Mensen met verward gedrag die overlast veroorzaken belanden steeds vaker in de gevangenis na relatief kleine vergrijpen. Zo ook in Delft, waar politie en hulpverleners geen andere optie zien om deze groep te helpen.
schrijft veel over de problematiek rond de zorg voor verwarde personen.
Jaap wil niet ondankbaar overkomen. ‘Ik ben wel dankbaar’, mompelt hij haast onverstaanbaar. Maar wie Jaap precies dankbaar moet zijn? Dat is de dakloze dertiger vergeten. Net als dat hij niet meer weet hoe hij anderhalve week geleden in het ziekenhuis belandde.
‘Ik was erbij’, zegt agent Arno. ‘Wij hebben de ambulance voor je gebeld.’
‘O’, reageert Jaap – 32, hoodie en zwarte pet – verbaasd. ‘Ik weet alleen dat ik zware alcohol had gedronken en dat ik onderkoeld was.’
‘We vonden je op de grond, bij het station, en je reageerde bijna nergens meer op’, antwoordt de agent. ‘Dat is niet gezond, zo laveloos zijn.’
Jaap, die op straat Japie wordt genoemd, haalt zijn schouders op, alsof het hem weinig kan schelen dat er anderhalve week geleden voor de 34ste keer in twee jaar tijd een ambulance voor hem werd gebeld.
‘En hij is vaker stomdronken’, voegt agent Max toe. ‘De ambulance neemt hem alleen mee als hij onderkoeld is of het alcoholpromillage gevaarlijk hoog is.’
Hoe kan het dat complexe, psychiatrische patiënten door de mazen van het zorgstelsel glippen? In de nieuwe Volkskrant-podcast Niemandsland doen de ouders van Rens hun verhaal. Hij werd in augustus 2023 doodgestoken door zijn psychotische bovenbuurman, en dat terwijl de familie van de dader jarenlang – tevergeefs – hulp zocht. Maar niet alleen familie en slachtoffers voelen zich vaak machteloos, ook hulpverleners hebben geregeld het gevoel klem te zitten.
Het is een koude maandagochtend begin januari, iets na tien uur, als de agenten Jaap op straat tegenkomen, vlak bij de noodopvang aan de Spoorsingel in Delft. Daar heeft hij overnacht, nu gaat hij de dag op straat overbruggen.
‘Hij is een van onze notoire overlastplegers. Winkeldiefstal, vernieling, dat soort dingen’, zegt agent Arno als Jaap even later, met een biertje in zijn hand, wegsjokt over de grachten. ‘Pleegt hij nog één misdrijf, dan trek ik hem voor twee jaar naar binnen.’
Oftewel: steelt Jaap een blikje bier of gooit hij een steen tegen de ruit, dan gaat hij twee jaar de gevangenis in, als het aan de politie ligt.
Dat klinkt cru voor zo’n klein vergrijp, maar de agenten zien geen andere optie. ‘We zijn radeloos’, zegt Arno, die zich, net als zijn collega Max, in Delft ontfermt over de meldingen van personen met verward gedrag. Beide agenten willen om privacyredenen niet met hun achternaam in de krant. Jaap, die met een psychische aandoening kampt, kennen ze goed: jaarlijks is de politie zo’n vijfhonderd tot duizend uur met hem bezig.
Tot een jaar geleden had Jaap Bot, zoals hij voluit heet, een zorgmachtiging, afgegeven door de rechter op basis van de Wet verplichte gezondheidszorg. Volgens de agenten wilde hij áls hij nuchter was graag geholpen worden, maar was hij dronken – en dat was hij meestal – dan weigerde hij alle hulp. ‘Met zo’n zorgmachtiging kan er vervolgens toch zorg voor hem worden geregeld, en die moet hij dan accepteren’, vertelt agent Max.
‘Er is dik een jaar gezocht naar opvangplekken. Allemaal mails over en weer, en vergaderingen waar soms wel vijftien mensen van verschillende instanties aanschoven. Maar geen enkele kliniek of begeleid-wonen-instelling had plek of wilde hem hebben. Toen is de zorgmachtiging ‘teruggegeven’. Dus zwerft Japie nog altijd over straat.’
Onbestaanbaar, vindt Max dat. ‘De rechter zegt: Japie heeft gedwongen zorg nodig, maar vervolgens wordt er niks passends gevonden. Dan faalt het systeem toch?’
Daarom hebben de agenten noodgedwongen hun strategie gewijzigd: Jaap wordt nu bewust het strafrecht ingeduwd. Dat kan via de zogenoemde ISD-maatregel, ooit in het leven geroepen voor draaideurcriminelen; wordt iemand in vijf jaar tijd onherroepelijk veroordeeld voor drie misdrijven, heeft hij al een lang strafblad én is het niet de verwachting dat hij zijn leven betert, dan kan hij twee jaar de cel in.
Het is niet de eerste keer dat de agenten deze route bewandelen. Vorig jaar nog ‘schreef’ Arno een andere notoire overlastpleger ‘twee jaar de ISD in’, nadat hij een chocoladepaashaas van 5 euro had gestolen. ‘Japie heeft afgelopen jaar een ruit vernield en een fiets’, zegt Max. ‘Doet hij nog iets, al is het maar het stelen van een blikje bier, dan halen we alles uit de kast. We laten hem verhoren door de recherche, gaan op zoek naar camerabeelden en maken een zogenoemd sfeer-proces-verbaal op voor de rechter om uit te leggen waarom we hem zo snel mogelijk in een ISD-traject willen. Dan is hij ten minste twee jaar van straat en kan hij niet drinken.’
Anders vrezen ze dat ze de dertiger op een ochtend dood in de gracht zullen aantreffen. Max: ‘Het is een wonder dat-ie er met zijn dronken hoofd niet al in gevallen is.’
In Delft steeg het aantal meldingen over mensen met verward of onbegrepen gedrag vorig jaar tot 2.153, een toename van 630 procent in tien jaar tijd. Het gaat veelal om mensen die eigenlijk zorg nodig hebben. Een duidelijke verklaring waarom het juist in deze stad relatief zo snel stijgt, is er niet.
Ook elders in het land trekt de politie hierover al jaren aan de bel. Sinds 2012 houdt de politie deze zogenoemde E33-meldingen bij. Toen waren het er landelijk 44 duizend. Inmiddels zijn het er meer dan drie keer zo veel: 150 duizend.
Volgens cijfers van het ministerie van Justitie en Veiligheid zijn voor elke E33-melding naar schatting twee agenten nodig, die er vervolgens zo’n twee à drie uur mee bezig zijn. Op jaarbasis betekent dat grofweg vierhonderd tot zeshonderd fulltime-medewerkers, oftewel de hele politieformatie van drie middelgrote steden.
Bij deze politiecijfers hoort wel een kritische kanttekening. De E33-meldingen zijn een vergaarbak van allerlei vormen van verward of onbegrepen gedrag. Het kan dan ook gaan om een oude vrouw met dementie die in paniek is, of om een man die eenmalig in psychische nood is na een scheiding. Lang niet altijd dreigt gevaar, en niet bij elke melding komt het verwarde gedrag ook voort uit een stoornis.
Daar staat tegenover dat niet elke melding van mensen zoals Jaap wordt geregistreerd onder de code E33. Steelt hij een biertje, dan registreert de politie dat onder de code voor diefstal.
Deze politiecijfers zeggen dus niet alles. Ze zijn vooral een indicatie van hoe de samenleving in toenemende mate worstelt met overlast door mensen met verward of onbegrepen gedrag. Een verklaring hiervoor wordt gezocht in een opeenstapeling van maatschappelijke ontwikkelingen en politieke keuzes: een samenleving die ingewikkelder wordt, de beddenafbouw in ggz-klinieken sinds 2012, marktwerking in de zorg en een zorgstelsel dat zo ingewikkeld is geworden dat met name kwetsbare, complexe patiënten door de mazen kunnen glippen.
Om te zien wat dit in praktijk betekent, liep de Volkskrant mee met de politie in Delft, maar keek ook mee met een rechter en sprak met zorgverleners. Want niet alleen de politie, ook andere partijen zitten klem.
‘Het is pingpongen met patiënten geworden’, zegt agent Arno. ‘Alles draait om geldstromen, wie waarvoor betaald wordt, onder welke wet iemand valt en ga zo maar door. Iedereen wijst naar een ander. Het einde van het liedje is dat niemand zich meer verantwoordelijk voelt voor de patiënt.’
Voor de Delftse agenten betekent dit dat er dagelijks verwarde mensen aan de balie staan, dat ze telefoontjes krijgen van psychiatrische patiënten over complotten of dat er meldingen binnenkomen over overlast of misdrijven. Zo dreigde iemand, in de dagen dat de Volkskrant meekeek, zijn eigen ogen uit te branden, vroeg een psychiatrisch patiënt in paniek of de agenten ‘haar hals wilden doorsnijden’ en stond ‘een van de vaste klanten’ schreeuwend voor het politiebureau. In zijn zak bleek een mes te zitten.
‘Het is een bont gezelschap’, zegt de Delftse teamchef Ewout Smeerdijk. ‘Maar over een harde kern van zo’n veertig mensen komen de meeste meldingen binnen. Tientallen per maand soms.’ Dan is Jaap nog een overzichtelijke casus, vervolgt hij. ‘Er zijn ook complexere gevallen, mensen die een gevaar zijn voor anderen. Echt buikpijngevallen.’
Niet alleen de politie, ook de zorgsector zelf ziet het strafrecht soms als – tijdelijke – oplossing. ‘Hulpverleners worden soms geslagen, geschopt en bedreigd’, zegt Elsa Doze, directeur netwerksamenwerking van Fivoor, een ggz-instelling voor forensische en intensieve psychiatrie. ‘Dat risico is er als je werkt met deze doelgroep, maar er zijn scherpe grenzen. Wij melden het daarom altijd bij de politie, maar dat doen we ook vanuit de gedachte dat je zo een dossier opbouwt en via de strafrechter mensen in ieder geval van straat haalt.’
Een andere optie is er simpelweg soms niet, zegt ze. Geregeld is het een lastige zoektocht om de patiënten – die vaak geen zorg willen maar wel nodig hebben – onder te brengen in een passende woning, kliniek of begeleid-wonen-instelling. ‘Vooral de plekken voor de zwaardere gevallen, die agressief gedrag kunnen vertonen, zijn afgelopen jaren verdwenen. Dan moeten we met zijn allen echt op zoek naar een speld in de hooiberg.’
De hoop is dat de patiënten in de ISD-cel tot rust komen en dat het hulpverleners binnen die twee jaar wél lukt om een geschikte opvangplek te vinden. Maar ook dat lukt niet altijd, zegt Doze. De wachtlijsten zijn lang en alleen patiënten met het juiste ‘label’ komen in aanmerking voor een plek. ‘Soms kunnen we alsnog niks regelen en belandt zo’n patiënt na een celstraf weer op straat.’
Zo zitten we allemaal klem in een vicieuze cirkel, zegt rechter Natalia Lubbe. ‘Het strafrecht hoort het uiterste redmiddel te zijn en niet de manier om de geestelijke gezondheid aan te pakken.’
De rechter, een goedlachse verschijning die iedere verdachte vriendelijk maar kordaat begroet, zit in een zittingszaal in Den Haag. ‘Het belooft een gemiddelde politierechterzitting te worden’, zegt ze bij aanvang. Op de rol staan kleine strafzaken: diefstal van een jas, rijden onder invloed, vernieling, heling van een fiets. In de helft van de zaken heeft de verdachte psychische problemen. ‘Tegenwoordig komt tijdens zittingen problematiek voorbij die ik, toen ik in 2009 begon, niet zag.’
Ook deze middag zit een van de verdachten onrustig op zijn stoel. Zijn ogen schieten heen en weer, van het plafond naar de muren en weer terug.
‘Waarom kijkt u naar het plafond? Heeft u last van stemmen?’, wil de rechter weten.
Ja, knikt de verdachte, die twee weken eerder het dienstwapen van een agent probeerde te stelen, adhd heeft en verstandelijk beperkt is. ‘Ik ben bang’, vertrouwt hij de rechter toe. ‘Ik word al tien jaar in de gaten gehouden.’
En dan is er nog een verwarde verdachte die middag, een twintiger die begin december zijn slaapkamer bij het Leger des Heils heeft vernield. Hij heeft gaten in de muren geslagen, een koelkast vernield en de grote onderdelen daarvan uit het raam gegooid.
‘Ik sliep lekker en toen klopte iemand op de deur. Toen werd ik boos’, vertelt hij aan rechter Lubbe.
‘Het was aan het begin van de middag’, reageert ze. ‘Dan is het niet gek als iemand klopt.’
De verdachte haalt zijn schouders op. Volgens hem is het allemaal niet erg wat hij heeft gedaan. Het gaat bovendien prima met hem, vindt hij zelf. ‘Ik wil zo snel mogelijk de cel uit.’
Daar denken twee aanwezige reclasseringsmedewerkers van Fivoor anders over. Ze hebben de twintiger afgelopen jaar zien afglijden, en ook zegt hij soms vreemde dingen. ‘Het zijn uitspraken die duiden op een psychose, maar hij wil geen medicatie’, zegt de reclasseringsmedewerker.
Wat de reclassering betreft zou deze verdachte gedwongen zorg moeten krijgen. Alleen het civiele traject, via de Wet verplichte ggz, kan nog een tijd duren. Daarom hopen ze dat de strafrechter vandaag iets kan betekenen, dat Lubbe de jongen verplicht een jaar naar een kliniek stuurt. ‘Al realiseren we ons dat twaalf maanden in een kliniek misschien niet in verhouding staan tot het delict.’
De rechter kijkt bedenkelijk, maar uiteindelijk gaat ze erin mee. Nog twaalf dagen moet de twintiger de cel in wegens vernieling, daarna gaat hij met spoed voor maximaal een jaar naar een kliniek, besluit ze. ‘Nu waren het spullen die kapot zijn gegaan’, zegt ze tegen de hoofdschuddende verdachte, ‘maar de volgende keer is het misschien uzelf, of doet u een ander kwaad.’
Even later staan de twee reclasseringsmedewerkers, die niet met hun naam in de krant willen, met tegenstrijdige gevoelens in de hal van de rechtbank. ‘We kregen echt buikpijn van de gedachte dat deze jongen onbehandeld op straat zou komen’, zegt een van hen. Maar aan de andere kant: met dit vonnis alleen zijn ze er niet. Nu moeten ze aan de slag om een geschikte spoedplek in een kliniek te regelen. ‘Of dat lukt, is écht nog maar de vraag. De kans is groot dat deze jongen over twaalf dagen alsnog op straat staat.’
Het kabinet schreef deze zomer in het regeerprogramma dat de politie minder tijd kwijt zou moeten zijn aan meldingen over verward en onbegrepen gedrag. ‘Werkzaamheden van de politie’ zouden overgeheveld moeten worden ‘aan ter zake deskundige organisaties’.
‘Ik hoor graag wat ze van plan zijn’, zegt de Delftse teamchef Smeerdijk. Tot nu toe heeft hij weinig van dit voornemen gemerkt. Wel start er in Delft, in navolging van andere gemeenten, binnenkort een project waarbij twee psychiatrisch verpleegkundigen aanschuiven op het politiebureau. Zo kan sneller een juiste inschatting worden gemaakt. ‘Er hoeft dan misschien niet altijd een politieauto naar de melding toe. De verpleegkundigen kunnen gaan, alleen of met een agent. Bovendien hebben zij informatie die wij niet hebben, waar iemand onder behandeling is, bijvoorbeeld.’
Dit moet de agenten tijd schelen. Maar, zegt Smeerdijk, ‘het onderliggende probleem wordt er niet mee opgelost. Want als er geen plekken zijn voor deze patiënten, houdt het voor deze psychiatrisch verpleegkundigen ook op.’ Wil je dit probleem écht oplossen, zegt Smeerdijk, ‘dan moet je het zorgstelsel grondig herzien.’
Tot die tijd blijft het dweilen met de kraan open, zegt agent Arno, die weinig vertrouwen heeft dat de politiek dit gaat aanpakken. ‘Er zijn meer incidenten, er vallen onschuldige slachtoffers, we zien vaker patiënten op straat in mensonterende omstandigheden. Maar kennelijk telt dat niet voor de politiek’, zegt hij terwijl hij samen met zijn collega Max door het centrum van Delft loopt.
Ze gaan de noodopvang van KesslerPerspektief in. Ook hier hebben de agenten afgesproken dat er aangifte wordt gedaan als een van de bewoners een misstap begaat. Al vindt teamleider Linda Smits het eigenlijk ‘van de zotte’ dat ze ‘aangiften moet stapelen’. ‘Bizar dat dit nodig is in een rijk land als Nederland.’
Vlak voor kerst werden haar collega’s nog bedreigd. Een agressieve cliënt maakte steekbewegingen en dreigde de families van haar collega’s uit te roeien. Daarna sloeg de man een ruit in en stal hij een kerstpakket. Daarvan deed ze aangifte.
‘Vroeger hadden we in de noodopvang nauwelijks zware gevallen, dus mensen die eigenlijk zorg nodig hebben’, zegt Smits, ‘maar nu is de verhouding 20 procent zware gevallen tegenover 80 procent ‘normaal’.’
Zo mochten stomdronken mensen lange tijd de noodopvang niet in, zegt ze. Inmiddels is ze ingehaald door de realiteit. ‘Japie bijvoorbeeld’, zegt agent Arno, ‘hebben we afgelopen jaar meerdere malen ‘horizontaal’ de noodopvang ingedragen.’
‘Dan zetten we hem in een rolstoel onder de douche’, vervolgt Smits. ‘trekken we hem schone kleren aan, leggen we hem op bed en checken we om de zoveel tijd of-ie het nog doet.’ Maar eigenlijk, zegt ze, is mijn personeel daar helemaal niet voor opgeleid. ‘En weet je wat het bizarre is: over zo’n patiënt wordt geregeld vergaderd, door een heel systeem van instanties. Wat dat allemaal niet kost, daar krijgt een paard toch de hik van? En vaak leveren al die vergaderingen niets concreets op.’
Teamchef Smeerdijk vindt het een gevaarlijke ontwikkeling. ‘Voor de patiënt zelf, omdat deze geen zorg krijgt. Maar ook voor mijn agenten. Zij worden wekelijks blootgesteld aan psychosen, gruwelijke suïcides of pogingen daartoe, of ze krijgen te maken met geweld. Dat heeft impact op hun gezondheid. Bovendien zijn sommige agenten het op een gegeven moment zat als ze vijftig, zestig keer per maand op hetzelfde adres moeten komen en geen oplossing kunnen bieden.’
Hij vreest dat als je dit probleem niet oplost, de gevolgen nog groter zullen zijn. ‘Als jij als alleenstaande moeder hard aan het werk bent om iets van het leven te maken en je psychotische buurman staat naakt met een mes bij je in de tuin, dan word je bang. Je belt de politie, die neemt je buurman mee, maar de volgende dag is de buurman er weer. Of je bent een aannemer, je bus wordt opengebroken, er wordt 30 duizend euro aan materiaal gejat, je doet aangifte, je hebt zelfs camerabeelden en een kenteken van de dief. Maar vervolgens krijg je te horen: sorry, we hebben geen tijd, want we moeten nu medicijnen toedienen bij iemand die in een psychose zit. Want dat gebeurt. Waar sta je dan als burger en rechtsstaat?’
Kijk je heel sec naar het onderwerp, vervolgt de teamchef, ‘dan zou ik tegen agenten als Arno en Max moeten zeggen: doe maar een stap terug. Want wat zij doen, zou eigenlijk geen onderdeel van het politiewerk moeten zijn. Maar dat betekent dat je mensen zoals Japie voortaan op straat laat liggen, om dood te gaan.’
Het is een gedachte die waarheid wordt als agenten Arno en Max op maandag 27 januari rond 19.00 uur een melding krijgen. Jaap is roerloos aangetroffen op een bankje. Volgens omstanders bewoog hij al een tijdje niet meer en lag er naast hem een fles wodka. Dood is hij nog niet, lezen de agenten die avond. Al is zijn toestand, na een reanimatie, wel kritiek.
Twee dagen later volgt opnieuw een bericht: Jaap is overleden.
En nu, op dinsdag 4 februari, ligt hij opgebaard in een sober Haags uitvaartcentrum. Er klinkt stemmige muziek. Op een paar familieleden na zijn het vooral hulpverleners die om zijn kist staan. Agenten Max en Arno zijn er, net als Linda Smits van de noodopvang. De sfeer is bedrukt. ‘Zo’n jong leven. Nog maar 32’, zegt Arno. ‘En dan zijn het vooral hulpverleners die naar je uitvaart komen.’
De agent zag het al aankomen, net als Smits. Ruim twee weken eerder, medio januari, werd Jaap ook al gereanimeerd. Die avond hadden andere bewoners van de noodopvang hem buiten aangetroffen, wederom naast een fles wodka. ‘Ze hebben Japie toen bij ons binnengedragen naar de crisiskamer’, vertelt Smits. ‘Om de 45 minuten hebben we hem gecontroleerd, maar op een gegeven moment troffen we hem gorgelend aan. We voelden geen ademhaling.’ In het ziekenhuis is Jaap toen twee dagen in slaap gehouden. ‘Maar niet veel later stond hij weer bij ons op de stoep, en begon hij weer te drinken’, zegt Smits.
Ruim twee jaar verbleef Jaap bij haar in de noodopvang. ‘Als hij nuchter was’, vertelt ze, ‘was het echt een leuke, slimme knul. Hij wist dat er een weg was, dat je kan stoppen met drinken. Maar hij kon die weg niet vinden.’
Ook agent Arno is aangeslagen. ‘Al probeer ik het professioneel te benaderen.’ Toch laat één gedachte hem niet los. ‘Als Japie een paar weken terug een blikje bier of wat dan ook had gejat, was dit misschien anders gelopen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant