De tentoonstelling in Bozar in Brussel, samengesteld door Koyo Kouoh, toont de volstrekt op zichzelf staande kunst van Afrikaanse kunstenaars.
schrijft voor de Volkskrant over kunst, cultuur en moderne mores.
Halverwege de grote tentoonstelling When We See Us in het Brusselse Bozar borrelt een gevoel op: dit is een cadeau. Het lijkt wel of we er zomaar een hele kunstgeschiedenis bij hebben gekregen. Waar waren deze kunstenaars al die tijd? Waarom hangt er niet meer van in onze grote musea? En waarom voelt deze kunst zowel vertrouwd als volkomen nieuw aan?
155 kunstwerken hangen er, van 118 kunstenaars. Met de gemene deler dat ze zwart en Afrikaans of van Afrikaanse afkomst zijn. Verreweg de meeste kunstenaars leven in Afrika. Bekende namen zijn er zeker: Kehinde Wiley is present, net als Lynette Yiadom-Boakye, die onlangs een solo in Tate Modern in Londen had, en Chris Ofili, die in 1998 de Turner Prize won. Maar die spelen hier geen hoofdrol. Ze mogen erbij, bij de selectie van een eeuw figuratieve kunst uit Afrika en, oké, de diaspora.
De tentoonstelling werd dan ook niet gemaakt voor Brussel, waar hij landde als een ufo uit een verwant kunstuniversum, maar voor Kaapstad in Zuid-Afrika. Daar stelde curator Koyo Kouoh de expositie samen in het Zeitz Mocaa, waarvan zij ook directeur is. Wat we te zien krijgen is een voorproefje, want van Kouoh werd onlangs bekend dat zij is aangesteld als hoofdcurator van de aankomende Biënnale van Venetië.
De titel verwijst slim naar de dramaserie When They See Us (2019) van Ava DuVernay, over vijf jonge zwarte jongens die in 1989 vals werden beschuldigd en veroordeeld na de verkrachting van een witte vrouw. In de tentoonstelling werd ‘they’ ‘we’, en daarmee draait het perspectief. When We See Us is een verbeelding van Afrikaanse en zwarte mensen over zichzelf. De rest is uitgenodigd, maar maakt er geen deel van uit.
De zwarte mens wordt hier niet uitgelijnd door anderen, niet gedefinieerd door witte mensen of door hun onderdrukking. Dit gaat over alledaagsheid, trots, kalmte, sensualiteit, spiritualiteit en feest, als zodanig ingedeeld in hoofdstukken. Vreugde is ook verzet, zei dichter Babs Gons onlangs, en dat wordt hier duidelijk. Net als kunde, kennis, cultuur en techniek.
Schilderijen die al impact hebben op een scherm vanwege hun felle kleuren zijn er in overvloed, toch blijken ze in het echt telkens beter en ruimtelijker. Er is soms stof aangebracht op een schilderij, of kralen. Het drieluik Tableau Vivant III, Oasis (2020) van de Zuid-Afrikaanse Katlego Tlabela, een topstuk met een modernistisch gebouw en een zwarte man die zich uit een zwembad hijst naast een witte butler, blijkt uit drie omzoomde stukken doek te bestaan die in een baklijst zijn bevestigd. Het geeft grote diepte.
De vele tinten blauw in de nachtelijke Blue Park Lovers (2020) van de Amerikaanse Dominic Chambers zijn ook niet te reproduceren – je wordt erin getrokken zoals in de nacht, en daarmee ook in de stille intimiteit van de geliefden. Net als het gelaagde blauw in het portret Portret van een vrouw in gouden jurk uit 1967 van de Nigeriaanse Ben Enwonwu. Ze kijkt je niet aan, maar ze is er helemaal, en haar huid reflecteert de omgeving magnifiek.
Huid is sowieso de aanwinst hier: de variaties waarin de zwarte huid is geschilderd zijn eindeloos, met ondertinten van dieppaars, blauw, geel en groen tot abstractere versies, zoals Joy Labinjo’s Gisting in the Kitchen (2018), waarin de gezichten op kubistische wijze uiteen lijken getrokken.
Een volstrekt op zichzelf staande kunst kortom, ondanks dat sommige werken verwijzen naar de westerse iconografie, zoals een paar liggende naakten en een in het zonlicht slapende man door Olusegun Adejumo (Nigeria). Zijn houding echoot de beroemde slapende faun, een antiek Romeins beeld. Het laat zien dat inspiratie geen grenzen kent, maar het speelt een beperkte rol.
Van de zes hoofdstukken beklijven de minst expliciete, ‘Rust’ en het ‘Alledaagse’. Daar zie je de levens, de dynamiek, de context, schoonheid en emotie van de wereld van de Afrikaanse kunstenaar, op eigen voorwaarden, zonder uitroepteken. In het kalme schilderij The Conversation (2020) van de jongste deelnemende kunstenaar, Zandile Tshabalala (1999, Soweto), zit een vrouw met opgetrokken knieën en blote voeten in een tuinstoel. Ze lijkt ontspannen met je in gesprek.
Ondanks de 155 werken is dit geen monstertentoonstelling. Bij elk onderdeel wilde ik meer. En nogmaals terug. Na één zaal werd duidelijk: de kunstliefhebber die deze tentoonstelling mist, doet zichzelf tekort.
Nederlandse prijswinnaar
Na deze tentoonstelling is het hopen dat ook Nederlandse en Surinaamse kunstenaars op het netvlies van curator Koyo Kouoh zullen komen voor de Biënnale van Venetië van 2026. In When We See Us ontbreken ze, maar er is wel één aan Nederland verbonden kunstenaar: Eniwaye Oluwaseyi (1994) uit Nigeria. Hij werkt aan de Rijksakademie in Amsterdam en werd onlangs bekroond met de Koninklijke Prijs voor de Schilderkunst. Van hem is een portret van een vrouw in rood te zien.
When We See Us
Beeldende kunst
★★★★★
Bozar, Brussel, t/m 10/8.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant