Hij zoekt de confrontatie, zegt stand-upcomedian Sezgin Güleç bij aanvang van zijn eerste tournee; hij past niet in ‘het plaatje van de allochtoon die zich aanpast’. Maar de zaal moet wel een beetje meegeven. In Bergen op Zoom: ‘Ik ben gewoon gefrustreerd nu.’
is verslaggever van de Volkskrant. Ze schrijft over stand-upcomedy & cabaret en populaire cultuur.
Een paar weken geleden ging de auto van Sezgin Güleç (26) stuk. Nu is er een lichtgrijze Suzuki Wagon R+ uit 2001 om vanuit Rotterdam koers te zetten naar theater De Maagd in Bergen op Zoom, waar hij vanavond zijn debuut Wild, barbaars en bloeddorstig speelt. Pakjes Capri-Sun in de achterzak van de bijrijdersstoel. Eerst tanken.
Technicus Süheyl (27) zit achter het stuur. Vriend Umit (23), op de achterbank, wordt half gekscherend geïntroduceerd als tourmanager. Hij heeft niets te doen en gaat mee naar bijna elke show, voor de gezelligheid, en zoals hij zelf zegt, ‘voor de positiviteit’.
De auto sputtert de eerste kilometers schokkerig tegen. Güleç lacht hard: ‘Dit is een Rotterdam-Zuid-auto.’ Het ding kostte 600 euro, de hoop is dat-ie in ieder geval de rest van zijn eerste tournee meegaat.
In Wild, barbaars en bloeddorstig vertelt Sezgin Güleç over de achtergrond waartegen hij een bozig iemand werd die het moeilijk vindt om contact te maken: hij groeide op in een achterstandswijk, in een Turks bijstandsgezin, en ging naar het gymnasium.
Het gaat over zijn worsteling met identiteit en botsingen met ‘moderne mensen’ in ‘de moderne buitenwereld’, over feministische vrouwen zoals Simone de Beauvoir en Sabiha Gökçen die hij bewondert, maar niet thuis op de bank hoeft.
Güleç is niet het type comedian dat op z’n publiek scheldt om het daarna gerust te stellen met iets aardigs of een glimlach. Hij betrapt de zaal op vooroordelen, heeft het veelvuldig over ‘wij’ en over ‘jullie’; wij allochtonen, jullie Nederlanders.
‘Als u mij op straat had zien lopen’, vraagt hij iedere avond, ‘had u dan voor mogelijk gehouden dat ik op het gymnasium heb gezeten?’
Op de sites van de theaters die hij aandoet, wordt hij aangekondigd met een paar wapenfeiten: hij werd door de Volkskrant uitgeroepen tot hét comedytalent van 2024 en toerde twee theaterseizoenen als het voorprogramma van Patrick Laureij, net als hij lid van stand-upgezelschap Comedytrain. De regisseur van zijn eerste programma is Daniël Arends.
Een dag na Bergen op Zoom is op het Internationaal Filmfestival Rotterdam de première van de nieuwe Michiel ten Horn-film Fabula, waarin hij een hoofdrol speelt. Dinsdag 4 februari komt de pers kijken naar zijn debuut in Capelle aan den IJssel.
Uit de uitnodiging die zijn impresariaat namens hem verstuurde: ‘Ik hoef van jullie geen 5 sterren, Poelifinario of ander soort betekenisloos lof, mijn vakmanschap is evident en ik ben ervan overtuigd dat het volk waar ik zo veel van hou ook van mij houdt. Geef het zo eerlijk mogelijk door aan hen wat jullie zagen vanavond, en als dat niet lukt om de een of andere reden doe ik dat wel in m’n eentje zoals het altijd is geweest voor mij.’
Op de A29: ‘Vind je het erg als ik rook? Ik ga 10 februari stoppen. Na de première.’ Hij googelt een plaatje van het Turkmeense raspaard dat hij zou willen kopen als hij op een dag uit Rotterdam vertrekt en ergens zijn gedroomde boerderij bezit.
Drie kwartier eerder ging de telefoon: ‘Yo, kom jij met de trein naar Rotterdam? Als je toevallig langs een winkel met kranten komt, kun jij dan voor mij een NRC meenemen?’ Hij is tevreden met het interview met hem dat vandaag in die krant staat, maar niet over de kop, waarin hij een ‘jonge conservatieve comedian’ wordt genoemd.
Hij heeft er al iets over geschreven op Instagram: ‘Waarom willen ze me altijd in suffe hokjes stoppen? Zeg gewoon: we snappen hem niet, we zijn bang voor hem. Geen dingen verzinnen.’
In De Maagd, een verbouwde kerk, kan de Suzuki binnen staan op de plek voor laden en lossen, ook al valt er amper iets te lossen: het decor bestaat uit één stoel. Vraag aan de technicus van het theater: ‘Waar is de dichtstbijzijnde kleedkamer, bro?’ Güleç denkt niet dat hij zijn zwarte podiumpak zal aantrekken vandaag. ‘Te priesterig in deze kerk.’
Hij heeft weinig routines ontwikkeld rondom het toeren, wel gaat hij bijna altijd even het centrum in om een toetje te kopen – vandaag crème brulee-cheesecake van de Multivlaai.
Het avondeten, soep met kikkerertwen, brood met tzatziki en een rijstgerecht, heeft hij zelf meegenomen van huis. Geen zin om telkens een restaurant uit te zoeken. ‘Geen zin in daar zitten, geen zin in andere mensen. Het eten is meestal toch niet lekker, en de obers zijn altijd óf te koud, óf te gezellig.’ Zelf wat meenemen en opeten in de artiestenfoyer is ook een manier voor hem om zich thuis te voelen in het theater. ‘Ik voel me minder te gast als ik gewoon eet wat ik thuis eet.’
Chauffeur en technicus Süheyl werkt ook nog als beveiliger, vertelt hij aan tafel. Hij stond drie keer per week ’s nachts aan het raam bij de McDrive in de periode dat hij en Güleç met elkaar aan de praat raakten. ‘Ik had te veel vrije tijd. Ik ben een nachtmens, en ik was in de nacht veel buiten of met vrienden. Op een gegeven moment dacht ik: hee, ik kan ook gewoon geld verdienen als ik toch niet ga slapen. ’s Nachts bij de Mac kun je lekker verdienen: 25 euro per uur. Dat verraste mij ook. Het was of buiten chillen, niksdoen en geld uitgeven, of lekker werken.’
Daar, bij de McDrive, kwam de comedian-op-zoek-naar-een-nieuwe-chauffeur-en-technicus voorbij, met de vraag of hij zin had om wat anders te doen. Sezgin Güleç: ‘Wij zijn allebei niet zweverig, wij zijn duidelijk. Ik zie mezelf als mijn opa, die in de haven werkte. Hij ging naar zijn werk, en na zijn werk ging hij naar huis. Dat is wat wij ook doen. Geen feestjes, geen drugs, geen rare dingen. Ik zie dit gewoon als werk.’
In het begin van zijn tournee ging er iemand anders mee. ‘Die had een andere verwachting. Hij dacht: dit is comedy, dit is feest. Hij was de hele tijd TikToks aan het maken. Daar heb ik niks mee. Ik ontmoette hem op straat, in Eindhoven.’
Goed verhaal wel: ‘Ik was dronken geworden na een show en ik kon niet meer naar huis. Midden in de nacht stopte er een gele Opel Corsa bij het stoplicht, en daar zat die boy in, een Turk. Ik sprak hem aan, in het Turks. Hij was pizza’s aan het bezorgen. Ik vroeg hem: ‘Kun je mij naar Roffa brengen voor 150 euro?’ Is goed, zei hij, fuck die pizza’s. Hij vertelde dat hij een tijdje in een shishalounge de techniek had gedaan. Ik vroeg: ‘Wat dan?’ Lichten aan en uit doen. ‘Oké man’, zei ik, ‘je bent aangenomen.’ We hebben samen 38 shows gedaan. Een grote guy was hij, en ook echt een lieve gast, maar hij viel in slaap achter het stuur.’
Met Süheyl zit hij op een lijn. ‘Hij had het vanaf het begin moeten zijn: iemand uit onze wijk, iemand die niet met zijn hoofd in de wolken zit.’
Na de cheesecake vertelt hij in de kleedkamer over tips die hij van zijn regisseur Daniël Arends krijgt. ‘Ik spreek hem niet veel, maar als we praten, gaat het vooral over mijn persoonlijke leven, wat ik kan doen om mentaal in vorm te zijn en mijn hoofd bij de show te houden. En om niet persoonlijk te nemen wat niet persoonlijk is.’
Op de vraag welk plezier hij uit optreden haalt, volgt een stekelig antwoord. ‘Ik haal er geen plezier uit. Hoe kom je daarbij? Dat heb ik nooit gezegd. Een soldaat haalt toch ook geen plezier uit rondlopen op een slagveld? Dit is mijn chemokuur, niet iets wat ik voor de lol doe. Ik weet niet hoe ik het anders moet uitleggen dan als een missie. Ik ben dit verplicht aan mezelf en aan waar ik in geloof.’
Twee weken geleden, na afloop van zijn show in theater Zuidplein in Rotterdam, vroeg hij op de man af wat ik ervan vond. Ik vertelde hem dat het sterke onderscheid tussen ‘wij allochtonen’ en ‘jullie Nederlanders’ mij ergens een opgelaten gevoel bezorgde dat ik op dat moment nog niet helemaal kon plaatsen.
Hij hoorde het die avond goedkeurend aan, ‘ongemak is de attractie’, en wil er nu het volgende over kwijt: ‘Het ligt eraan in welk Nederland jij leeft. Als je in het publiek zit, en denkt: we zijn in Nederland toch allemaal één, dan ga je je ongemakkelijk voelen. Als je al weet dat het anders zit, dan heb je daar geen last van. Toen ik 12 was, dacht ik: we zijn toch allemaal mensen, laten we vrienden zijn. Maar toen zei Nederland: nee, jij bent een kankerturk. Vanaf dat moment dacht ik: oké, maakt mij niet uit.’
Misschien, denk ik hardop, komt mijn ongemak deels ook voort uit de argwaan die in zijn comedy voorop lijkt te staan. Wat nu als mensen in de zaal wél voor hem openstaan, terwijl hij er bij voorbaat van uitgaat dat dat niet zo is en ze dus eigenlijk meteen afwijst?
Güleç: ‘Hoe ik het ervaar: ze hebben misschien wel zin om contact te krijgen, totdat ik iets zeg dat ze niet leuk vinden, iets dat niet in hun plaatje past van de allochtoon die zich aanpast. Hoe er in het theater op mij wordt gereageerd, is hoe er altijd al wordt gereageerd op mijn aanwezigheid, op mijn gedachten. Ik heb al mijn hele leven frictie met mensen die liever willen vluchten dan confronteren.’
Deze show is zijn antwoord daarop. ‘Het is vermoeiend om de hele tijd gezien te worden als de domste gast in de kamer, terwijl ik in veel situaties bovenaan de voedselketen sta. Ik heb me vaak minderwaardig gevoeld, of ongeldig, alsof het niet uitmaakt wat ik te zeggen heb. Ik had op school altijd discussies met leraren, ik heb nooit frictieloos contact gehad met de mensen om me heen. Nu ben ik daar ook niet meer naar op zoek. Jullie zoeken het maar uit.’
Waarom de kop in NRC hem stoorde: ‘Ik ben sociaal en cultureel conservatief, maar ik ben niet conservatief op alle vlakken. Niet politiek of economisch.’
Hij gaat verder: ‘Voor veel mensen is wat ik zeg nieuw, maar geloof mij, dit is een geluid dat heerst. De jongeren die denken zoals ik zijn alleen moeilijk te bereiken voor traditionele media. De nieuwe generatie allochtonen hoeft niet te weten waarom jullie piercings hebben, waarom jullie aan de harddrugs zitten, waarom jullie een Lentekriebels-week in het basisonderwijs zo belangrijk vinden. Wij zijn niet zoals onze ouders, wij gaan niet smeken om acceptatie.’
Wat hij met zijn comedy wil aantonen, raakt hieraan: ‘Ik wil laten zien dat je als allochtoon in Nederland ergens kunt komen zonder dat je je hoeft aan te passen. Mijn show is in die zin anti-integratiebeleid en anti-onoprecht. De hoofdgedachte van mijn verhaal is een citaat uit Misdaad en straf van Fjodor Dostojevski: je grootste zonde is dat je jezelf hebt vernietigd en verraden voor niets.’
Met een grijns: ‘Denk je dat je dit kunt opschrijven zonder dat het pretentieus overkomt?’
Het tourleven doet hem goed, zei hij twee weken terug in Rotterdam. ‘Ik had verwacht dat ik er vervelender van zou worden als persoon, maar het tegendeel is waar. Ik voel me juist comfortabeler, ook dankzij de structuur die ik nu heb. Ik voel mezelf meer kind dan ooit. Zelfs als kind voelde ik me niet zozeer een kind.’
Bedoelt hij onbekommerd, vrij? Zoiets. ‘Het betekent veel dat ik soms het gevoel krijg dat er mensen zijn die wél naar me willen luisteren. Daardoor ben ik nu best wel een lieve guy, eigenlijk. Dat is een nieuw gevoel voor mij. En ik vind het fucking eng.’
In Wild, barbaars en bloeddorstig blijft die zachtere kant nog afgedekt. ‘Als ik nu een spiritual awakening heb, ga ik niet ineens de hele voorstelling veranderen. Dit soort inzichten draag ik mee naar de volgende show.’
Wat hij bijvoorbeeld recent besefte: ‘Dat ik liefde verdien omdat ik bén, niet alleen maar door wat ik doe.’ Lacht: ‘Dit is wel een goeie om niet P. Diddy-achtig te worden.’ Serieuzer: ‘Het is gevaarlijk om te denken dat je alleen liefde verdient door wat je hebt bereikt. Wie ben je dan als het niet goed gaat?’
Hij is op dreef in Bergen op Zoom, ook al geeft de zaal niet echt mee. Bovenin zitten een stuk of tien jongeren keihard te lachen. ‘Nee’, is het eerlijke antwoord van een man vooraan op de gymnasiumvraag.
Vijf minuten na afloop schenkt Güleç in de artiestenfoyer een glas bier voor zichzelf in. Ja, hij hoorde ze wel, die jonge mensen bovenin. Maar voor zijn neus zag hij vooral oude, uitgestreken gezichten.
Vanmorgen sprak hij erover met de producent van zijn impresariaat: wat te doen als het publiek niet de reactie geeft waar hij naar op zoek is? ‘Ik heb dan twee opties: of ik moet gewoon de show doen, of nog harder pushen en proberen het memorabel te maken. Voor mijn eigen gemoedsrust kies ik vanaf nu voor gewoon de show doen.’
Dat werkte vanavond, maar toch: ‘Ik word er moe van. Vorige week in Franeker was de gemiddelde leeftijd 83. Ik vind het suf dat ik nog niet mijn eigen publiek heb. Ik wil niet langer 80-jarige mensen recht aankijken en in hun ogen zien dat ze het niet begrijpen. Je vergeet wat je kunt als je vier keer per week zo’n optreden hebt. Dan ga je terug naar de Randstad, naar een comedyclub als Toomler, en krijg je weer zelfvertrouwen: o ja, hier werkt het wél. Echt weird.’
Tegen Süheyl en Umit: ‘Hoeveel van deze leipe plekken hebben we nu achter elkaar gehad? Fucking tien, twaalf? Misschien kom ik wat tekort om deze mensen te bereiken, dat kan ook. Ik vraag me af: hoe kan ik nog duidelijker maken dat mijn comedy waarschijnlijk niet voor hen is? Want ik heb het idee dat zij net zo goed genaaid worden, op deze manier.’
Hij vermoedt dat veel mensen de tekst op de site van het theater of in de brochure niet hebben gelezen. ‘Ze zien gewoon: allochtone guy, dat wordt een lieviedievie-allochtonenshow. En dan komen ze en horen ze: o shit, nee. Ik weet niet waar het misgaat, het is ook niet mijn werk om daarover na te denken.’
Dan: ‘Zijn het jouw lezers?’ Sardonisch lachje: ‘Met je bejaardenkankerkrant.’
Is even stil. ‘Nee, ik ben gewoon gefrustreerd nu. Ik ga hard werken om ervoor te zorgen dat mensen die snappen wat ik doe naar het theater komen. Geen enkel probleem.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant