweest en heel erg perfectionistisch, soms misschien iets té.

‘Weet je, het schrijven van liedjes geeft me geluk, maar geluk zit ook in andere zaken. Als ik bezig ben met een liedje, kan ik me blindstaren op één coupletje en dan is het na een nachtje doorwerken om acht uur ’s ochtends ook heel erg goed. Maar in diezelfde tijd had ik ook mijn belastingaangifte kunnen regelen, want die moest vorige week al af. En dat gaat me veel meer rust geven in mijn hoofd, en me misschien ook wel gelukkiger maken.’

Klinkt alsof je jezelf flink in de weg kan zitten.

‘Zo is het. Tegelijkertijd kan ik al een hele tijd goed leven van de muziek. Dat had ik toen ik begon nooit kunnen denken, dus ik voel me wel gezegend, hoor. Zeker omdat ik nu eindelijk de plaat heb gemaakt die ik altijd moest maken.’

Intussen volgt Gerson Main zijn eigenwijze pad. Tijdens het lange maakproces van Weg van dit feestje begon hij op te treden in verzorgingshuizen. Kleinschalige concertjes, vaak onder sfeerloze tl-buizen, soms voor maar een handvol ouderen.

Hij speelt er liedjes uit de oud-Hollandse doos, maar ook die van Surinaamse artiesten als Lieve Hugo, of zijn eigen werk. Niet echt een carrièremove die gericht is op commercieel succes. ‘Klopt’, lacht hij. ‘Maar ik haal er zoveel uit. Een van de thema’s op mijn plaat is het verstrijken van de tijd, de angst voor het ouder worden. Niet eens de angst voor de dood, want die heb ik niet. Meer het idee: is het leven na een bepaalde leeftijd niet allemaal downhill?

‘Ik had altijd wel een doembeeld van verzorgingshuizen. Dat je daar zit en niet meer meedoet met de maatschappij vind ik een eng idee. Dus dacht ik: als ik die mensen opzoek is er misschien straks ook wel iemand die dat voor mij doet. En weet je, het is echt niet alleen een kwestie van geven, er is voor een kunstenaar op die plekken ook zoveel inspiratie te vinden. Zoveel vertedering ook. Optreden als muzikant draait vaak om een vorm van aanbidding. Jij staat hoog op het podium, in het licht. In die verzorgingshuizen vind ik een echtheid die je op een podium niet vindt.’

Dan, opgetogen, alsof het het grootste geschenk is dat een muzikant kan krijgen: ‘Soms klappen de mensen niet eens!’

Uit de gesprekken die hij met ouderen voerde, ontstond de dromerige ballad Nacht. ‘Maar toen die af was, besefte ik dat het eigenlijk over mijn oma ging. Hoe zoiets werkt, ik heb geen idee. Mijn oma leeft niet meer, maar ik heb van nabij meegemaakt hoe ze langzaam warrig werd en minder mobiel, en hoe verdrietig het is om zoiets te zien bij iemand van wie je houdt. Dat je denkt: het liefst zou ik de tijd willen stopzetten. Maar ja...’

Onlangs, toen hij het nummer live speelde, moest hij tot zijn eigen verbazing zijn tranen bedwingen. ‘Zoiets had ik echt nog nooit meegemaakt. Ik huil überhaupt nooit om muziek en optreden is toch vaak ook een pragmatisch ding. Is mijn gitaar nog zuiver? Zal ik zo een grapje maken? Maar nu voelde ik me ineens compleet emotioneel betrokken bij wat ik aan het doen was. Dat was eng, maar op een gekke manier ook bevrijdend. Het verdriet dat ik tijdens het schrijven had opgezocht, kreeg nu ook bij het uitvoeren volledig de ruimte. Daar zit schoonheid in. Raar misschien, maar ik kreeg er energie van.’

Hij neemt zijn laatste slok thee. ‘Laatst zei iemand met wie ik samenspeel tegen me: melancholie is voor mij een schild tegen het donker. Toen dacht ik: wow, jij verwoordt nu wat ik eigenlijk al mijn hele leven voel.’

Later die avond appt hij een Spotify-linkje naar een liedje van Corry Brokken. Mijn ideaal, opgenomen in 1967, ruim twintig jaar voordat hij geboren werd, gezongen in het soort Nederlands dat uit het Polygoonjournaal lijkt te komen. ‘Insane goed vind ik dit’, schrijft hij erbij.

Precies hetzelfde wat ik van Gerson Main en zijn muziek vind.

Gerson Main is live te zien: 8/3, Bitterzoet, Amsterdam; 13/3, Fluor, Amersfoort; 14/3, Luxor, Arnhem; 27/3, Mezz, Breda; 3/4, Bird, Rotterdam

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next