Duizenden brieven ontving het Joodse vluchtelingencomité in Nederland na de Kristallnacht in 1938. De smeekbeden van doodsbange Joden waren vaak tevergeefs. Willy Lindwer en Aline Pennewaard maakten een selectie en portretteerden de briefschrijvers.
is wetenschapsredacteur van de Volkskrant en schrijft geregeld over de Tweede Wereldoorlog
‘Als Jodin kan ik hier niet blijven, ik sta hier wanhopig en ben compleet radeloos.’
‘Laat ons alstublieft niet ten gronde gaan. Red ons, red ons.’
‘Help ons uit deze hel weg te komen.’
‘Deze brief is een laatste schreeuw om hulp!’
Radeloze smeekbeden zijn het, van mensen die geen kant meer op konden, die de allerbelangrijkste brief van hun leven schreven en hoopten op een wonder in een land dat ze niet kenden. Hoe ze aan het adres waren gekomen, is onduidelijk, feit is dat het Comité voor Joodsche Vluchtelingen, ’s Gravenhekje 7 te Amsterdam, er in korte tijd meer dan tienduizend ontving. Getypt of met de hand geschreven, met referenties, garanties, beloftes, afkomstig uit Polen, Oostenrijk, Duitsland, Italië, Tjechië.
Ze zijn verstuurd in de bange weken na de Kristallnacht, die beruchte nacht van 9 op 10 november 1938 waarin overal in het Duitse rijk nazi’s Joden aanvielen, vermoordden, deporteerden en hun bezittingen vernielden. Doodsbange Joden probeerden massaal hun land te ontvluchten. Nederland was nog niet bezet, zouden ze daar kunnen schuilen tegen het antisemitische geweld?
Regisseur en documentairemaker Willy Lindwer kreeg 45 jaar geleden een bundel van die wanhoopsbrieven in handen. Ze lagen op een zolder die werd ontruimd, Lindwer redde ze van de papiercontainer. Hij borg de brieven op in een kast en wachtte op de juiste aanleiding om er iets mee te doen. Toen het Nationaal Holocaustmuseum openging, besloot hij de brieven te schenken en er een boek over te maken. Hij was zelf kind van Joodse vluchtelingen, zijn ouders hadden zo’n brief kunnen schrijven, vertelt hij telefonisch vanuit Israël, waar hij woont.
Zijn ouders kwamen aan het begin van de jaren dertig naar Nederland, zijn vader helemaal alleen vanuit Oekraïne, zijn moeder met haar ouders en zus vanuit Polen. Ze leerden elkaar kennen in Amsterdam, kregen hun eerste zoon en doken onder bij ‘uitzonderlijke mensen’ in de Achterhoek waar ze de oorlog overleefden. Ze hadden geluk, beseft hij nu, ze waren nog op tijd. Want wat al die briefschrijvers niet wisten toen ze in november 1938 hun brief op de bus deden: de Nederlandse grens was al een half jaar dicht. Toen de vader van Lindwer eind jaren dertig probeerde zijn familieleden naar Nederland te halen, hadden ook zij geen schijn van kans meer.
Nadat nazi-Duitsland in maart 1938 Oostenrijk had geannexeerd, was zo’n stroom vluchtelingen op gang gekomen dat de Nederlandse regering had besloten niemand meer toe te laten. Uit coulance mochten er na de Kristallnacht nog achtduizend komen, vooral kinderen en mensen met familie in Nederland. De rest kreeg een standaardafwijzing. Op de brieven die Lindwer vond, staat met rood potlood een datum gekrabbeld: vermoedelijk de dag dat het antwoord op de bus ging.
Lindwer benaderde historica Aline Pennewaard, met wie hij eerder boeken schreef over de Jodenvervolging. Bij het Niod vond ze duizenden vergelijkbare brieven, allemaal verstuurd aan het Joodse vluchtelingencomité, allemaal met dezelfde wanhopige toon. Ze koos er 35 uit en probeerde te achterhalen hoe het met de briefschrijvers en hun familie was afgelopen. Ze speurde in de archieven naar sporen van hun bestaan en vond nabestaanden van wie ze foto’s kreeg en briefwisselingen.
Lindwer ziet een parallel met de huidige vluchtelingencrisis, nóg een reden voor hem om het boek nu te publiceren. Wat moeten we met al die Joden, het zijn er te veel, wij hebben het ook zwaar, zijn ze niet gewoon op zoek naar betere omstandigheden? De argumenten die toen klonken, hoort hij nu opnieuw. Het was crisis, zegt Pennewaard, de angst was dat vluchtelingen de schaarse banen van Nederlanders zouden innemen. De Joodse gemeenschap vreesde bovendien dat de komst van te veel buitenlandse Joden het antisemitisme zou aanwakkeren, vertelt ze. De regering trok vanaf 1933 de teugels langzaam aan totdat er helemaal niemand meer welkom was.
Hun boek Ik weet me geen raad, dat deze week is verschenen, biedt veel meer dan een prachtig postuum van 35 willekeurige Joodse briefschrijvers. De levensgeschiedenissen die Pennewaard optekende laten zien hoe sterk hun wil was om te overleven en welke onwaarschijnlijke sprongen ze maakten om zichzelf en vooral hun kinderen in veiligheid te brengen. ‘Ze vormen een aangrijpend testament van mensen in doodsnood’, schrijft Lindwer in het voorwoord.
De meeste briefschrijvers en hun families zijn door de nazi’s vermoord. De weinige overlevenden zijn uiteindelijk in alle uithoeken van de wereld terechtgekomen, zegt Pennewaard, van Australië en de Verenigde Staten tot Israël en Shanghai.
‘In mijn grootste wanhoop wend ik me tot u’, typte Salomon Feuchtbaum op 27 november 1938 op briefpapier van zijn fotowinkel. ‘Als u mij naar Nederland laat komen, dan redt u een gezin uit de ellende.’ Zijn zaak was vernield en overgenomen door een collega, het mooie appartement waar hij met zijn vrouw en twee kinderen altijd in had gewoond, was ingepikt door een inhalige buurvrouw.
In zijn brief deed hij wat zoveel briefschrijvers deden: hij prees zichzelf en zijn gezin aan als de perfecte nieuwe landgenoten. Ze zouden niemand tot last zijn, zijn dochter sprak Frans en Engels en kon werken als dienstmeisje, zijn zoon had een goede opleiding.
‘Beant.’ staat boven de brief uit Wenen. Het antwoord moet, zoals bijna altijd, een afwijzing zijn geweest. Salomon en Pepi Feuchtbaum namen vervolgens de moeilijkste beslissing van hun leven: ze lieten hun kinderen gaan. Simon (17) reisde naar een oom in Engeland, Lotte (15) naar een neef in Zweden. ‘Onder zulke omstandigheden moet het hart van de moeder zwijgen’, schreef Pepi over die scheiding. Ze zouden elkaar nooit meer terugzien, ontdekte historica Pennewaard: vader en moeder Feuchtbaum werden doodgeschoten in een getto in Litouwen.
Ook Nederland nam een aantal alleenstaande minderjarige Joodse vluchtelingen op, onder druk van de publieke opinie was de regering soms coulant, schrijft Pennewaard. Ze beschrijft een aantal hartverscheurende familiegeschiedenissen. Over de 6-jarige Dorothea Krotowski uit Karlsruhe bijvoorbeeld, die in december 1938 met haar twee oudere broers in een opvanglocatie in Rhenen terechtkwam. Vijf jaar later werd ze opgepakt en vanuit Westerbork naar vernietigingskamp Sobibor gedeporteerd. ‘Ze vertrok naar het grote onbekende, elf jaar oud en helemaal alleen’, schrijft Pennewaard. Alleen haar oudste broer overleefde de Holocaust.
De Duitse Gerti Seelenfreund liet zich in 1939 zelfs scheiden van haar man Fritz om haar naar Nederland gevluchte kinderen te kunnen weerzien. De brief die Fritz aan het vluchtelingencomité had geschreven, had niets uitgehaald, de ouders mochten hun kinderen niet achterna reizen. Gerti was eerder getrouwd geweest met een Nederlander en had daarmee de Nederlandse nationaliteit verworven.
Door te scheiden van haar tweede man kreeg ze haar Nederlanderschap terug en kon ze zich in Amsterdam bij haar kinderen van 4 en 5 jaar voegen. Na anderhalf jaar werden ze alsnog opgepakt. Vader Fritz, die was ontkomen naar Shanghai, deed verwoede pogingen om de emigratiepapieren in orde te krijgen maar dat mislukte. Op 23 juli 1943 werden zijn vrouw en kinderen in Sobibor vergast.
Al die kleine oorlogskronieken laten zien hoezeer in die dreigende jaren het verschil tussen leven en dood afhing van toevalligheden. Van een positief antwoord op een brief naar Nederland bijvoorbeeld. In het boek staan twee brieven van vluchtelingen die om humanitaire redenen wél mochten komen, en overleefden.
Zo vaak werd het lot van de opgejaagde Joden bepaald door de moed of de barmhartigheid van onbekenden. Zo wist de jongste zoon van briefschrijfster Feige Bisseleches met vrouw en kind vanuit Wenen te ontkomen naar Frankrijk. In de trein kwam hij een Duitse soldaat tegen, die onverwachts zijn leven redde. ‘Ik heb een kleine jongen, net zoals jij in Wenen’, zei de soldaat hem. ‘Ik wil hier helemaal niet zijn.’
De familie Cholobel uit Polen overleefde in een dorpje vlak bij Venetië door hun vriendschap met de man bij wie ze te werk waren gesteld. Hij slaagde erin om ze uit de gevangenis te krijgen, kort voordat alle Joodse gevangenen op transport gingen naar concentratiekampen.
Max en Karoline Krakauer uit het Duitse Leipzig probeerden na de afwijzing uit Nederland tevergeefs weg te komen naar de Verenigde Staten, naar Trinidad en naar Australië. Ze doken uiteindelijk onder in hun eigen land en haalden de bevrijding. Dankzij 66 onderduikgevers.
‘Mijn vader heeft tot nu toe alleen maar goede dingen gedaan’, schreef de 13-jarige Ilse Bressler op 12 januari 1939 aan het Comité voor Joodsche Vluchtelingen. Haar korte briefje zat bij de smeekbede van haar moeder Gisela, die uitlegde dat haar man Salomon tijdens de Kristallnacht was opgepakt en naar concentratiekamp Dachau was gebracht. Hij zou alleen vrijkomen als de nazi’s zwart op wit kregen dat hij zou emigreren. ‘Geeft u een dertienjarig meisje alstublieft haar vader terug’, schreef Gisela.
Het briefje van Ilse haalde niets uit, ook voor de Bresslers bleef de grens gesloten. Ze slaagden erin om naar België te vluchten, het enige land in West-Europa dat in 1939 illegaal gevluchte Joden nog een tijdelijke verblijfsvergunning gaf, aldus Pennewaard. ‘Mogelijk omdat 90 procent van de Joodse gemeenschap in België bestond uit Poolse Joden. Immigranten hadden dus vaak al familie in het land, wat de toegang waarschijnlijk vergemakkelijkte.’
De Bresslers hadden een toezegging dat ze naar de Verenigde Staten mochten komen, in België mochten ze hun vertrek afwachten. Maar de boot zouden ze nooit halen. Ilse en haar moeder werden in augustus 1942 naar Auschwitz gedeporteerd, vader Salomon volgde anderhalf jaar later.
Willy Lindwer schetste vorige week tijdens de boekpresentatie hoe snel de deuren eind jaren dertig voor Joodse vluchtelingen op slot waren gegaan. Toegelaten vluchtelingen met onvoldoende bestaansmiddelen waren met terugwerkende kracht ongewenst verklaard. De Nederlandse ambassade in Berlijn kreeg opdracht geen visa meer te verstrekken. Intellectuelen, verenigd in het Comité van Waakzaamheid, spoorden de minister-president aan om zoveel mogelijk slachtoffers van de Jodenvervolging op te nemen. Het haalde niets uit. ‘Hoe actueel is deze oproep uit 1938’, sprak Lindwer.
‘De Joden zagen het ergste aankomen’, zei hij. ‘Hun aangrijpende brieven geven een uiterste poging weer om het vege lijf te redden.’
Van sommige briefschrijvers lukte het historica Pennewaard niet om een portret te schetsen: nergens een nabestaande te vinden, geen foto, geen enkele herinnering. ‘Mijn vrouw en ik doen geen oog meer dicht van de zorgen om wat er van ons moet worden’, schreef Nathan Awrutin uit Berlijn in de brief waarvoor hij met zijn laatste geld een postzegel moet hebben gekocht. Die brief is het enige tastbare dat van ze is overgebleven, constateert Pennewaard, ruim 86 jaar later. Nathan bezweek in een buitenkamp van concentratiekamp Natzweiler, zijn vrouw en zoontjes werden vermoord in Auschwitz.
Toch staat zijn brief in het boek. Omdat de paar zinnen die hij op papier zette symbool staan voor wat er met zoveel vermoorde Joden is gebeurd. Van hen is er niets meer over, behalve hun naam op een transportlijst.
Willy Lindwer en Aline Pennewaard: ‘Ik weet me geen raad’ – Wanhoopsbrieven van Joodse vluchtelingen, 1938-1939. Uitgeverij Balans; € 23,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant