Pleun Briggeman is 100 jaar. Hoe kijkt deze drukbezette ex-tuinder terug op de eeuw die achter hem ligt?
Het is even zoeken naar de bel van de 100-jarige Pleun Briggeman. Die blijkt ingeklemd tussen tientallen zelfgemaakte schilderijen die de buitenmuur van zijn appartement kleuren. Gezichten schilderen is duidelijk een kunst, vogels gaan hem beter af. ‘Gelaatsuitdrukkingen zijn lastig, ik blijf het proberen’, klinkt het gedreven, eenmaal binnen voor zijn schildersezel, waar de eeuweling de laatste hand legt aan een man met grijze baard.
Valt er veel van een mens af, zodra hij zo’n hoge leeftijd heeft bereikt?
‘Als kind zongen wij op school De boom, de boom, wordt hoe langer hoe dikker. Hand in hand liepen we om elkaar heen. Nou, mijn boom wordt steeds dunner, er is bijna niemand meer van vroeger. Wat bedoel je eigenlijk met deze vraag?’
Ik bedoel of het leven lichter is zonder de prestatiedruk en verantwoordelijkheid van het werkende en zorgende bestaan.
‘Nee hoor, ik heb het nog steeds hartstikke druk! Ik ben of aan het schilderen of aan het schrijven. Op de computer schrijf ik een boek over de geschiedenis van Rockanje vanaf de IJstijd, ik heb al 132 pagina’s. De informatie haal ik van internet. En ik schrijf elke maand het informatiekrantje van dit woonzorgcentrum vol. Ik ga naar alle activiteiten en maak er een verslagje van, verzamel de laatste nieuwtjes en maak een overzicht van wat er de komende maand te doen is. Ik ben de hoofdredacteur, verslaggever, fotograaf, eindredacteur, vormgever en bezorger. Elke maand tweehonderd stuks.
‘Op mijn 65ste stopte ik met onze tuinderij en ging met pensioen. Mijn vrouw Annie gaf mij een goed advies: ga vrijwilligerswerk doen. Ik werd lid van de cliëntenraad voor een verzorgingshuis hier in Rockanje en begon met schrijven. Het schilderen kwam daar rond mijn 75ste bij. Bij mooi weer ga ik eropuit met de scootmobiel, met twee kennissen. Onze actieradius is 35 kilometer. Ik heb altijd een sleeptouw bij me, het is al drie keer gebeurd dat een van de scootmobiels onderweg een lege accu had en ik die naar huis moest slepen. Doordat ik zo druk ben, vliegt de tijd. Alleen de avonden duren lang, dan mis ik mijn maatje, Annie, hier naast mij in de stoel.’
Wanneer kwam Annie in uw leven?
‘4 was ze en ik 7 toen we elkaar op een bruiloft voor het eerst zagen. We speelden met een Vliegende Hollander, een karretje met twee grote wielen achter en twee kleine voor dat je met je voeten bestuurt. Ik zat voorop, Annie achterop. Daarna zijn we elkaar nooit meer uit het oog verloren. Als het even kon, speelden we samen. Eigenlijk hadden we al vanaf toen verkering, ik heb haar nooit hoeven vragen. We trouwden in 1949 en hebben altijd samen in ons tuinbouwbedrijf gewerkt, dat ik dat jaar van mijn vader kon overnemen.
‘We begonnen met aalbessen, Victoriapruimen, appels en peren en breidden het bedrijf langzaam uit met bloemkool, tomaten, aardbeien en noem maar op, als we geld over hadden kochten we plat glas om onder te verbouwen. In de nacht van de Watersnoodramp in 1953 zijn Annie en ik uren bezig geweest om aarde op onze negenhonderd ramen platglas te scheppen, om te voorkomen dat ze zouden wegwaaien in de storm. We hadden nul schade.’
Herinnert u zich uw eerste schooldag?
‘Ik was een jongetje uit de polder. Mijn vader had een tuinbouwbedrijfje. We waren straatarm en woonden afgelegen in het buurtschap Stuifakker, zonder elektra, waterleiding en telefoon, dus afgesneden van de buitenwereld. Daar ben ik heel vrij opgegroeid. Ik was een achternakomertje; als mijn twee oudere broers en twee zussen op school zaten, moest ik mij alleen vermaken en liep vaak buiten rond.
‘Die eerste dag op de lagere school wist ik niet wat mij overkwam, wat een chaos en rumoer met al die kinderen! De schooldag begon altijd met een half uur verplicht stilzitten met de armen over elkaar, je mocht niet bewegen. Voor een jongetje dat zo’n vrij buitenleven was gewend, voelde de school als een gevangenis, als een aanslag op zijn leven.
‘De tweede dag wilde ik niet meer, maar mijn vader zei: ‘Je gaat! Lopen!’ Met zijn fiets ging hij achter mij aan. Die tweede dag kreeg ik van de juffrouw een klap op mijn handen met een liniaal, ik begreep niet waarom. Nooit ben ik vergeten dat ik in de derde klas naar buiten zat te staren, naar twee parende mussen. Ik moest 1,5 uur nablijven van de juf, op een lei moest ik met een griffel duizend keer schrijven: ‘Er zit een mus in de dakgoot.’ Zodra de lei vol was, telde ze het aantal strafregels en veegde de lei schoon zodat ik verder kon.’
Gedragingen van volwassenen kunnen voor kinderen een groot raadsel zijn.
‘Die hele lagere schooltijd heb ik het zwaar voor de kiezen gehad. Zeven jaar lang ben ik gepest. Vanaf de eerste dag zat ik in de klas tussen een jongetje met rood haar en scheve voortanden en een jongetje met een been dat korter was dan het andere – 12 centimeter scheelde het, hij had kinderverlamming gehad. Ze werden allebei gepest door drie jongens in de klas. Ik nam het voor ze op: ‘Hou op, rot op, laat ze met rust’, riep ik. Dat hielp niet, want daarna gingen ze mij ook pesten, elke dag. In de pauzes was het altijd raak: aan je jas trekken, uitschelden – ‘mankepoot’ riepen ze tegen de jongen met het korte been. Triest was het.
‘Al die zeven jaar heeft nooit één leerkracht ingegrepen, dat is toch niet te geloven. Je zult begrijpen dat ik een pesthekel had aan school, elke ochtend bij het opstaan dacht ik: straks begint het gedonder weer. Maar ik heb niet één keer gespijbeld.’
Wat hebben die pesterijen met u gedaan?
‘Toen ik van school af kwam, nam ik mij voor mij nooit meer in een hoek te laten drijven en voor niemand bang meer te zijn. Ik besloot voortaan van mij af te bijten. Een vechter ben ik niet, maar met woorden kan ik iedereen verslaan. Je kunt dus zeggen dat ik er sterk ben uitgekomen.’
Waaruit bleek uw assertiviteit?
‘Door die pesterijen had ik zo’n hekel aan school gekregen, dat ik niet verder wilde leren. Dus ging ik al jong aan het werk. Mijn eerste baantje was voor de slager op een transportfiets worst, ham en spek rondbrengen aan zijn klanten in Rockanje en Oostvoorne, ik moest de hele polder door. Na een hele week mij rot fietsen, kreeg ik maar 2,50 gulden loon. ‘Daar doe ik het niet voor’, zei ik tegen de slager. ‘Jij snotneus, wat wil je dan?’ vroeg hij. ‘4 gulden’, zei ik. ‘Dat had je nooit mogen zeggen’, zei mijn moeder toen ik haar dit thuis vertelde. Maar die 4 gulden kreeg ik. Na drie weken fietsen was ik het zat en ben ik een poosje bij een boer gaan werken, onkruid wieden met een schrepeltje.
‘Als lid van de cliëntenraad van het verzorgingshuis in Rockanje, na mijn pensioen, heb ik met een paar strijdmakkers jaren gestreden voor nieuwbouw. De directeur was dat niet van plan, terwijl de kamertjes van de ouderen maar 18 vierkante meter waren. Op elke smalle gang was één badkamer die zo’n dertig bewoners moesten delen; liepen de bejaarden in hun pyjama over de gang, en na het douchen met hun vuile onderbroek in de hand weer terug naar hun kamer. Ik stapte naar de wethouder en heb veel geduld moeten hebben, maar uiteindelijk kreeg ik mijn zin; dit mooie gebouw is er gekomen, en ik mocht als eerste een appartement uitkiezen. Ik koos natuurlijk het mooiste, op deze hoek, vier hoog, met zicht op de duinen.’
Hoe bent u de oorlogstijd doorgekomen?
‘Ik was 18 jaar en de oorlog was ruim twee jaar bezig, toen ik een oproep kreeg voor tewerkstelling in Duitsland. Ik werkte op het bedrijf van mijn vader en zat één dag per week op de middelbare tuinbouwschool. ‘Pleun, ik wil niet dat je naar Duitsland gaat’, zei mijn leraar scheikunde, die ook rijksconsulent van de provincie Zuid-Holland was. Hij schreef de Duitsers in een brief dat ik onmisbaar was voor de voedselvoorziening, en zette er een hoop stempels op – daar hielden die moffen van.
‘De avond voordat ik mij om 8 uur moest melden om naar Duitsland te worden vervoerd, werd er een telegram bezorgd. ‘Definitieve vrijstelling’ stond er op. Ik wist niet wat ‘definitieve’ betekende en ben meteen op de fiets naar de hoofdonderwijzer in het dorp gereden. ‘Jongen’, zei hij, ‘je bent ervan af.’ Ik moest wel in Nederland drie dagen in de week voor de moffen werken. Ik heb vrachten beton gemaakt om bunkers mee te bouwen bij ons in de duinen. Dat was voor de Atlantikwall, de verdedigingslinie van de Duitsers langs de westkust. Maar ik hoefde niet naar Duitsland, dus heb ik vreselijk veel geluk gehad. Mijn hele leven heb ik geluk gehad, behalve die schooljaren.’
Weet u hoe het de andere twee gepeste klasgenoten is vergaan?
‘Frans, de jongen met het manke pootje, is schoenmaker geworden hier in het dorp. Die met het rode haar is op het boerderijtje van zijn vader gaan werken. Die drie pestkoppen zijn niet ouder geworden dan 70 jaar. Dat ik ze dertig jaar heb overleefd, geeft een goed gevoel.’
geboren: 20 juli 1924 in Stuifakker
woont: zelfstandig, in Rockanje
beroep: tuinder
familie: twee kinderen, vier kleinkinderen, zes achterkleinkinderen
weduwnaar sinds 2017
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant