Tijdens het proces rond de terroristische aanslagen in Parijs – de Bataclan, de terrassen, de stoep voor het Stade de France – betoogde de advocaat van een van de verdachten, Jonathan De Taye, dat de innige betrokkenheid bij de aanslagen van zijn cliënt tamelijk vergezocht was: ‘Wanneer ik in Brussel in een park wandel en hoefgetrappel hoor, denk ik aan een paard. Het Openbaar Ministerie denkt aan een zebra.’
Deze metafoor kwam ik tegen in Emmanuel Carrères V13. Ik moest eraan denken bij het lezen van het stuk van Rob Vreeken over Francesca Albanese, VN-rapporteur voor de Palestijnse gebieden, die in Nederland kwam spreken over de genocide in Gaza. Er was weerstand. Er waren betogingen. Gedoe op de universiteit. De Tweede Kamer trok de uitnodiging aan Albanese om te komen spreken in. Reden: ophef over al het onaangenaams dat Albanese over Israël had beweerd. Als problematische opvattingen over landen en bevolkingsgroepen reden waren om iemand uit de Kamer te weren, zou het er behoorlijk stil worden, maar goed. Bovendien bleek uit Vreekens analyse dat Albanese het merendeel nooit had gezegd. Kortom: er had hoefgetrappel geklonken, en men was voor het gemak maar uitgegaan van een zebra, of anders iets nóg zwart-witters.
De taal heeft het zwaar te verduren. In Nederland bleek het de afgelopen weken vanwege veiligheidsoverwegingen verdraaid moeilijk een podium te vinden voor een Israëlische comedian, in Oost-Jeruzalem confisqueerden agenten dit weekend een groot aantal boeken in een populaire Palestijnse boekwinkel, en een verslaggever van Associated Press was niet welkom in het Witte Huis, omdat AP de Golf van Mexico nog altijd de Golf van Mexico noemt en niet ‘Trump-zee’ of iets dergelijks. Daarnaast komen er vanuit de VS vrijwel dagelijks berichten over lijsten met ‘verboden woorden’ voor overheidsdiensten of wetenschappelijk onderzoek. En mediatoezichthouders worden er inmiddels ‘presidentiële spraakpolitie’ genoemd, las ik in een artikel van Thomas Rueb.
Het woord doet er dus nog toe, maar geregeld betwijfel ik het nut ervan (bijvoorbeeld in columns als deze) als tegenwicht tegen van kwaadaardigheid zinderende nonsens. Het probleem is: je kunt het hoefgetrappel beschrijven, maar de lezer beslist of-ie een paard hoort of een zebra. En de lezer heeft sowieso gelijk, want die heeft zich door uitgemergeld lees- en taalonderwijs gesleept, langs uitgeklede talenstudies, tot bij jouw stukje.
Je kunt je afvragen waarom het woord zo onder vuur wordt genomen – er komen steeds meer woorden, en steeds minder mensen die er zorgvuldig mee willen omgaan. Verbieden lijkt een overbodige bezigheid; de woorden die ertoe doen verzuipen toch wel, zonder reddingsvestjes in een zee van leugens en onnozele shit.
Kustaw Bessems merkte op dat het verbieden van woorden vooral een symbool van machtspolitiek is: ik kan dit doen, dus doe ik het. Volgens mij werken dat soort aanvallen vaak twee kanten op: er is de intimidatie, het machtsvertoon, even kolderiek als angstaanjagend. Want wie de taal manipuleert, dicteert wat wordt gezegd en geschreven, maar ook wat wordt gezien, gedacht en gehoord – we hebben taal nodig om woorden te geven aan wat we meemaken. Maar daarnaast is er ook angst die door die intimidatie heen schemert. De vrees voor het verlies van de gunst van de mensen die nu nog op je hand zijn, de angst voor de werkelijkheid, voor woorden die de jouwe zullen ontmantelen.
Daar, in de verte: hoefgetrappel. Een paard? Een zebra?
Of een paard én een zebra?
Over de auteur
Frank Heinen is schrijver en columnist voor de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant