Home

Elf Romeinse jaarsalarissen, verstopt in de klei bij Bunnik. Niemand snapt precies waarom

Bij Bunnik hebben amateurarcheologen een sensationele vondst gedaan: een muntschat uit de Romeinse tijd, genoeg om een soldaat elf jaar lang van te betalen. ‘Een gigantische spetter van een vondst’, die licht werpt op een keerpunt in de geschiedenis: de invasie van Brittannia.

Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.

Ze hadden er met hun metaaldetectors al eerder een paar Romeinse muntjes gevonden, op de akker bij Bunnik. Maar die koude dag in oktober, nu ruim een jaar geleden, bleven de muntjes maar boven komen. Enkele uren later lag het resultaat bij vinder Gert-Jan Messelaar thuis op het aanrecht: een sensationele vondst van ruim vierhonderd gouden en zilveren munten uit de Romeinse tijd.

‘Toen zagen we pas wat een grote muntschat het was’, zegt Messelaar, die de vondst samen met zijn kompaan Reinier Koelink deed. ‘We hebben een fles champagne opengetrokken. Dit vind je nooit.’

Oorlogsbuit

Een bijzondere ontdekking, vinden ook archeologen die de muntvondst afgelopen jaren in het diepste geheim onderzochten. Bij de schat bevinden zich namelijk ook 44 gouden munten uit Brittannia, dat de Romeinen in het jaar 43 binnenvielen. Kennelijk zijn de munten oorlogsbuit, redeneren Anton Cruysheer van Landschap Erfgoed Utrecht en Tessa de Groot van de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, in hun wetenschappelijke beschrijving van de schat.

En wat voor schat. Bij elkaar tellen de munten op tot 2.400 ‘denarii’, bijna elf jaarsalarissen van een gewone soldaat. Mogelijk hoorde de schat dan ook toe aan een centurion of een andere legerofficier met een hoog salaris, denken Cruysheer en De Groot. Of aan een groep soldaten, die hun opgespaarde geld om de een of andere reden bij elkaar legden en begroeven.

Naar die reden is het gissen. De munten lagen in wat destijds een afgelegen, drassig stukje land moet zijn geweest, vermoedelijk verpakt in een allang vergaan buideltje. Dat kan betekenen dat de eigenaar de munten verstopte voor later. Maar er kan ook sprake zijn geweest van een of ander ritueel offer, om de goden te bedanken voor de overwinning op de Britten bijvoorbeeld.

Terugkeer

‘De verovering van Brittannia kennen we al uit de geschiedenisboeken’, zegt Cruysheer. ‘Maar het is voor het eerst dat er fysiek bewijs van de terugkeer van de troepen wordt gevonden. Kennelijk kwamen ze met van alles en nog wat terug. Dat is nieuwe informatie.’

De grootste Romeinse muntvondst ooit in de provincie Utrecht, en wetenschappelijk interessant, vindt ook Erik Graafstal, gemeentearcheoloog in Utrecht en expert op het gebied van de Romeinse grenzen, de ‘limes’. ‘Ik kon het haast niet geloven, toen ik dit hoorde. Dit is echt een gigantische spetter van een vondst, die ons heel dichtbij een kernperiode van de limes brengt’, zegt hij.

Opstand

Kort na Christus bestond Brittannia uit diverse losse koninkrijkjes, die sterk onder Romeinse invloed stonden. Toen in een van die rijkjes een opstand uitbrak, greep Rome in. De toenmalige keizer Claudius – later onsterfelijk gemaakt in de televisieserie I, Claudius – stuurde een van zijn generaals op pad om het eiland te veroveren, met een invasiemacht van vier legioenen versterkt met nog eens zo’n 20 duizend hulpsoldaten. Die kwamen ‘overal en nergens vandaan’, zegt Cruysheer, ook uit het toenmalige Nederland.

De laatste jaren wordt duidelijk dat aan de invasie jaren aan voorbereiding vooraf zijn gegaan, vertelt Graafstal. ‘Je moet begrijpen: Claudius had nog geen militair prestige. En als keizer moest hij een grandioos militair succes kunnen tonen.’ Al direct na zijn aantreden in het jaar 41, begonnen de Romeinen langs de Oude Rijn allerlei forten en havenwerken op te trekken. ‘Twee jaar voor de sprong naar Brittannia’, zegt Graafstal.

Geplunderd goud

Alles wijst erop dat de schat in of kort na het jaar 47 is begraven, het jaar waarin de eerste fase van de veldtocht ten einde kwam. De jongste muntjes dragen namelijk dat jaartal, en twee daarvan lijken afkomstig uit hetzelfde muntstempel, een teken dat ze, net als nieuwe bankbiljetten uit een geldautomaat, nog niet zijn gebruikt. En dan de gouden munten, met de naam van de Britse stammenkoning Conubelinus erop. ‘Het lijkt erop dat dit geplunderd goud is, dat onderling werd verdeeld’.

Experts verkneukelen zich, omdat er tussen de munten ook zeldzame exemplaren zitten. Zoals een muntje met de beeltenis van koning Juba uit Numidië (60-46 voor Christus), helemaal uit wat nu Algerije is. En enkele denarii van Julius Caesar (49-44 voor Christus), met een olifantenplaatje erop.

Van de in totaal 404 munten zijn er vanaf deze week 381 te zien in het Rijksmuseum van Oudheden van Leiden, dat de vondst aankocht. Het restant werd pas later opgegraven bij nader onderzoek, en ligt bij de provincie.

Ontdekker Gert-Jan Messelaar is in de zevende hemel. ‘Rijk word je er niet van’, zegt hij over het bescheiden vindersloon dat hij en Koelink deelden met de landeigenaar. ‘Maar de eer is heel erg leuk. Deze vondst vertelt een verhaal. Het is erg leuk dat ook bezoekers van het museum dat kunnen zien. We zeiden al meteen, toen we die schat op het aanrecht hadden liggen: hier moet iedereen van kunnen genieten.’

Alles over wetenschap vindt u hier.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next