Home

Woedende Kjeld Nuis pakt NK-goud in Thialf: ‘Ik dacht: in welke pupillenwedstrijd ben ik beland?’

Daar gaat mijn belangrijkste wedstrijd van het seizoen, denkt schaatskampioen Kjeld Nuis even in Thialf. Toch is hij, al dan niet met een ‘draak van een tijd’, alsnog de beste op de 1.500 meter. Maar van blijdschap was na afloop amper sprake.

is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, zwemmen en tennis.

Het is zaterdagmiddag ruim na vieren als in Thialf de ‘mooie comedyshow’ van Kjeld Nuis begint. Dweilorkest de Blaasbalgen staat nog vol overgave te spelen. De lichten in Thialf zijn grotendeels gedimd en Nuis, door wedstrijdspanning met een lijf vol adrenaline, wil het ijs opstappen voor zijn 1.500 meter. In het uur dat volgt zal hij boos zijn, lachen, winnen en weer boos zijn. Hij zal ‘bijna een gat in zijn hand’ knijpen, om uiteindelijk als woedende en trotse kampioen te eindigen.

Weinig is saai in het leven van Nuis (35). Hij is meervoudig olympisch kampioen, praat vol overgave én zelfspot, noemt zichzelf topsporter in hart en nieren en kan vurig zeggen: ‘Het zit bij mij echt diep, ik wil echt winnen.’ En winnen werd hem, onterecht, vindt hij, zaterdag op de 1.500 meter bij de NK afstanden in Heerenveen een stuk moeilijker gemaakt dan anders.

De wedstrijdvolgorde van de NK wordt gedaan op loting. Daarbij worden schaatsers, om zoveel mogelijk gelijk niveau aan te houden, eerst in groepen opgedeeld: langzaam en steeds sneller, gebaseerd op seizoenstijden. Drie dagen geleden kwam de schaatser van Reggeborgh erachter dat hij in de langzaamste groep was ingedeeld. Hij had wereldbekerwedstrijden gereden in Azië en in Noord-Amerika, had podiumplekken gehaald, maar voor de loting van de NK afstanden telden Europese tijden en die had Nuis dit seizoen op de schaatsmijl niet gereden. Vervolgens kwam hij in rit 1 terecht.

‘Tering gevaarlijk’

Hij grapte vooraf nog met zijn ploeggenoten: dan doe ik maar een bouwlamp op mijn hoofd. Als in Thialf de dweilmachines het ijs opgaan, gaan ook de lichten uit. ‘Wie dat bedacht heeft…’, zal hij spottend zeggen. Voor toeschouwers is er sfeer, afwisseling, maar Nuis noemt het ‘tering gevaarlijk’. Wat als iemand een start doet tijdens het inrijden, en je ziet elkaar niet en krijgt een ongeluk, zal hij zich hardop afvragen. ‘Slechte zaak.’

Bovendien zag hij de minuten tot zijn start wegtikken. Normaal gesproken stapt hij tien minuten voor zijn start het ijs op. Dan rijdt hij een paar ronden in, gaat even omhoog om weer op adem te komen, doet vervolgens wat acceleraties, zoekt zittend op een bankje aan de inrijbaan zijn concentratie en doet eventueel zijn schaatsveters nog wat strakker. Zo is zijn voorbereiding al jarenlang, het is het tijdsbestek dat het gros van de schaatsers uittrekt voor de warming-up op het ijs.

Maar nu had de scheidsrechter hem verboden eerder de baan op te gaan. ‘De blokjesleggers staan er nog op’, zei ze. En Nuis dacht: in welke pupillenwedstrijd ben ik beland? ‘Mevrouw, ik moet over zes minuten rijden’, zei hij. Maar ze is onverbiddelijk, hij moet wachten.

Daar gaat Hamar

Niet lang daarna schaatst Nuis naar 1.44,73, wat hij later een draak van een tijd zou noemen. Nipt sneller dan Wesly Dijs (1.44,81) en Tim Prins (1.45,01), maar dat zou hij later pas tot zijn verbazing merken. Eerst dacht hij een minuut of twintig: daar gaat Hamar. Daar gaat mijn kans om over een maand de strijd aan te gaan met Jordan Stolz om de mondiale titel op de schaatsmijl. Daar gaat mijn belangrijkste wedstrijd van het seizoen. Er waren twee momenten waarop hij er wilde staan dit jaar: bij de WK, en om daar te komen bij de NK, dit weekend. ‘Hier ben je een heel jaar voor bezig.’

Het gesprek gaat zaterdagmiddag met wilde armgebaren. In rap tempo van rake taal naar lachen. ‘Weet je nog’, zegt hij tegen zijn stuk of tien toehoorders, ‘toen ik ook eens in rit 1 moest starten. ’In 2022 ergens’, toen ik na een blessure terugkeerde in de wereldbeker. ‘Dacht ik dat ik daar zou winnen. Ning en Stolz gingen tegen elkaar, waren langzamer. Stond ik zo in de camera’, zegt hij met wilde euforische gebaren. Tot hij ontdekte dat de relatief onbekende Canadees Connor Howe zijn tijd verbeterde. Harde lach: ‘Stond ik gruwelijk voor lul. Schaam ik me nog steeds voor.’

Maar deze keer was het andersom. Overheerste de boosheid, had hij zijn falen al ingecalculeerd, om pas daarna te merken dat hij alsnog de beste was.

Laaiend beende hij in eerste instantie de trap af, weg van het middenterrein, de tunnel onder de ijsbaan door, naar de trainingshal om daar in een hoek op een fiets te stappen en ‘met bibberende knietjes’, rond te trappen. Zijn blik ondertussen naar voren gericht, door het raam voor zijn neus dat uitzicht biedt op de ijsbaan en het uitslagenbord met tussentijden van zijn concurrenten.

Gelukssteentje

In zijn rechterbroekzak een ‘gelukssteentje’, gekregen van zijn zoon. Dat gaat elke wedstrijd mee. Deze keer was vriendin Joy Beune – zaterdagmiddag derde op de 3.000 meter – speciaal na haar warming-up nog langs hun huis gereden om het op te pikken. ‘Daar heb ik zo hard in geknepen, ik had bijna een gat in mijn hand’, zal Nuis na afloop zeggen. Met een grijns: ‘Ik denk dat die winst met een paar honderdsten daar wel mee te maken heeft.’

Met nog een rit te gaan zag hij tot zijn verbazing dat hij het podium en daarmee ook de WK zou halen. ‘Nou, oké. Het zal wel’, dacht hij. Vervolgens: ‘En dan heb je uiteindelijk nog gewonnen ook.’ Om direct over te stappen naar zijn gedachten daarna, op het podium, luisterend naar het Wilhelmus, terwijl hij zijn eindtijd in beeld kreeg. ‘Dan zie je die tijden en denk je: ja, dat is kansloos.’ Waarna hij een rijtje buitenlandse concurrenten opnoemt die hij ruimschoots sneller acht. ‘Je wordt gewoon straks zesde met zo’n tijd. En daar rijden we niet voor.’

Boos

Hij is boos, zegt hij, zelfs als hij het goud al lang en breed om zijn nek heeft hangen. Lang nadat hij zijn armen in de lucht strekte, nadat hij van de fiets was afgestapt en de knikkende knietjes verdwenen waren. Zijn ploeg had nog geprobeerd de loting te veranderen. ‘Maar regels zijn regels’, kreeg coach Dennis van der Gun na zes telefoontjes en zes mailtjes te horen, vertelt Nuis.

En, zo zegt Nuis ook, hij kan zichzelf wel ‘met een korrel zout nemen’. Dat er mensen zullen zijn die denken: wie denkt die gozer wel niet dat hij is? Waarom kan hij zijn best niet doen in rit 1, anderen doen dat ook, dat weet hij. ‘En die mensen hebben groot gelijk. Maar ik vind wel dat ik recht heb op goede inrijtijd. En dat was niet zo. De organisatie vind ik amateuristisch. Ik was goed, dat wil je laten zien onder eerlijke omstandigheden.

‘Laat ik het zo zeggen’, zegt hij ook, terwijl hij met zijn vlakke hand op het dranghek zijn punt probeert te benadrukken. ‘Stel, ik had het hier niet gehaald. Ik was hier vierde, dan gaat straks dus de enige die Jordan bijhoudt, of Eitrem, of Ning, niet naar de WK’, zegt hij, refererend aan Stolz, de Noor Sander Eitrem en Chinees Ning Zhongyan.

18-jarig talent

‘Het enige wat leuk was, was mijn tegenstander. Ik kende die hele gast niet.’ Zijn naam: Edsger van Felius, een 18-jarig talent dat een paar dagen geleden hoorde dat hij toegevoegd was aan de startlijst voor het kampioenschap, door de afmelding van de geblesseerde Patrick Roest. Het verschil in persoonlijke records tussen de twee op de 1.500 meter: 11,5 seconden. Nuis, enthousiast: ‘Hij kwam naar me toe in de inwerkhal, gaf me een hand – supernetjes – en zei: kom op hè.’

En vervolgens doet Nuis het gesprek na afloop van hun race na, waarin Van Felius hem eerst feliciteert. Nuis, met hogere stem het enthousiasme nabootsend: ‘Goed gedaan, 1.43!’ Dan op eigen volume: ‘Ik heb 1.44.’ Weer een octaaf hoger: ‘O, jammer.’

Op normale toon: ‘Superleuk. Ik hoop dat hij een leuke dag had.’ Dan, terwijl hij zijn gouden plak tussen duim en wijsvinger neemt: ‘Die boosheid blijft nog wel even. Maar ik moet nu mijn bek houden, want ik heb deze. Daar ben ik echt wel blij mee.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next