Als boerenzoon uit het Limburgse Veulen lag een toekomst in de landbouw voor de hand. Maar Fons Janssen (29) is geen ‘maïsjongen’, hij houdt er juist van om maatschappelijke vraagstukken aan te pakken en anderen daarbij te betrekken.
schrijft voor de Volkskrant over zingeving.
Zijn enthousiasme over Europa voert hij terug op een reis door de Verenigde Staten. Als 19-jarige student uit Wageningen mag hij zes weken lang in gezelschap van Europese leeftijdgenoten de Amerikaanse aanpak van het klimaatprobleem bestuderen. Onder de indruk is hij niet: ‘Amerikanen denken vooral in directe oplossingen, in Europa kijken we verder vooruit.’
Bovendien prijst hij zich gelukkig met de sociale vangnetten in Europa, ‘waardoor we niet zoveel daklozen hebben als in de VS’ en leert hij van de reis ‘meer gemeen te hebben met een Belg of een Duitser dan met de gemiddelde Amerikaan. Ik ben de Europese Unie gaan zien als een mooie, vriendelijke en zeer diverse familie.’
In deze serie interviewt Fokke Obbema mensen die hun leven aan een ideaal wijden.
Dat Fons Janssen, inmiddels 29 jaar, als eerstejaars biotechnologiestudent voor de Amerikaanse reis in aanmerking kwam, voert hij terug op zijn achtergrond: hij is afkomstig van het Noord-Limburgse platteland en behoort tot een familie zonder universitaire achtergrond. Als oudste zoon van een gezin met nog drie kinderen brengt hij zijn jeugd door in Veulen, waar zijn vader kippen- en schapenboer is; zijn moeder runt op de boerderij een dagbesteding voor senioren. Het dorp telt slechts vijfhonderd inwoners: ‘In mijn jeugd heb ik mijn vriendengroep niet uitgekozen. Ik trok simpelweg op met alle leeftijdgenoten die er waren.’ Anders dan ‘de maïsjongens’ die van crossen houden en niets anders dan een toekomst als boer zien, behoort Fons tot de ‘zachte jongens, die ook nog wel eens diepere gesprekken wilden voeren’.
Zijn keuze voor Wageningen creëert afstand tot zijn vriendengroep (‘Van Fons uit Veulen werd ik Fons de student’), maar inmiddels is hij weer op Limburgse bodem teruggekeerd. Tijdens zijn studie neemt niet alleen zijn kennis van biotechnologie toe, maar ook zijn politieke bewustzijn. Als voorzitter van een studentenvakbond die hij mede opricht, komt hij op voor de belangen van studenten: ‘We verweten het universiteitsbestuur dat ze van Wageningen een diplomafabriek maakten, zonder visie op wat studeren in hoort te houden.’
Inmiddels spant hij zich vanuit Heerlen in om Limburgse jongeren te betrekken bij maatschappelijke vraagstukken, wat hij als ‘bepaald niet eenvoudig’ omschrijft: ‘Mijn grootste tegenstander is de apathie.’ Voor Parkstad Limburg, een samenwerkingsverband van zeven gemeenten, probeert hij zoveel mogelijk zonnepanelen op daken te krijgen: ‘Dat lukt wel, maar nieuwe zonne- en windprojecten op land lukken helaas niet. Dat zit muurvast door de landbouw en de natuurbescherming.’ Toch blijft hij optimistisch: ‘De energietransitie gaat hoe dan ook plaatsvinden, van dat pad gaan we niet meer af.’
Waarom bent u weer teruggekeerd naar Limburg? U had ook in de Randstad of in Brussel kunnen gaan werken.
‘Ik denk hier een groter verschil te kunnen maken. In Limburg lopen we het meest van alle provincies achter met hernieuwbare energie. De afstand van jongeren tot de politiek is er erg groot. Niet alleen van jongeren trouwens: net als Friezen identificeren Limburgers zich meer met hun regionale identiteit dan met hun nationale. Den Haag wordt als ver weg ervaren. Dat gevoel van afstand zie ik terug bij Limburgse jongerenorganisaties die maar matig verbonden zijn met het nationale niveau – op dat vlak zie ik mezelf als bruggenbouwer. Met mijn keuze voor Limburg heb ik het mezelf lastig gemaakt, maar ik denk dat ik juist hier van betekenis kan zijn.’
Als u naar uw vriendengroep van twintigers uit Veulen kijkt, hoe kan de politiek hen aanspreken?
‘De overheid wordt in mijn dorp vooral als een last gezien, niet als een steun. Als je iets wilt organiseren, heb je een vergunning nodig, dat wordt direct als een probleem ervaren. Het overheersende beeld van de politiek is dat politici mensen zijn die vooral veel praten, terwijl burgers concreet aan de slag willen. Jongeren in mijn dorp zien politici niet als hun vertegenwoordigers, zoals boeren dat bijvoorbeeld wel zien in hun landbouwvertegenwoordigers. Idealiter zou politiek veel meer moeten zijn dan belangenvertegenwoordiging – mensen zouden de democratie moeten ervaren als de beste manier om in dialoog maatschappelijke problemen op te lossen. De overheid zou als een bondgenoot moeten worden gezien.
‘Maar wat ik nu merk is dat mensen zich nauwelijks onderdeel van de democratie voelen, ze hebben er geen beeld bij wat de overheid voor hen kan betekenen. Door die afstand komen ze los te staan van de democratie en worden ze gevoelig voor een anti-overheidsentiment. De alternatieve media, zoals bepaalde groepen op Telegram of YouTube, spelen daar extreem efficiënt op in. We hebben hier relatief veel mensen die erover denken het gezag van de overheid helemaal niet meer te erkennen, de zogeheten soevereinen, dat is een groot probleem.’
Hoe valt het belang van overheid en democratie duidelijk te maken?
‘Het is vooral belangrijk niet te prediken, maar te luisteren en te vragen waar mensen tegenaan lopen. Je kunt als politicus wel met allerlei oplossingen aankomen, maar daar heb je weinig aan als burgers met heel andere problemen zitten. De meeste politici hebben echt wel het beste met de maatschappij voor, maar burgers ervaren dat niet wanneer ze naar het theaterspel van de politiek kijken. Dan zien ze vooral geruzie en problemen die als een hete aardappel vooruit worden geschoven.’
Kunt u een concreet voorbeeld geven?
‘Neem immigratie. We hebben in ons dorp nu al Nederlanders met een rugzakje die in sociale huurwoningen zitten en die maar heel moeilijk in het dorp integreren. Veel mensen maken zich er grote zorgen over dat er dan ook nog buitenlanders bij zouden komen. Tegelijkertijd beseft iedereen dat we arbeidstekorten in de landbouw hebben en dat er mensen van buiten nodig zijn om onze groenten te telen. De politiek zou volgens mij moeten voorstellen dat we met kleine aantallen buitenlanders beginnen. Die moeten dan de taal leren en er moet een sociaal beleid komen, waardoor ze volwaardig deel van de lokale samenleving kunnen uitmaken.
‘Wonen is voor mijn vriendengroep een van de grootste opgaven – er zijn veel te weinig huizen. Daar kun je als overheid volgens mij wat aan doen door druk te zetten op de bouwsector. Die is erg conservatief. Stimuleer als overheid het modulaire bouwen met prefab-bouwblokken; dat is goedkoper, efficiënter en duurzamer. Laat bouwbedrijven uit Düsseldorf en Aken meer toe om in Limburg met de huizenbouw te helpen. Dan pak je de wooncrisis echt aan.
‘De overheidsinvesteringen in woningbouw zouden niet alleen naar de Randstad, maar ook veel meer naar de grensregio’s moeten gaan. Die worden te snel vergeten. In Zuid-Limburg kun je als overheid op het vlak van duurzaamheid een grote slag slaan door de oude mijnhuisjes aan te pakken. Die zijn wel mooi gebouwd, maar qua energieverbruik rampzalig – vroeger werd alleen de woonkamer verwarmd, inmiddels het hele huis, maar zonder dat de woningen goed zijn geïsoleerd. Dat aanpakken zou echt zoden aan de dijk zetten.’
Maar hoe krijg je burgers warm voor de energietransitie?
‘Dan moet je op de eerste plaats begrip hebben voor wat Limburgers hebben ervaren bij de vorige transitie, die van kolen op gas. Vooral in Zuid-Limburg hebben ze een slechte herinnering aan de sluiting van de mijnen, toen er veel banen verdwenen. De regering zorgde wel voor nieuwe, maar dat waren kantoorbanen, waar mensen die nauwelijks konden lezen en schrijven niets aan hadden. Dat werkt bij volgende generaties nog altijd door. Wil je de scepsis doorbreken, dan moet je naast de energietransitie aan een sociale transitie werken, anders krijg je mensen niet mee.
‘Zeker in Zuid-Limburg is het draagvlak voor hernieuwbare energie klein en ontbreekt het besef hoe groot de opgave op dat vlak is. Iedereen denkt dat er oneindig lang betaalbare stroom uit de stopcontacten blijft komen. Maar we zullen dan wel radicaal meer hernieuwbare energie moeten opwekken én tegelijkertijd veel energie moeten besparen. We zijn nu afhankelijk van Noors gas en Amerikaanse LNG. Stijgen de prijzen daarvan dan wordt de energierekening torenhoog.
‘Dat kun je voorkomen door veel meer zelf op te wekken, via zon en wind, dan verminder je je eigen afhankelijkheid van het buitenland. Maar in de provinciale politiek ontbreekt dat besef. De belangen van boeren en toeristen staan voorop – ons vijfsterrenlandschap mag niet een viersterrenlandschap worden door boerenland of de natuur met windmolens of zonneparken aan te tasten, dat is de heersende mening. Maar je kunt niet alles van panelen op daken verwachten, dat kan nog niet eens een vijfde van onze behoefte dekken.’
Kunnen extreem weer-incidenten niet helpen de noodzaak van hernieuwbare energie in te zien?
‘We hebben in de zomer van 2021 de overstroming van Valkenburg meegemaakt en door droogte is de Peel twee keer afgebrand. Akkerboeren hebben zware jaren meegemaakt, ook door de droogte. Maar het vreemde is dat mensen de link met klimaatverandering niet of nauwelijks leggen. In Valkenburg ondervonden veel mensen waterschade. Die waren vervolgens vooral bezig met de vraag: word ik wel gecompenseerd?
‘Ik begrijp wel dat je op zo’n moment niet geïnteresseerd bent in onze verslaving aan fossiele brandstoffen, maar het is wel erg jammer dat die link niet wordt gelegd. Dat soort rampen heeft helaas nog niet geleid tot het gevoel: we staan voor een gezamenlijke uitdaging.
‘Bij nogal wat mensen is er eerder weerstand tegen de ‘groene gekte’, het gevoel dat de overheid tot achter de voordeur komt. Ik begrijp die reactie ergens wel. Wanneer verandering nodig is en de overheid die tot stand wil brengen, is de primaire reactie er een van verzet, van willen behouden hoe het is. Voor dat conservatieve perspectief moet ruimte zijn, maar dat moet er ook komen voor progressief denken dat meer naar de lange termijn kijkt. De polarisatie die je nu tussen die perspectieven ziet, hoeft er niet te zijn. Ze zijn allebei waardevol, het zou winst zijn als beide kampen dat in een dialoog erkennen.’
Wat maakt dat u zo optimistisch blijft, welke lichtpuntjes ziet u?
‘Wat mij enorm motiveert is dat ik veel mensen van mijn generatie maatschappelijk hyperactief bezig zie met een groene toekomst. Die realiseren zich dat de transitie tussen nu en 2040 moet gebeuren. Die urgentie voel ik ook, het gezamenlijk optrekken motiveert mij enorm.
‘We zijn voorbij de fase van het stellen van doelen, we zijn nu bezig daadwerkelijk stappen te zetten. Dat vind ik positief en constructief. Er is op dit vlak gelukkig al zoveel in gang gezet, zowel lokaal, nationaal als Europees, dat ik ervan overtuigd ben dat het hoe dan ook gaat plaatsvinden.
‘De vraag is vooral: hóé gaan we het doen en in welk tempo? Wat mij verder motiveert: liefde voor de gemeenschap. Mijn identiteit is gevormd door de keuzen die ik zelf in mijn leven heb gemaakt, maar ik ben me er ook van bewust dat mijn leven is gevormd door mijn fysieke omgeving en door toedoen van anderen. Komend vanuit Veulen besef ik dat ik een geweldige kans heb gekregen toen ik mocht studeren en zoveel kennis kon opdoen. Dan vind ik het niet meer dan normaal dat ik mijn best doe ook weer aan de maatschappij terug te geven.’
Boektip: Voor ieder wat waars – Rob Wijnberg
‘Je zou willen dat onze almaar toenemende wetenschappelijke feitenkennis ertoe leidt dat we ook steeds meer bij een collectief gedeelde waarheidsbeleving uitkomen. Rob Wijnberg, oprichter van de Correspondent, legt in dit boek helder uit waarom dat door toedoen van (sociale) media niet het geval is. Een waardevol en verrijkend boek.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant