De teloorgang van de Duitse industrie is een groot thema bij de verkiezingen van 23 februari. In de immense staalfabriek van ThyssenKrupp in Duisburg komen alle dilemma’s samen. Welke strategische keuzen moet Duitsland maken?
is economieredacteur. Hij schrijft over de energietransitie.
Uit een gat in de buik van de Schwarzer Riese spuit en vonkt het vloeibare ruwijzer. Een groepje mannen, gehuld in zilveren mantels, staat naast het kanaal dat het roodgloeiende staal verder de fabriek in voert. Een van hen steekt zo nu en dan routineus een lange thermometer in het gloeiende goedje: 1.472 graden.
Dat de vijftig jaar oude hoogoven in Duisburg liefkozend zwarte reus wordt genoemd, is onderdeel van de ‘Industrieromantik’, zegt Roswitha Becker even later. ‘In het Ruhrgebied houden we van onze fabrieken. Kolen en staal, dat is onze identiteit.’ Rustig rijdt de woordvoerder van ThyssenKrupp Duisburg in haar auto over het uitgestrekte terrein van de Thyssen-Hütte, de grootste staalfabriek van Europa.
De vraag is alleen: hoelang nog? De problemen stapelen zich de laatste jaren in rap tempo op voor de staalindustrie in Europa. De internationale staalprijs is laag door overproductie vanuit China, terwijl energie en arbeid de afgelopen jaren fors duurder werden. Langzaam maar zeker verliezen de Europese bedrijven marktaandeel en schroeven ze de productie terug.
Dat gebeurt bij Tata Steel in IJmuiden, en zeker ook in Duisburg. Van de 11,5 miljoen ton staal die Thyssen kan maken, wordt de laatste jaren rond de 9 miljoen gehaald (ongeveer een kwart van de totale Duitse staalproductie). Thyssenkrupp maakte in 2023 door de staaldivisie een verlies van 1,6 miljard euro en ook over 2024 is al een serieus verlies aangekondigd. Licht aan het einde van de tunnel is vooralsnog niet in zicht. Vooral de penibele situatie van de Duitse auto-industrie, die bijna de helft van het staal uit Duisburg afneemt, bedreigt de staalfabriek.
Ook op een ander front zit het tegen. Net als alle energie-intensieve industrie in de EU moet ThyssenKrupp voor 2045 geheel klimaatneutraal zijn. Het bedrijf loopt daarin voorop, mede dankzij 2 miljard euro staatssteun. Bijna naast de zwarte reus staan al de eerste contouren van de 3 miljard euro kostende installatie waaruit in 2027 ‘groen’ staal moet komen. Gemaakt zonder kolen maar met waterstof en elektriciteit.
Maar er zijn grote zorgen over de kosten van het project. Waterstof is vooralsnog aanmerkelijk duurder dan in de berekeningen van ThyssenKrupp is voorzien. Ook de pijpleidingen die het gas moeten aanvoeren, laten op zich wachten.
Moederbedrijf Thyssenkrupp AG – een conglomeraat met 100 duizend werknemers waarbinnen staal een van de vijf divisies is – ziet de onzekere groene toekomst van de staalfabriek als financieel risico. Het hoofdkantoor wil de staaltak verzelfstandigen en heeft inmiddels 20 procent van de aandelen verkocht aan een Tsjechische miljardair.
Het leidde afgelopen zomer tot een paleisrevolutie bij het concern. Zowel de baas als de president-commissaris van de staalfabriek stapte op. Naar verluidt omdat ze het niet eens waren met de vergaande reorganisatie die het hoofdkantoor wilde doorvoeren.
Afgelopen oktober kondigde Miguel López, topman van ThyssenKrupp AG, die reorganisatie alsnog aan. Tot 2030 moeten er zo’n 11 duizend banen verdwijnen in de staalfabriek, ruim een derde van het totale personeelsbestand. Zo’n vijfduizend arbeidsplaatsen worden geschrapt door de verwachte productiedaling in de komende jaren. De overige banenkrimp wil het bedrijf bereiken door werk en bedrijfsonderdelen te outsourcen.
Daarmee is de staalfabriek in Duisburg een icoon geworden voor een van de belangrijkste thema’s voor de Bondsdagverkiezingen op 23 februari: de toekomst van de Duitse industrie. De kaalslag bij Volkswagen, waar plannen zijn om fabrieken te sluiten en tienduizenden banen te schrappen, trekt waarschijnlijk de meeste aandacht.
Maar als sector is vooral de energie-intensieve industrie in de problemen. Door hoge energieprijzen verloor die afgelopen jaren zo’n 15 procent van de totale productie. Naast ThyssenKrupp gaat het dan bijvoorbeeld om chemieconcern Basf, dat energie-intensieve onderdelen in Duitsland sluit en duizenden banen schrapt.
Van links tot rechts willen politieke partijen voorkomen dat de Duitse energie-intensieve industrie het loodje legt. De staalfabrieken leveren het belangrijkste basisproduct voor de Duitse maakbedrijven. En, zeker gezien de gespannen geopolitieke verhoudingen, wil Duitsland die basisindustrie graag in eigen hand houden.
Maar hóé dat moet, daarover verschillen de meningen sterk. Waar links vooral extra geld wil uittrekken voor het vergroenen van de industrie, pleit de rechts-conservatieve CDU ervoor om het met klimaatdoelen maar wat minder nauw te nemen. De liberalen zoeken het in belastingverlagingen voor bedrijven. En als het aan de extreemrechtse Alternative für Deutschland (AfD) ligt, kan het hele klimaatbeleid op de mestvaalt. Net als de Europese Unie trouwens.
Dat de wereld niet per se vergaat als bepaalde bedrijvigheid verdwijnt, weten ze in het Ruhrgebied als geen ander. De stille getuigen van verdwenen kolen- en staalindustrie zijn er inmiddels een toeristische trekpleister. Met als belangrijkste attractie de voormalige kolenmijn Zeche Zollverein in Essen, zo’n 20 kilometer van de plek waar de zwarte reus nog altijd rookt. Nu Unesco-werelderfgoed, tussen 1851 en 1985 een van de grootste steenkoolmijnen van het Ruhrgebied.
Op de steenkoolvoorraad die nog onder het Ruhrgebied ligt, zou de Duitse economie nog honderden jaren kunnen draaien. Maar kolen uit China en Zuid-Amerika zijn nu eenmaal goedkoper. Zes jaar geleden sloot de laatste kolenmijn van Duitsland.
Niet alleen de kolenwinning verdween naar het buitenland, zo toont een film uit 2002 in het museum van Zeche Zollverein. Tientallen Chinese mannen met blauwe pakken en valhelmen worden in bussen afgezet bij de Dortmunder Westfalenhütte. Met snijbranders wordt de afgedankte staalfabriek uit elkaar gehaald, waarna de onderdelen op transport gaan. In Qingdao en Shangjian krijgt de fabriek een tweede leven. Nu bedreigen die uit Duitsland verplaatste fabrieken dus het Duitse origineel.
‘Ons voordeel in de concurrentiestrijd is in principe dat wij het dichtst op onze klanten zitten’, zegt Roswitha Becker in het Schifferheim, het zeemanshuis waar de bemanning van rijnaken bed en bockworst kunnen krijgen. ‘Door de jaren heen is er hier een groot ecosysteem opgebouwd om klanten zo efficiënt mogelijk precies het soort staal te leveren dat zij vragen.’
Aan het begin van dat ecosysteem staat de gigantische Kökerei, de lange fabriek waar kolen worden gebakken tot de cokes die in de hoogoven zorgen dat het ijzererts tot staal kan versmelten. Uit de hoogovens wordt het vloeibare staal vervolgens vervoerd met ‘torpedo’s’, treinwagons met de vorm van een onderzeebooot.
‘Het heeft allemaal iets oers’, zegt Becker, die zelf jarenlang als manager in de staalfabriek heeft gewerkt. ‘Ruig, met al dat vuur. Het mooie vind ik dat het tegelijkertijd hightech is.’ Ze wijst op dikke plakken grijs staal die als gevelde bomen op een roestbruin terrein zijn neergelegd. Met een witte spuitbus is er een getal op gezet. ‘Elke plak is anders. We hebben zo’n 1.800 verschillende recepten, die het staal precies de eigenschappen geven die de klant nodig heeft. Bijvoorbeeld om een onderdeel in een automotor te maken.’
Toch zou je, alle romantiek over rokende schoorstenen opzijzettend, ook kunnen denken: wat maakt het uit als in de toekomst dat soort plakken allemaal van elders komen? Energie is hier niet meer goedkoop voorhanden en ThyssenKrupp heeft nu al moeite om vacatures te vervullen. Dat probleem wordt alleen maar groter. Op de ongeveer 1 miljoen Duitsers die nu jaarlijks met pensioen gaan, komen er rond de 600 duizend jongeren op de arbeidsmarkt bij.
‘Dat is zeker een probleem in Duitsland’, zegt Dirk Riedel. Riedel werkte jarenlang in de staalfabriek, tot hij een paar jaar geleden voorzitter werd van de Vetrauenskörper, het vertegenwoordigend orgaan van vakbond IG Metall binnen ThyssenKrupp. ‘Het is niet per se erg dat er banen verdwijnen, maar we moeten wel de moeder van onze industrie, vloeibaar staal, in eigen hand houden.’
Samen met collega-vakbondsleiders Andrea Randerath (lange carrière op kantoor bij ThyssenKrupp) en Stephan Kiwitz (oud-locomotiefbestuurder) houdt hij de wacht in een tent naast Tor 1, de hoofdpoort van de staalfabriek. Het is avond 179 van de zogenoemde Mahnwache die vakbond IG Metall hier is begonnen nadat afgelopen zomer het conflict binnen ThyssenKrupp was geëscaleerd.
Een Mahnwache is in Duitsland een bekende protestvorm, een wake om aandacht te vragen voor naderend onheil. Buiten de tent hangt een mistige vrieskou en raast zo nu en dan een tram voorbij. Binnen stoken twee elektrische kacheltjes de temperatuur flink op. De stroom wordt met een verlengsnoer aangevoerd vanuit het poortgebouw van de staalfabriek.
Als de hoogoven de zwarte reus van Duisburg is, is Riedel de rode reus. Met zijn twee meter en 130 kilo zit de vierdegeneratie-staalarbeider wijdbeens op een bank. Zijn donderende bas met maatschappijkritiek is tot buiten de tent te horen. Hij verfoeit het ‘kapitalisme’ waarmee topman Miguel López de crisis bij ThyssenKrupp aanpakt.
De strategie ‘kapitaal voor mensen’ is volgens Riedel de bijl aan de wortel van alles wat de Duitse economie na de Tweede Wereldoorlog weer tot bloei bracht. Waardoor ‘made in Germany’ een garantie werd van kwaliteit. Riedel: ‘Het Wirtschaftswunder was een verbond tussen overheid, werkgevers en werknemers. Dat is nu weer nodig. Zodat we samen de transitie maken naar een toekomst met een schoon milieu en goed werk voor onze kinderen.’
In hun snikhete tent vrezen Riedel en zijn medestrijders de grote woorden niet als zij hun afschuw uitspreken over het feit dat Lopez precies het tegenovergestelde doet. ‘Wij weten dat fascisme groeit op onzekerheid en we zien hoe berichten over banenverlies de onzekerheid aanwakkeren. Bedenk dat het salaris van één staalarbeider ervoor zorgt dat zo’n vijf mensen in het Ruhrgebied werk hebben.’
Een dag later zegt de hoogste baas van de vakbond in Noordrijn-Westfalen het Riedel na. Voor het Crown Plaza Hotel, aan de Rijn in het stadje Neuss, wappert de rode vlag van IG Metall, de grootste vakbond van Duitsland. Binnen is Knut Giesler met vierhonderd medewerkers bijeen om de strategie te bespreken. De verkiezingen zijn er het belangrijkste onderwerp.
Het doet Giesler pijn dat een deel van zijn achterban geneigd is op de ‘ondemocratische’ AfD te stemmen, zegt hij in de lobby van het hotel. ‘In Gelsenkirchen, ook een stad in het Ruhrgebied, steunt 20 procent van de bevolking die partij. Maar ik weiger te geloven dat dat allemaal neonazi’s zijn.’ In gesprekken met dit soort kiezers hoort Giesler vooral dat stemmen op gevestigde partijen ‘toch geen zin heeft’. Maar de vakbond zal de komende weken aan alle leden proberen duidelijk te maken dat ‘het kruis op verkiezingsdag nog altijd heel belangrijk is’.
Zeker als het om de toekomst van de industrie gaat, zijn er grote verschillen tussen de partijen, legt Giesler uit. Daarbij voelt de vakbond zich het meest verwant aan de linkse partijen. ‘Die willen dat de overheid investeert in de groene industrie, door lage energieprijzen en de infrastructuur om waterstof en groene stroom naar onze fabrieken te krijgen.’
De politieke discussie gaat dan bijvoorbeeld over de Schuldenbremse, de wet die de regering verbiedt het begrotingstekort in Duitsland te laten oplopen. Daaraan vasthouden, zoals onder meer de liberalen en het CDU willen, is nu ‘totaal gestoord’, betoogt Giesler. ‘Als je een huis hebt met een lekkend dak, ga je toch ook geld lenen om dat te repareren. Je kinderen zijn dan echt beter af dan wanneer je ze een paar jaar later een huis nalaat waar het vocht tot in de kelder toe alles heeft aangetast.’
Dat CDU-leider Friedrich Merz inmiddels hint op het temperen van de bestaande klimaatdoelstellingen, kan zowel bij de vakbond als bij de staalfabriek op weinig enthousiasme rekenen. ‘Wij willen voorafgaand aan de verkiezingen geen politieke uitspraken doen’, zegt woordvoerder Roswitha Becker van ThyssenKrupp. ‘Maar we kunnen wel zeggen dat we vanuit zowel Berlijn als Brussel voorspelbaar beleid nodig hebben.’
Bij IG Metall hebben ze minder problemen om zich politiek uit te spreken. De komende weken zullen ze leden zoveel mogelijk bijpraten om te gaan stemmen op de linkse partijen. En op 15 maart, als de onderhandelingen over een nieuwe regeringscoalitie in volle gang zijn, wil de vakbond met tienduizenden leden naar Berlijn trekken. Giesler: ‘Zodat de nieuwe regering, hoe die er ook uitziet, begrijpt dat ze met een toekomstplan moet komen voor een groene industrie.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant