Mevrouw Huizenga (84) heeft op de alarmbel gedrukt. Ze ligt op de grond in haar kamer. Ik hurk bij haar neer en voel warmte op me af komen – nog geen 10 centimeter van haar gezicht ligt een gloeiend strijkijzer.
‘Waarom doet u zulke gevaarlijke dingen?’, jammer ik.
‘Ik was gewoon aan het strijken’, zegt mevrouw Huizenga.
Op mijn vraag of ze pijn heeft, wijst ze naar haar dijbeen en heup. ‘Ik ben misselijk van de pijn. Ik moet bijna overgeven.’
Gebroken, denk ik. Haar been ligt in een rare, gedraaide houding. Ik bel met de arts. Mevrouw Huizenga krijgt een shot morfine en we bestellen een ambulance. Mijn collega legt een kussen onder haar hoofd en een deken over haar heen, terwijl ik haar medische voorgeschiedenis en een medicatieoverzicht voor het ziekenhuis uitprint.
‘Doe mij maar bij het afval’, zegt ze tegen het ambulancepersoneel zodra ze arriveren.
‘Hebben jullie een vuilniszak bij je? Het is gedaan met mij.’
Daar zou ze best eens gelijk in kunnen hebben. Een gebroken heup kan meestal niet zonder operatie herstellen, maar mevrouw Huizenga heeft, net als de andere bewoners van het verpleeghuis, een heel kwetsbare gezondheid. Ik denk dat ze haar niet zullen opereren, omdat de kans dat ze aan complicaties overlijdt te groot is.
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Het ambulancepersoneel schuift de brancard onder mevrouw Huizenga. Met z’n vieren tillen we haar op de kar, en dan wordt ze door de ambulance- verpleegkundige en de chauffeur naar buiten gereden, naar de ambulance. Net voordat de deuren achter haar sluiten, hoor ik haar nog zeggen: ‘Rijd maar naar de milieustraat.’
De rillingen lopen me over de rug. Dat komt niet eens door wat er zonet is gebeurd, maar door wat ik verwacht dat er nog komen gaat. Straks komt ze terug uit het ziekenhuis en dan leggen ze haar hier weer in bed, met haar gebroken heup. Een heupfractuur doet pijn. Veel pijn. De eerste keer dat ik iemand met een gebroken heup had verzorgd, ik werkte toen nog maar net in de zorg, dacht ik: ik hoop dat ik dit nooit meer hoef mee te maken. Nu zijn we vijf jaar en weet ik hoeveel heupfracturen verder.
Hoe ouder iemand is, hoe groter de kans dat-ie valt. Dat komt door een samenloop van omstandigheden: minder spierkracht, stramme gewrichten, slecht zicht, bijwerkingen van medicatie en minder controle over je bewegingen door cognitieve problemen. En als een oudere valt, zijn de gevolgen ook vaak ernstiger: broze botten breken sneller. In het verpleeghuis doen we van alles aan valpreventie, maar helemaal voorkomen kun je het nooit. En soms heeft iemand al een heupfractuur voordat-ie bij ons komt wonen. De breuk is dan de reden voor de opname.
Twee weken geleden heeft meneer Ter Horst (86) zijn heup gebroken. Hij heeft daar zo veel pijn aan gehad dat hij het al uitschreeuwt als je alleen maar naar hem wijst. Mijn collega en ik staan aan zijn bed. We willen hem wat hoger in bed helpen, want hij ligt met zijn voeten tegen het voetbord.
Mijn collega is van het kordate soort. ‘Ken je de Australische greep?’, vraagt ze opgewekt. Ze houdt van aanpakken en doorwerken.
Zelf help ik meneer Ter Horst het liefst terwijl-ie gewoon doorslaapt. Heel, héél voorzichtig. Dat duurt erg lang. De laatste keer dat ik dat deed, verviel de hele afdeling in chaos, omdat de andere bewoners ongeduldig werden. Zij moeten ook geholpen worden.
Natuurlijk zijn er verschillende manieren om pijn te verlichten. Bij een heupfractuur zijn zware pijnstillers eigenlijk altijd onderdeel van de behandeling. Het comfort van de bewoner staat hierbij voorop, en de wensen van de naasten zijn ook belangrijk. Minder aandacht is er voor wat het met de zorgverlener doet. Het is heel moeilijk om voor iemand te zorgen die de zorg ervaart als een marteling.
‘Wacht’, zeg ik tegen mijn collega, wanneer ze aanstalten maakt om meneer Ter Horst vast te pakken in haar Australische greep. ‘Ik bedenk net dat er iets is wat ik eigenlijk eerst moet doen. We doen dit later, ja?’
Straks kom ik terug bij meneer Ter Horst, maar dan neem ik de stagiaire mee. Een bleek, bedachtzaam meisje met een brilletje, dat altijd staat te treuzelen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns