Hij kan slecht tegen harde omgangsvormen. Dat hebben wij gemeen, het verschil is dat hij een poes is en ik niet. Zijn kwelgeest heeft een staart en verblijft in dezelfde ruimte als hij, de mijne zie ik in de krant, op tv, soms op straat. De constante dreiging van een soortgenoot versus een toenemend onbehagen met de hele soort.
Dat neemt niet weg dat wij elkaar kunnen troosten. Meestal gebeurt dat na de lunch, als ik even languit op de driezits ga en hij beschutting zoekt bij mij – of is het omgekeerd? Het is stille wederkerigheid.
Samen halen wij dan de grenzen van de nabijheid naderbij. Er is altijd wel een ruggenwervel die nog dieper in de bocht van mijn arm past, altijd een reepje vel dat fermer tegen mijn huid gedrukt kan worden. Een haast onmerkbaar schuiven, dat nooit klaar is. Dichtsterbij, dichtsterbijer, nooit dichtsterbijst.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns