Cultuurhistoricus René van Stipriaan heeft weinig fiducie in een goede afloop voor onze democratie en welvaart. Hij schreef er het pamflet Afscheid van het oude Nederland – Kunnen we onze democratie nog redden? over. ‘Nee, ik denk dat we hier niet meer zonder kleerscheuren uit komen.’
is boekenredacteur bij de Volkskrant. Zij interviewt Nederlandse en internationale schrijvers over hun nieuwste werk.
In zijn ‘boekengrot’, zoals zijn 27-jarige dochter zijn studeerkamer ironisch noemt, werkte schrijver en cultuurhistoricus René van Stipriaan (Heerhugowaard, 1959) twintig jaar aan zijn biografie over Willem van Oranje. En met succes: in 2022 kreeg hij zowel de prestigieuze Biografieprijs als de Libris Geschiedenisprijs voor De zwijger – Het leven van Willem van Oranje toegekend.
Nu schreef Van Stipriaan in diezelfde grot in zes weken tijd een boek, of eerder een pamflet, over de huidige tijd. In Afscheid van het oude Nederland – Kunnen we onze democratie nog redden? schrijft hij over de oorzaken van de onverdraagzaamheid in de hedendaagse samenleving. Over populisme, propaganda, de verzorgingsstaat, digitalisering, het toeslagenstelsel, Rusland, Europa, China en de VS. De greep is groot, toch telt het boek wonderbaarlijk genoeg maar 184 pagina’s.
Van Stipriaan groeide op als jongste van drie kinderen in een vrijzinnig protestants gezin. Zijn vader was een volbloed ondernemer en had een eigen tuindersbedrijf. ‘Ik kom uit een typisch VVD-milieu’, zegt Van Stipriaan aan de ronde tafel in zijn woning in de Amsterdamse binnenstad, waar hij al sinds de jaren tachtig woont. Maar juist op de partij waarop zijn ouders stemden, is Van Stipriaan kritisch.
‘Door het vrij hard doorzetten van neoliberale praktijken zijn de rijken rijker geworden, de armen armer en heeft de partij een voedingsbodem gecreëerd voor het populisme. In het algemeen vraag je je af: zijn politici nog in staat om de prioriteiten in onze samenleving te zien en de langetermijnbelangen goed voor ogen te hebben?’
Wat moet er volgens u dan gebeuren?
‘We moeten in Nederland weer het debat aangaan over de zaken die ertoe doen. En dat heeft te maken met hoe we de Nederlandse overheid willen inrichten. Die werkt niet goed meer, is bedolven onder de regelingen en politiek gemotiveerde uitzonderingen. Kijk hoe het belastingstelsel als een janboel aan elkaar hangt. Mensen die er dicht op zitten, zoals Klaas Knot van De Nederlandsche Bank, constateren dat ook, maar intussen gebeurt er niets.
‘Maar het gaat ook om de manier waarop het politieke debat wordt gevoerd. Dat het nu al zo lang eenzijdig over met name asielzoekers gaat. Ja, het is een belangrijk onderwerp, maar het zou niet alle andere onderwerpen moeten domineren.’
U stelt dat daar ook een belangrijke taak bij journalisten ligt.
‘We trekken politici vooral voor de camera om snel op de actualiteit te reageren. En anders is het vaak op het niveau van nietszeggende human interest, waarbij iedereen maar praat en kletst over alle denkbare onderwerpen en gevoelens. Een politicus moet passie en emotie tonen. ‘O, wat is dat mooi!’, roepen we dan. Maar in het politieke bedrijf draait het om het maken van moeilijke afwegingen. Volg zo’n bestuurder. Maak de afwegingen inzichtelijk. Ook om te controleren wanneer die bestuurder ontspoort.’
U legt veel van wat er misgaat in de samenleving bij de politiek. Maar in hoeverre ligt het aan de geïndividualiseerde samenleving zelf?
‘Ik schrijf in mijn boekje over de individualisering als gevolg van de ontzuiling. Tijdens de verzuiling hoorde iedereen, ongeacht sociale klasse, bij een bepaalde maatschappelijke familie. Die maatschappelijke familie zorgde voor sociale vangnetten. Je moest die sociale familie te vriend houden om op langere termijn ervan verzekerd te zijn dat je in leven kon blijven. Of dat nu je familie, kerkgenootschap of vakbond was.
‘De introductie van het sociale stelsel waarmee de overheid de vangnetten voor haar rekening nam, heeft een einde gemaakt aan het belang van het sociale weefsel van de zuilen. Daar hebben we allemaal bij staan applaudisseren. Maar we zien nu dat met de opkomst van het individu er geen nieuw weefsel is ontstaan. We kunnen wel zeggen: we zijn allemaal burger van de politieke entiteit Nederland, maar wie voelt daar nou wat bij?
‘Sinds de jaren 2000 is sprake van een sluipende verarming van de middengroepen. Afgestudeerden met een goede baan die geen huis meer kunnen vinden, zoals mijn dochter. Met al haar leeftijdgenoten op jacht naar die paar vrije woningen. Ze voelen zich benadeeld en verarmd. Je denkt, hoe kan dat nou in dit rijke land? Dat type sentimenten is het gaan overnemen, waardoor de individualisering zo langzamerhand een soort maatschappelijke vereenzaming is geworden.’
U schreef voorheen over historische onderwerpen. Waarom nu een boek over deze tijd?
‘De afgelopen jaren heb ik zitten kijken naar wat er allemaal gebeurt in Nederland, Europa, de VS. Het gaat er nogal heftig aan toe. Ik begon te zien dat bewegingen die weinig met elkaar te maken lijken te hebben, zoals de opkomst van het populisme en het doordringen van digitalisering in ons dagelijks leven, schouder aan schouder naar eenzelfde punt toewerken: de ontwrichting van onze oude, behaaglijke welvaart en democratie. Ik dacht: als ik dat nu al een tijdje zie aankomen, dan moet ik er ook eens over schrijven.
‘Het is uiteraard riskant om als toeschouwer in mijn eigen tijd allerlei lijntjes te trekken, want je weet nooit helemaal zeker of je precies de goede lijn te pakken hebt. Maar je moet ook wel wat durven in je leven. En ik denk dat we op dit ogenblik behoefte hebben aan inzicht en discussie over hoe het zo gekomen is. Ik hoop dat mijn boekje kan bijdragen om dat in gang te zetten.’
U vreest ontwrichting van de democratie?
‘Ja, ik vond 2024 een van de heftigste jaren van de afgelopen decennia. De man in het Kremlin heeft minstens driehonderd dagen de champagne kunnen opentrekken. Maar daarnaast zijn er zoveel democratieën in het ongerede. De Verenigde Staten, maar ook Engeland, Duitsland en Frankrijk. Ze zijn er allemaal niet heel erg goed aan toe.
‘Of ze zijn in crisis, of ze worstelen heftig met de opkomst van het populisme, dat bezig is om democratieën onklaar te maken. Dat zullen we straks in de Verenigde Staten op volle kracht gaan meemaken. Je zag meteen na de uitverkiezing van Trump de stofwolk van een orkaan in de verte al aankomen. Dat zal ook geopolitieke gevolgen voor Europa hebben.
‘Nee, ik denk dat we hier niet meer zonder kleerscheuren uit komen. Ik zie, en dat is ook de strekking van mijn boekje, geen terugkeer meer naar de oude verhoudingen.’
Bent u het vertrouwen in de politiek helemaal kwijt?
‘Nee, het feit dat ik dit boek heb geschreven, bewijst dat ik vertrouwen heb in de politiek als zodanig. Mensen die het vertrouwen in de politiek kwijt zijn, die zeggen: geef mij een sterke man en die gaat het voor mij oplossen. Zo zit ik er niet in.
‘Maar we kunnen dit op Nederlandse schaal niet meer rondbreien. We zullen ons gewicht tegen Europa moeten aangooien, in de hoop dat we nog in staat zijn om te midden van het geopolitieke geweld zelfbewustzijn te ontwikkelen en sterker te worden dan we nu zijn. Waarom slagen we er als EU, rijk als we zijn, maar niet in om geopolitieke macht te ontwikkelen? We zullen dat snel moeten doen, willen we nog meespelen in het tweede en derde kwartaal van de 21ste eeuw.’
In uw bekroonde biografie over Willem van Oranje schrijft u ook over een samenleving die razendsnel verandert.
‘Ja, in De zwijger beschrijf ik een periode in de 16de eeuw waarin de samenleving een enorme transitie doormaakte. Het oude feodale Nederland, pak ’m beet het gebied tussen Duinkerken en Delfzijl, ging een snelle ontwikkeling tegemoet. Het land brak om te beginnen in tweeën: in het noorden ontstond een rijke en calvinistische koopmansrepubliek, het zuiden bleef katholiek onder de Habsburgers.
‘Intussen veranderde ook de feodaliteit. De mannen die het een tijdlang meenden voor het zeggen te moeten krijgen, zoals de graven van Egmond, Horne en ook de prins van Oranje begonnen weliswaar een opstand tegen de Spaanse landsheer, maar ze kwamen daaruit bepaald niet als triomfator tevoorschijn.
‘Het was uiteindelijk de koopmansklasse in grote Hollandse en Zeeuwse steden als Amsterdam en Middelburg die boven kwam drijven als de de sterke, machtige nieuwe partij. En zij introduceerden ook nog eens een nieuwe politieke bestuursvorm, namelijk een republiek.
‘Het was een ingrijpende transitie en dit voltrok zich in ruwweg dertig jaar, tussen 1570 en 1600. Het was een totaal andere uitkomst dan verwacht. Niemand had in 1568 kunnen voorspellen dat Amsterdam de grote handelsstad zou worden die het uiteindelijk is geworden.’
Ziet u parallellen tussen de 16de eeuw en nu?
‘Ja, maar je moet voorkomen dat je die parallellen verabsoluteert. Want er zijn overeenkomsten, maar er zijn natuurlijk ook grote verschillen. Ik zie nu, net als in de 16de eeuw, een samenleving die in een staat van ontreddering raakt. De oude politiek lijkt niet meer te werken, en is ook niet in staat een antwoord te bedenken op de opkomst van extreemrechts.
‘In de 16de eeuw kwam er een grote volksbeweging op, het protestantisme onder aanvoering van Maarten Luther. En daarna kwamen de dopers en de calvinisten. Zij wilden allemaal een ander religieus model. Aangezien religie was verweven met alle domeinen van de samenleving, raakte dat al snel de politiek. En toen werd het ingewikkeld en onrustig. Veel oorlog, veel opstanden.
‘Een interessante parallel is dat nieuwe communicatievormen – toen pamfletten, in onze tijd zijn dat sociale media – een specifieke rol opeisten. Het leidde ertoe dat het oude speelveld met al zijn checks and balances totaal uit evenwicht raakte. Zoiets gebeurt nu ook.’
Hoe ging dat in de 16de eeuw in zijn werk?
‘Het werd een wapen om pamfletten – korte, heftige boodschappen – onder specifieke doelgroepen te verspreiden. In eerste instantie deden protestanten dat. Luther was een begenadigd pamflettist. Hij zorgde voor een onophoudelijke stroom van gedrukt materiaal naar alle uithoeken van het Duitse Rijk.
‘Later, toen Willem van Oranje het aan de stok kreeg met Filips II, greep ook hij naar het wapen van pamfletten. Van Oranje heeft waarschijnlijk goed afgekeken hoe gunstig dat voor Luther uitpakte. Hij zag dat hier vooral calvinisten met succes hun zaak bepleitten met liedjes, met korte pamfletten, met prenten, met allerlei vormen van beïnvloeding van de publieke opinie.
‘Willem van Oranje zette vervolgens een heel leger propagandisten aan het werk. En hij liet heel behendig een verhaal in omloop brengen waarin zijn belang perfect samenviel met dat van de vervolgde protestanten en ook met dat van de kooplieden die vonden dat ze te veel belasting moesten betalen.
‘Dat hele trucje werd door de andere partij slecht begrepen. Lang keken de zetbazen van Filips II, die hier in de Nederlanden de boel rustig moesten zien te houden, met verbijstering naar dat wapen van die pamfletten, zij dachten: wat is dit voor vuiligheid? Waarom gebruikt iemand zo’n laag-bij-de-gronds middel als het gedrukte pamflet, waar allemaal leugens in staan?
‘Nou, daar gebeurde iets in de 16de eeuw dat we de afgelopen twintig jaar met het doordringen van sociale media opnieuw zien gebeuren in onze samenlevingen. Dat de gevestigde orde zich geen raad weet met een nieuw medium, in dit geval sociale media. Ze zijn ze wel gaan gebruiken, maar ze zijn bij wijze van spreken te redelijk en te weloverwogen om ze goed in te zetten.
‘Je moet prikkelen, uitdagen en daar horen geen enerzijds-anderzijdsbetogen bij. Zulke dingen begrijpen figuren als Trump, Wilders en Musk goed. Maar het lukt de gevestigde orde niet om daar een antwoord op te bedenken.
‘In de 16de eeuw was het onvermijdelijk dat de gevestigde orde, de Spanjaarden, zich moest hergroeperen om meer balans in de verhouding te brengen en om iets tegenover de straatvechtende en onder de gordel mikkende Van Oranje te stellen. Dus zij ging ook insinuerende pamfletten maken. Pas in de 17de en 18de eeuw kwamen er meer onafhankelijke media, zoals kranten en weekbladen, die het debat gingen verslaan.’
‘We zitten nu met de sociale media in omstandigheden dat we ook wachten op een vervolg, waardoor er weer checks and balances ontstaan. Het is de vraag of we dat stadium überhaupt bereiken, met de nieuwe techoligarchen Jeff Bezos, Mark Zuckerberg en Elon Musk lijkt het die kant niet op te gaan, maar ik denk wel dat we er met z’n allen behoefte aan hebben.’
Toch stelt het mij wel weer gerust dat er in de 16de eeuw ook al nepnieuws, propaganda en een waarheidscrisis was. Dat we het in zekere zin al eerder hebben meegemaakt. Geldt dat ook voor u?
‘Misschien een klein beetje.’
U schrijft in Afscheid van het oude Nederland dat in perioden in de geschiedenis waarin mensen het niet eens konden worden over de meest basale feiten, ‘telkens de taal zelf in beeld komt als boosdoener en tegelijk tegelijkertijd als redder’. Wat bedoelt u daarmee?
‘Je ziet in revolutionaire tijden dat de taal in stelling wordt gebracht, dat begrippen worden omgevormd en dat de types die het stelsel willen ondergraven op allerlei manieren met de taal aan de haal gaan, soms door heel nieuwe woorden te verzinnen om de oude maar te doen verdwijnen.
‘Dat gebeurde in de Franse Revolutie volop. Toen werden zelfs de weekdagen en de maanden anders genoemd, om maar van het christendom af te komen: een week kreeg tien dagen, de eerste dag werd ‘primidi’, februari werd ‘ventôse’ enzovoort.
‘En je ziet het nu weer. Bijvoorbeeld de uitdrukking ‘politiek correct’. Dat werd een scheldwoord. Net als het woord ‘gutmensch’. Opeens wordt democratische gezindheid dus in de taal verdacht gemaakt. Je denkt eerst: hoe is dat mogelijk, dat gaat wel weer voorbij. Maar het gaat helemaal niet voorbij.’
De Schotse schrijver Ali Smith stelt in haar nieuwe maatschappijkritische roman Gliff dat de taal zo beschadigd is door leugens, dat ze geen betekenis meer heeft. Ziet u het ook zo somber?
‘Nee, daar ben ik het niet mee eens, daarmee geef je de partijen die met de taal aan de haal gaan te veel macht. Ik vind dat je stand moet houden. Je moet je de taal niet laten ontfutselen. We hebben de taak om de waarheid boven tafel te brengen. Om de taal daarvoor op een goede manier te gebruiken. Om scherpe vragen te stellen, de juiste twijfel te uiten. En als wij zeggen dat die taal totaal is vernacheld door de tegenpartij, dan strijken we de vlag, dan geven we ons over. Wij moeten door. Nooit opgeven.’
In hoeverre heeft u het idee dat dat lukt?
‘Toen ik met m’n boekje bezig was, kreeg ik regelmatig de vraag: je eindigt toch wel hoopvol, hè? Maar ik dacht steeds vaker: maar waar zit de hoop nou precies?
‘Zo las ik het boek Opstand van Marijn Kruk over het Europees populisme. Fantastisch boek, goed gedocumenteerd, maar het eindigt met gen Z, in de koffietentjes van Boedapest. Dat daar alle hoop vandaan komt, want daar heerst zo veel vernieuwingsdrang en democratische gezindheid. Dat geloof ik niet, daarvoor is te veel tegelijk aan de hand. Vanuit een koffiezaakje naar buiten turen zal niet voldoende zijn.
‘Nee, we moeten de partijen die dicht bij het vuur zitten aanspreken op hun verantwoordelijkheid om nu een aantal stappen te nemen om niet alleen Nederland, maar heel Europa in een ander vaarwater te brengen, waardoor we weer kracht, macht en optimisme ontwikkelen in een stelsel dat democratie en vrijheid vooropstelt.’
En wie zijn dan de partijen die aangesproken moeten worden?
‘Dat zijn dan toch de klassieke middenpartijen VVD, PvdA, CDA en D66.’
Maar u schrijft juist dat die partijen het de afgelopen decennia hebben laten lopen.
‘Ja dat is zo. Dit boek is, zoals ik ook schrijf, bedoeld om de redelijke en optimistische mensen die menen dat het vanzelf wel weer goed komt, wakker te maken. We hebben te lang gedacht dat het een griepje is dat we moeten uitzweten en dan gaan we weer verder. Maar zo is het niet. Het komt niet vanzelf goed.’
René van Stipriaan: Afscheid van het oude Nederland – Kunnen we onze democratie nog redden? Querido; 184 pagina’s; € 17,50.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant