Home

‘Als oudste zoon in ons gezin was ik voorbestemd om priester te worden’

Jos Peeters is 100 jaar. Hoe kijkt deze trouwe ambtenaar terug op de eeuw die achter hem ligt?

Jos Peeters is opgebloeid sinds hij twee jaar geleden het alleen wonen inruilde voor een appartement in een complex voor ouderen met een restaurant, activiteiten en zorg – voor als het nodig is. Nu heeft de 100-jarige altijd mensen om zich heen, schuift dagelijks aan voor een driegangenmenu en heeft zijn grote passie weer opgepakt: bridgen. Voor de eeuweling is het soms zoeken naar woorden, behalve als hij over het werkende deel van zijn leven praat, dan vloeien de verhalen als vanzelf. Over privézaken klapt hij liever niet uit de school.

Het is een wonder dat u er nog bent, hoorde ik uit betrouwbare bron.

‘Ja, het was drie keer op het randje, de doktoren zijn in staat gebleken mij er telkens bovenop te helpen.’

Hoe verklaart u uw taaiheid?

‘Tja. Ik weet het niet. Mijn moeder is ook oud geworden, 90 jaar. Een van mijn vier zussen 95, de jongste leeft nog en is 91. Ik heb nooit veel gesport, wel gerookt; daar stopte ik mee toen ik op mijn 45ste een hernia kreeg.’

Het valt op dat veel 100-jarigen in deze interviewreeks bridgen, u ook. Zou dat een rol kunnen spelen?

‘Het is een denksport waarmee je je hersenen blijft trainen. Om op niveau te kunnen blijven spelen, heb je een goed geheugen nodig. En het is het geheugen waarvan veel ouderen last hebben. Bridgen kan ik dus iedereen aanraden die zijn denkvermogen in stand wil houden. Ik ben er op mijn 25ste mee begonnen. Elke vrijdag speel ik, onze club telt twintig man.’

En lukt het u nog om op niveau te spelen?

(Hij pakt een papiertje uit de binnenzak van zijn colbert en leest de ranglijst van zijn bridgeclub van de afgelopen weken voor): ‘Frans en Jos: 1. Frans en Jos: 1. Frans en Jos: 1.’

Een prestatie voor een 100-jarige.

(zwijgt)

Hoe zou u zichzelf typeren?

‘Als ik een pluim krijg, doe ik net alsof het mij niets doet, maar inwendig vind ik een compliment toch heel plezierig.’

Had u een jongensdroom?

‘Als oudste zoon in ons gezin was ik voorbestemd om priester te worden. Ik kom uit een kerkelijke, katholieke familie in Limburg. Een heeroom, een oom van mijn vader, had een priesteropleiding in Frankrijk gevolgd en was missionaris op de Filipijnen, een andere oom op Celebes. Mijn ouders lieten mij na de lagere school naar het seminarie in Tilburg gaan. Dat heb ik drie jaar volgehouden, toen ben ik ermee gestopt. Het was een goede opleiding, maar ik kreeg het idee dat het priesterschap niet voor mij was weggelegd. Mogelijk had ik al belangstelling voor dames.

‘Ik keerde terug naar mijn ouders in Venray, waar ik naar het gymnasium ging bij de Franciscanen, zevenhonderd leerlingen woonden er intern. Ook jongens die thuis woonden, zoals ik, waren verplicht om elke ochtend om half 7 de ochtendmis bij te wonen. Na afloop mocht je naar huis om te ontbijten.

‘Na mijn examen wilde ik naar de universiteit, maar dat was onmogelijk – het was oorlog en er reden geen treinen naar Nijmegen meer. Door een granaatinslag op ons huis werden we geëvacueerd naar Deurne. Daar ontmoette ik op straat de burgemeester van Venray. Hij dwong mij min of meer om op het gemeentehuis te komen werken. Dat was allerminst mijn gedachte om te gaan doen; nooit dacht ik als ik langs het gemeentehuis liep: wat zou ik daar graag willen werken!

‘Ik durfde de burgemeester niet tegen te spreken. Mijn taak als 20-jarige werd ervoor te zorgen dat alle geëvacueerde burgers van Venray op tijd geld kregen. Na verloop van tijd kreeg ik interesse in het werk op het gemeentehuis en volgde ik studies voor gemeenteambtenaren. Vanaf 1956 kreeg ik de mogelijkheid naast mijn werk één dag in de week in Nijmegen rechten te studeren.’

Wat was een van de moeilijkste beslissingen die u ooit heeft moeten nemen?

‘Ik solliciteerde op de functie van gemeentesecretaris in een gemeente in de buurt van Den Haag. Over deze benoeming besliste de gemeenteraad. Na de sollicitatieronde stond ik nummer 1. Dat werd openbaar. Mijn vrouw zag het zitten te verhuizen en ik stond op het punt de benoeming te aanvaarden, toen iemand die deze gemeente goed kende mij belde en waarschuwde: ‘Het is daar een verziekte boel.’ Wat moest ik doen? Ik concludeerde dat het niet in orde was dat ik daar niet over was ingelicht en besloot mijn kandidatuur in te trekken. Tot mijn pensioen zou ik gemeentesecretaris van Dongen blijven. Het gaf mij altijd voldoening als ik alle stukken op orde had, zodat de gemeenteraadsvergadering goed kon verlopen.

‘Moeilijke momenten in mijn leven waren de dood van mijn zoon op zijn 48ste en de opname van mijn vrouw in een verpleeghuis, ze was 59. Tiny bleek niet de sterkste. De dokter zei tegen mij: u moet er rekening mee houden dat zij niet meer thuiskomt, u moet uw eigen leven gaan leiden. Het heeft nog 15 jaar geduurd voordat zij stierf.’

In wat voor gezin bent u opgegroeid?

‘Een groot gezin met zes kinderen, vier meisjes en twee jongens. We hadden een vaste dienstbode voor dag en nacht. Een keer per maand kwam een naaister voor het verstelwerk.

‘Mijn vader was aannemer en een goede meubelmaker, hij heeft een prachtige deur gemaakt voor een kapel in Venray, die is er nog. Je moet je realiseren dat een werkweek destijds 48 uur duurde. Als mijn vader klaar was met zijn werk, ging hij meteen aan de slag in onze groentetuin, dus veel zagen we hem niet. Als hij thuis was, kon hij je te grazen nemen als je iets had uitgehaald.

(Begint te stralen) ‘Mijn moeder was heel bijzonder, een handige tante die goed met mensen kon omgaan. In die tijd had je De Gruyter, een kruidenierswinkel. Het aantal winkels breidde zich steeds verder uit, het was haar werk die winkels op te zetten. Zodra ze in 1922 trouwde, stopte ze ermee, zo ging dat in die tijd.

‘Op een gegeven moment zou ons huis in Venray worden verkocht. De zusters Ursulinen, die achter ons woonden, wilden de grond hebben. Een zuster kwam langs om er met mijn vader over te praten, maar hij verdween snel via de achterdeur en liet mijn handige moeder de onderhandelingen doen. Ze bedong een behoorlijk hoge prijs. ‘Veel te weinig’, oordeelde mijn vader toen hij ’s avonds thuis kwam. De volgende dag ging ze opnieuw onderhandelen, en er kwam het nodige bij. De handel was haar talent. Ze had veel potentie, het is jammer dat ze daar weinig mee heeft kunnen doen.’

Kregen uw zussen evenveel kansen als hun broers?

‘De meiden klaagden altijd dat de jongens bevoordeeld werden. Misschien zat daar wel iets in. Zodra mijn moeder zag dat wij eraan kwamen, riep ze tegen de meisjes: ‘Zet de stoelen klaar, de jongens komen eraan!’ Mijn broertje en ik mochten naar het gymnasium, mijn oudere zus, die beslist de capaciteiten daarvoor had, kreeg de kans niet. De mentaliteit in die tijd was dat meisjes er voor het huishouden waren. Een zuster van de Orde van de Ursulinen, waar ze op de lagere school zat, bezocht vaak mijn ouders om te bepleiten haar naar het gymnasium te laten gaan. Mijn broer en ik hebben een universitaire opleiding afgerond, mijn broer werd zelfs hoogleraar.’

Hoe is het leven van uw zussen verlopen?

‘De dames waren laatbloeiers. Mijn zus die naar het gymnasium had gekund, is ongetrouwd gebleven en verpleegkundige geworden op de kraamafdeling van een ziekenhuis. Een andere zus werd jong weduwe met vijf kinderen, haar man was verdronken. Ze moest de kost zien te verdienen en nam het werk van voor haar trouwen weer op, in een manufacturenwinkel. Ze werd 90 jaar. Mijn vrolijkste zus is kortgeleden overleden, op haar 95ste. Ze belde mij op: ‘Ik ga vandaag naar boven.’ ‘Wat bedoel je?’, vroeg ik. Er kwam geen antwoord. Ze stierf de volgende dag, ze voelde het kennelijk aankomen.’

Heeft u uw eigen dochter wel dezelfde kansen gegeven als uw zoons?

‘Ik heb haar niet gedwongen te gaan studeren, ze wilde het zelf. Na het gymnasium heeft ze twee studies gedaan: geschiedenis en Engels. Mijn zoons zijn ook universitair opgeleid.’

Bent u katholiek gebleven?

‘Jazeker. Ik ga elke zondag om 10 uur naar de mis. De kerk is maar 10 minuten lopen. Er komen nog zo’n honderd mensen. Als ik na afloop hier in het restaurant koffie ga drinken, vragen ze: ‘En, heb je weer voor ons gebeden?’ Ik ben de enige in dit hele gebouw die nog naar de kerk gaat. Ik ben ook de enige die elke dag de krant leest, de Volkskrant. Met niemand in huis kan ik over het nieuws praten, wel over voetbal – hier wonen enkele oud-voorzitters van PSV, terwijl ik Ajax-supporter ben, ik mis geen enkele wedstrijd.’

Uw zoon noemt u ‘de onhandigste man van Nederland’.

‘Neem maar van mij aan dat hij de waarheid spreekt. Ik ben inderdaad niet handig. Een peertje in een lamp draaien kan ik niet. Ik was ook niet de vader die zijn kinderen leerde hoe ze hun fietsband moesten plakken. Maar sinds ik hier woon, kan ik meer dan vroeger. De oven aanzetten om iets op te warmen, lukt mij nu wel. Er is dus vooruitgang.’

Jos Peeters

geboren: 30 december 1924 in Venray

woont: zelfstandig, in Eindhoven

familie: nog een zus (91), drie kinderen (een overleden), vier kleinkinderen, één achterkleinkind

beroep: gemeentesecretaris

weduwnaar sinds 1994

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next