Home

Waarom de erkenning van Auschwitz zo lang duurde in Nederland

Na een jaar waarin de Joodse inwoners van onze trots-linkse hoofdstad meermalen de stuipen op het lijf werden gejaagd – in maart bij de opening van het Holocaustmuseum; in mei, toen studenten op het door hen bezette Binnengasthuisterrein een warm welkom boden aan de terreurgroep Samidoun; in november bij de Jodenjacht rond de voetbalwedstrijd Ajax-Maccabi (en dat alles in de stad waar Joodse instellingen al decennia lang zwaar worden beveiligd en Joodse mannen niet veilig een keppeltje kunnen dragen) – na dat jaar was het een gepast en zelfs noodzakelijk gebaar dat het koningspaar en de kroonprinses in Polen de herdenking bijwoonden van de 80ste verjaardag van de bevrijding van het vernietigingskamp Auschwitz.

De eerste keer dat het Koninklijk Huis de plaats bezocht die de moord op 102 duizend landgenoten symboliseert was in 1995. Koningin Beatrix en prins Claus woonden toen de 50ste herdenking bij. Dat lijkt laat, rijkelijk laat, en dat was het ook, maar die traagheid gold niet alleen voor onze royalty. Het is inmiddels slecht voorstelbaar, maar dat Auschwitz wordt herdacht sprak lange tijd niet vanzelf.

Over de auteur
Jolande Withuis is socioloog en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

In de nationale beleving wogen de eerste jaren bezetting, honger, verwoesting, het verlies van vrijheden en de duizenden verzetsdoden zwaarder dan de uitroeiing van het Joodse deel van de bevolking. Joodse overlevenden zelf trachtten hun vernielde levens op te pakken, waarbij velen nog jarenlang bleven hopen op de terugkeer van hun geliefden. Wie van de familie en vrienden dood waren stond soms pas in de jaren vijftig vast.

Internationaal gold in de eerste naoorlogse decennia niet Auschwitz maar Dachau, waar politieke tegenstanders werden opgesloten, als de essentie van de nazigruwelen. Totalitarisme was in de Koude Oorlog het Grote Kwaad, niet rassenwaan. De Sovjet-Unie en haar satellieten werden de nieuwe vijand en met hen de binnenlandse communisten die het Nederlands Auschwitzcomité (NAC) bestuurden.

Ook doordat Auschwitz achter het IJzeren Gordijn lag, was het uitgesloten dat de Nederlandse overheid ter plekke van haar belangstelling blijk zou geven. Omgekeerd kreeg binnen het toenmalig NAC de genocide – massamoord op grond van stamboom – geen werkelijke erkenning. Van beide zijden moest alles passen in het schema kapitalisme versus socialisme, c.q. vrijheid versus onvrijheid.

Het NAC kwam tot stand op instigatie van het in 1954 opgerichte Internationaal Auschwitzcomité. Zowel het IAC als de West-Europese Auschwitzcomités volgden de Sovjet-lijn. Ze slikten voor zoete koek dat in het Poolse Auschwitzmuseum de communisten als de voornaamste slachtoffers én enige bestrijders van het nazisme golden; tekenden geen bezwaar aan toen de eerste IAC-voorzitter om zijn steun aan de Hongaarse opstand moest aftreden; en protesteerden niet tegen antisemitische maatregelen in Polen en de Sovjet-Unie.

Het NAC voerde wel campagne tegen ex-nazi’s op hoge functies in de Bondsrepubliek maar zweeg over die in het ‘antifascistische Duitsland’. Toen ik rond 2000 voor mijn boek Na het kamp. Vriendschap en politieke strijd Jules Schelvis interviewde, de man die nagenoeg in zijn eentje het kamp Sobibor onder de aandacht wist te brengen, noemde hij het NAC ‘geen Joods maar een communistisch comité’. Hij had er een diepe afkeer van.

In 1968 nog waarschuwden onze nationale oorlogsgeschiedschrijver Loe de Jong en de internationale nazi-jager Simon Wiesenthal in een VPRO-documentaire tegen het NAC. Voor sociaaldemocraten als De Jong was communisme als totalitaire ideologie net zo erg als nazisme.

Tot het grote publiek drong de omvang van de Joodse catastrofe pas goed door met de tv-serie van diezelfde De Jong, De bezetting, die liep van 1960 tot 1965, en het boek De ondergang van Niod-onderzoeker J. Presser uit 1965. Het NAC ging zich vanaf de jaren tachtig langzaamaan wat meer identificeren als Joods en werd een gerespecteerde organisatie.

De Koude Oorlog, inclusief het feit dat de Auschwitzherdenking jarenlang een zaak van de communisten was, heeft de aandacht en zorg voor de overlevenden geschaad. Zo duurde het na de wet die de pensioenen van het voormalig verzet regelt (uit 1947) nog een kwarteeuw tot er een uitkering kwam voor vervolgingsslachtoffers.

Zoals veel van mijn leeftijdgenoten ben ik opgegroeid met de Tweede Wereldoorlog als moreel ijkpunt. De snelheid waarmee antisemitisme, al dan niet vermomd als antizionisme, onder jeugdig links recentelijk salonfähig is geworden is voor mij dan ook nog onbevattelijker dan de traagheid waarmee de naoorlogse samenleving de vernietiging van de Joden herdacht.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next