Met Noordwijk en Quick Boys staan deze week twee amateurclubs in de kwartfinales van de KNVB-beker. Dat kwam pas één keer eerder voor. Wat verklaart de opmars van de amateurs? ‘We schuiven dichter naar het betaald voetbal toe.’
En dan nu tegen Quick Boys? ‘Ik hoop het niet’, reageerde Robin van Persie meteen. De trainer van Heerenveen had medio december net voor de tweede keer met pijn en moeite gewonnen van een amateurclub in het KNVB-bekertoernooi. In een achtste finale tegen Quick Boys, een tweededivisionist die al twee andere eredivisieclubs (Almere City en Fortuna Sittard) uit de beker had gewipt, had Van Persie weinig trek.
Een maand later bleek waarom. De loting had Heerenveen toch een uitwedstrijd in Katwijk toebedeeld. Diep in de verlenging kopte invaller Levi van Duijn Quick Boys naar de volgende ronde: 3-2.
Voor de tweede keer in de geschiedenis staan deze week daarom twee amateurclubs tegelijk in de kwartfinales van de KNVB-beker. Ook tweededivisionist Noordwijk, dat onderweg de profclubs FC Dordrecht en Willem II uitschakelde, bereikte de laatste acht. Woensdag wacht Noordwijk een uitwedstrijd tegen Go Ahead Eagles. Een dag later neemt Quick Boys het in Alkmaar op tegen AZ. In totaal gingen dit seizoen al negen profclubs tegen amateurs ten onder, slechts één minder dan in het recordseizoen 2015-’16.
Deze prestaties van amateurclubs staan niet op zichzelf: de laatste jaren reiken zij steeds verder in het bekertoernooi, blijkt uit een analyse van de Volkskrant. Toen IJsselmeervogels in het seizoen 1974-’75 tot de halve finale doordrong, waren zulke bekerstunts nog een zeldzaamheid. Pas vier decennia later, in het seizoen 2015-’16, lukte het VVSB dat kunststukje te herhalen. Inmiddels heeft ook Spakenburg (2022-’23) dit gepresteerd.
Veel voetballiefhebbers beschouwen het als een van de charmes van het bekertoernooi dat amateurclubs en profclubs elkaar kunnen treffen. Aanvankelijk nemen clubs uit de hoogste amateurdivisies het tegen elkaar op. Na twee kwalificatierondes stromen ook de profclubs in. Zo deden dit jaar in totaal 76 amateur- en 34 profclubs mee. Alleen tijdens één seizoen in de coronacrisis, toen voor niet-professionele sporters beperkende maatregelen golden, waren amateurclubs uitgesloten van deelname.
Sinds medio jaren zeventig plaatsten 59 amateurclubs zich voor de achtste finales, waarvan veertig in de laatste tien seizoenen. ‘Tien jaar geleden was het een megastunt als je van een profclub won’, vat Noordwijk-spits Emiel Wendt samen. ‘Nu laten we met meerdere amateurclubs zien dat we dat kunnen en komen we steeds verder in de beker.’
De goede resultaten hebben meerdere redenen. Clubs uit de eerste divisie (het laagste profniveau) en de top van de tweede divisie (het hoogste amateurniveau) ontlopen elkaar minder dan je misschien zou denken, zegt Pieter de Waard, van 2006 tot 2023 directeur van eerstedivisionist Telstar. ‘Eigenlijk is er hoegenaamd geen verschil.’
Financieel doen grote amateurverenigingen als Quick Boys, Spakenburg, IJsselmeervogels en Noordwijk bijvoorbeeld nauwelijks onder voor menig eerstedivisionist. Spelers verdienen er, zeker in combinatie met een baan ernaast, minstens even goed als bij een deel van de eerstedivisieclubs. De Waard merkte het wanneer hij een contractvoorstel onder de neus schoof van een speler uit de top van de tweede divisie. ‘Dat legde zo’n jongen vaak lachend terzijde. Bij ons begin je meestal met het minimumloon, terwijl spelers daar veel beter verdienen. Daarom moet je eigenlijk ook niet spreken over amateurclubs.’
De betere financiën stellen amateurclubs in staat om op allerlei vlakken te professionaliseren. ‘Ik ga geen bedragen noemen, maar we schuiven op alle vlakken steeds dichter naar het betaald voetbal toe’, beaamt Quick Boys-voorzitter Bart van Kruistum. ‘We maken stappen in de benadering van het spelletje, de kwaliteit van de trainers, de medische voorzieningen en vooral het gebruik van data. Heel veel data. Alle jonge trainers in het amateurvoetbal bedienen zich alleen nog maar van data.’
Zo wordt de hartslag van de spelers van Quick Boys tijdens de wedstrijd gemonitord: wie in het rood komt, wordt naar de kant gehaald. Van Kruistum: ‘Spelers worden ook steeds fitter, letten beter op hun voeding en doen hersteltrainingen. Na een bekerwedstrijd stappen ze bij ons in een ijsbad om sneller te herstellen.’
De trainer die Quick Boys dit seizoen met succes door het bekertoernooi loodst, Thomas Duivenvoorden, is volgens Van Kruistum de verpersoonlijking van de opmars van data in het amateurvoetbal.
‘Een trainer als hij heb ik nog nooit meegemaakt’, zegt Van Kruistum. ‘Alles moet bij hem kloppen, tot in de kleinste details. Ik zou er zelf gek van worden.’ Volgend seizoen gaat Duivenvoorden, die begeerd werd door meerdere profclubs, als assistent-trainer aan de slag bij De Graafschap. ‘Hij heeft alles in zich om te slagen in het betaald voetbal.’
Ook bij Noordwijk is de wedstrijdvoorbereiding de laatste jaren steeds meer op die van profclubs gaan lijken, merkt spits Wendt. ‘Tien jaar geleden stuurde de club iemand naar een wedstrijd van de tegenstander. Die kwam dan terug met een briefje met wat aantekeningen over de spelers. Nu kunnen we als clubs allemaal in hetzelfde systeem om beelden te analyseren. Hoe bouwt de tegenstander op? Moet ik als spits een bal verlengen of juist vasthouden? Er is veel meer informatie beschikbaar dan vroeger.’
Over die informatie beschikken de profclubs omgekeerd natuurlijk ook. Hoe kan het dan dat ze steeds vaker over een amateurclub struikelen in het bekertoernooi? In de jaren zeventig, tachtig en negentig gebeurde dit met gemiddeld 2,8 profclubs per jaar. De laatste tien jaar is dat aantal met 5,8 ruim tweemaal zo hoog.
‘Uiteindelijk bereiden we bij Noordwijk een wedstrijd op dezelfde manier voor als zij’, zegt Wendt. ‘Maar misschien onderschatten zij ons toch wat en zijn ze minder gemotiveerd. Wij spelen met het mes tussen de tanden, voor ons is het de dood of de gladiolen. Zij moeten toch op een koude winterse avond naar Noordwijk.’
Van onderschatting is bij zijn spelers nooit sprake geweest, verzekert De Waard. Zijn club Telstar werd negen keer door een amateurclub uitgeschakeld, het hoogste aantal na Helmond Sport (elf). En dat kwam niet doordat de spelers van Telstar op de amateurcomplexen nogal eens werden onthaald met kleedkamers waarin een vriesinstallatie was neergezet ‘of de verwarming juist op 80 graden stond’.
De Waard: ‘Een sporter wil winnen. Maar het maakt wel uit of je in je eigen stadion speelt met een paar duizend man op de tribune, of op een amateurcomplex waar de mensen tegen de hekken staan.’
Een amateurclub die verder komt in de beker, loopt meer kans zijn beste spelers te verliezen. ‘Dat is een nadeel voor ons, maar ook een compliment’, zegt Van Kruistum. ‘Het is voor spelers een mooie gelegenheid om zichzelf in de etalage te zetten. Dat we dan misschien een springplank voor hen zijn hoort erbij.’
Zo let Telstar in het bekertoernooi extra goed op spelers die de club vaak toch al op het oog had, weet De Waard. Elk seizoen trekt de Noord-Hollandse club wel een paar spelers aan uit de tweede of derde divisie, vooral van Quick Boys.
Voor Wendt, die na dit seizoen stopt om meer tijd met zijn vrouw en tweeling door te brengen, is een overstap naar het betaald voetbal nooit een serieuze optie geweest. ‘Ik heb in de jeugd ooit meegetraind bij ADO Den Haag. Er was wel interesse van andere clubs uit de tweede divisie, maar ik speel liever met mijn vrienden in het eerste elftal dan dat ik ergens anders honderd of tweehonderd euro per maand meer verdien.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant