Home

‘De ME werkt soms als een rode lap op een stier’

Politiemensen over die ene melding, wat er daarna gebeurde en hoe dat hun kijk op het vak heeft veranderd. Teamchef Ruben Petow (76) voorkwam als commandant van het ‘plattepetten-peloton’ dat duizenden krakers op de vuist gingen met de ME.

is politie- en justitieverslaggever van de Volkskrant.

‘Op maandag 23 februari 1981, ik weet het nog precies, kreeg ik de vraag of ik bijstand kon verlenen aan de politie in Nijmegen. Wekenlang hadden krakers panden in de Nijmeegse Piersonstraat bezet en die nacht was alles nogal grof ontruimd. Omdat er vervolgens duizenden gefrustreerde krakers en sympathisanten door Nijmegen liepen die wilden demonstreren, moest ik daar met 44 Haagse dienders gaan de-escaleren.

‘Er had een ware veldslag plaatsgevonden tussen de krakers, die alles hadden gebarricadeerd en zelfs een tankgracht hadden gegraven, en de politie, die met tankdozers de boel had platgegooid. In de binnenstad zagen we ME-pelotons compleet met paarden en waterwerpers. Er was een groot wederzijds wantrouwen tussen de politie en woedende studenten die zich verzetten tegen de woningnood in die tijd.

Platte-pettenpeloton

‘Ik meldde me op het hoofdbureau en zei: ‘Goeiemiddag, ik ben de commandant van het platte-pettenpeloton, ik kom jullie helpen.’ Maar het beleidscentrum zat in zo’n tunnel van geweld dat ze meenden dat er voor ons, gewone geüniformeerden, geen werk was. Ik antwoordde: ‘Ik ben niet uit Den Haag gekomen om hier niks te doen.’

‘Wij moesten dan maar gaan surveilleren in de binnenstad. Ik had een portofoonverbinding met mijn twee sectiecommandanten en een lijntje naar het commandocentrum op het hoofdbureau. Ik gaf mijn mensen de opdracht: maak contact, ga met iedereen in gesprek. Winkeliers waren blij om weer eens met gewone politie te praten, zonder helmen en schilden.

‘’s Avonds ontstond er een grote groep boze studenten. Eerst tientallen, maar het werden er honderden en uiteindelijk groeide de groep tot zo’n vierduizend mensen. Haagse dienders zijn gewend om te communiceren met demonstranten, dus wij gingen met ze in gesprek: wat gaan jullie doen? Je hebt al snel door wie de leiders zijn. Die zeiden: ‘Wij willen demonstreren.’

Harmonieuze sfeer

‘Ik meldde aan het beleidscentrum dat demonstranten spontaan door de stad gingen lopen, en zei tegen hun leider: ‘We lopen met jullie mee.’ Omdat wij hun gedrag gedoogden, werden we getolereerd. De sfeer was harmonieus.

‘Ik heb ooit in Nijmegen stage gelopen en kende de stad dus goed, dus ik kon steeds aan het hoofdbureau doorgeven welke kant de stoet opging: ‘We gaan nu rechtsaf, we gaan links, we lopen nu richting Oranjesingel.’ Iedereen kon op z’n klompen aanvoelen dat ze naar de Piersonstraat wilden, het centrum van alle ellende.

‘Daar stond de ME de doorgang te blokkeren. De demonstranten werden meteen onrustig: ze gingen joelen en schreeuwen. Dus ik zei tegen het commandocentrum: ‘Haal die ME’ers uit het zicht.’ Ik heb later gehoord dat ze me op het hoofdbureau vervloekten, want mijn aanpak stond haaks op die van hen, maar wonder boven wonder trokken de ME’ers zich terug.

Kat-en-muisspel

‘Later, toen we al ruim twee uur door de binnenstad liepen en vlak bij de Piersonstraat waren, stond daar weer ME zodanig opgesteld dat we echt niet verder konden. Wij hadden een politievoertuig met een megafoon. Ik sprak de meute door de megafoon toe: ‘Jongens, dit gaat ’m niet worden. Of we stoppen, of we lopen eromheen.’ Daarna sprak de demonstrantenleider zijn club toe. Vervolgens werd de demonstratie voortgezet en namen we de volgende afslag. Er ontstond een kat-en-muisspel in het omzeilen van de ME.

‘Een politiehelikopter meldde dat demonstranten op de Daalseweg een barricade opwierpen. Ik stuurde daar een van mijn groepscommandanten naartoe, die mij kort daarna berichtte: ‘We zijn samen met de demonstranten die barricade aan het opruimen.’ Ik gaf dat door aan het beleid, en heb nog nooit zo’n lange stilte aan de andere kant gehoord.

‘Vervolgens trok de stoet richting stadhuis en het hoofdbureau. Dat wilde het beleidscentrum koste wat kost voorkomen, maar ik vertrouwde er inmiddels wel op dat die studenten de boel niet zouden afbreken. Dat waren eigenlijk heel redelijke mensen. Ik begreep hun kritiek; er wás in die tijd ook enorme woningnood. Ik zei tegen het beleid: ‘Láát ze. Vertrouw me.’

Zakjes verf

‘Ik kreeg toestemming om langs het stadhuis te lopen. Er werden wat zakjes verf gegooid, maar die gingen niet kapot. Na middernacht was iedereen moe, de boosheid was gezakt en de groep demonstranten loste vanzelf op.

‘De volgende dag vroeg het commandocentrum me terug om de officiële demonstratie te begeleiden, dus kennelijk waren ze toch tevreden. Die dag beleefde ik mijn finest politiemoment: er was weer een confrontatie met de ME. Demonstranten haalden stenen uit de straat om mee te gooien. Toen ben ik tussen beide groepen gesprongen, hief mijn armen en riep: ‘Jongens, niet gooien!’ Ik draaide me om en gebaarde naar de ME: rustig, doe even niks. En zowaar, zij trokken zich terug en er vloog niks door de lucht.

‘Ons optreden leert dat communiceren veel ellende kan voorkomen. Ga én blijf in gesprek. De ME werkt soms als een rode lap op een stier. Als je geen vijandige houding aanneemt maar juist empathisch bent tegenover demonstranten, maakt dat een wereld van verschil.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next