Het is het gevoel dat mij het meest is bijgebleven: van machteloosheid, onrechtvaardigheid en ja, ook schaamte. De ratio die dit probeerde te overstemmen: niet reageren, niet aankijken, dit gaat voorbij en hoort nu eenmaal bij het dokter zijn. Vijf jaar schrijf ik inmiddels op deze plek, maar nooit eerder schreef ik over de tuchtzaak die als een schaduw over mijn eerste jaren in de huisartspraktijk hing. Ik was twee maanden in opleiding toen een patiënt een klacht tegen mij indiende. Aanvankelijk alleen bij de praktijk, en niet alleen tegen mij.
Ze was boos op iedereen: mijn opleider, de waarnemend huisarts, de doktersassistente. Die laatste had volgens haar met een volle mond tegen haar gepraat. In werkelijkheid had de patiënt het bordje met ‘lunchpauze’ genegeerd en luid op het raampje bij de balie geklopt. De assistente schrok
op van haar broodje, veronderstellend dat er een spoedgeval was. Toen dat niet zo bleek te zijn en ze de patiënt uitlegde dat ze voor niet-spoedeisende zaken na 13 uur mocht bellen, zat er inderdaad nog een kruimel in haar mond.
Zonder in detail te treden, kwam het erop neer dat de patiënt vond dat ik haar onvoldoende pijnstillers had voorgeschreven. In haar ogen had ik haar daarmee zorg geweigerd. Toen ze terugkwam van de apotheek met minder pillen dan gewenst, ging ze opnieuw tekeer aan de balie. De assistente had genoeg van haar agressie en riep mij erbij.
Ik legde uit dat dit gedrag niet acceptabel was en dat ik om medische redenen voorzichtig was met de hoeveelheid pijnstillers. Uiteindelijk schreef ik alsnog een extra recept uit, maar het kwaad was al geschied. Dreigend, met een gemene glimlach op haar gezicht, zei ze: ‘Dit gaat een staartje krijgen’. Daar bleek geen woord van gelogen.
Over de auteur
Danka Stuijver is huisarts en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een paar weken later lag er een envelop van het tuchtcollege op mijn bureau. Vol ongeloof las ik haar relaas. Nauwelijks een touw aan vast te knopen. De juriste die ik kreeg toegewezen vatte het samen: het is onduidelijk waar ze precies over klaagt, maar tussen de regels door lees je pure psychiatrie. ‘Maak je maar geen zorgen, dit zal door het tuchtcollege niet in behandeling worden genomen.’ Dat werd het wel.
De zitting voelde als een farce. Geschreeuw, verwensingen: ik was de slechtste dokter ooit. Gelaten onderging ik het, vastbesloten professioneel te blijven. Ik wist uit haar dossier ook dat deze vrouw een zwaar en verdrietig leven had gekend, dat zij diep getekend was. Aanvankelijk haalde ik daar kracht en begrip uit, maar beide raakten uitgeput in een proces dat alles bij elkaar twee jaar duurde.
Het regionaal tuchtcollege verwierp de klacht, maar de vrouw ging in beroep. Na nog eens maanden werd ook dat verworpen bij het centraal tuchtcollege. Twee jaar van onzekerheid, wachten en een onrecht dat niet weg te redeneren viel. Tegen de tijd dat het voorbij was, stond ik op het punt mijn huisartspapiertje te ontvangen. Hoera.
Ondanks de uitkomst weet ik: dít wil ik nooit meer meemaken. Ik ben voorzichtiger geworden en sneller geneigd toe te geven aan de wensen van patiënten. Vooral in het geval van verslavingsproblematiek of een persoonlijkheidsstoornis. Ik blijk niet de enige.
Een recente enquête van artsenvakblad Medisch Contact laat zien dat bijna de helft van de artsen vaker doorverwijst en aanvullende onderzoeken aanvraagt, niet uit medische noodzaak, maar uit angst voor klachten. Dit leidt niet alleen tot een hogere werkdruk, maar ook tot overdiagnostiek, overbehandeling en hoge zorgkosten.
Wat heb ík van deze tuchtklacht geleerd? Niets. Ben ik er een betere dokter van geworden? Integendeel. In mijn beleving ging het hier niet om zorg of rechtvaardigheid, maar om vergelding. Het tuchtcollege bood daarvoor het publiek gefinancierde podium. Het tuchtrecht is een groot goed. Het moet patiënten een stem bieden en zorgverleners verantwoordelijk houden voor hun professioneel handelen. Het beoogde doel van het tuchtcollege is het waarborgen van de kwaliteit van zorg, niet het afstraffen van zorgverleners. Het zou zorgverleners willen aanmoedigen tot reflectie en groei, niet tot angst en vermijding. Dit vraagt om een scherper filter, een rechtvaardiger proces en een verschuiving van bestraffing naar verbetering.
In de huidige vorm ondermijnt het tuchtrecht precies datgene wat het zou moeten beschermen: goede zorg.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns