Kunstenaar Marleen Sleeuwits, die sinds vorige week exposeert in het Fotomuseum in Den Haag, laat zich in haar werk inspireren door alles wat nét afwijkt van de norm. Maar ook doodnormale plekken als zwembadkleedhokjes of een basketbalveld kunnen haar bevreemden.
‘Dit is echt mijn eigen universum’, zegt kunstenaar Marleen Sleeuwits terwijl ze rondleidt in haar atelier in Den Haag. Op de deur hangen foto’s van haar kinderen, in de hoek staat een comfortabele bank en de kast staat vol met mallen, gipsplaten, lijsten en spiegels. Dat zijn terugkerende elementen in haar werk. Aan de overzijde van de kamer staat een enorme werktafel met ingelijste, felgekleurde prints en geribbelde afgietsels van systeemplafonds. Al deze dingen gaan een plek krijgen in Sleeuwits’ expositie Enter the Cube, die tot begin mei te zien is in het Fotomuseum Den Haag.
Onze gids dit weekeinde is een rubriek in Volkskrant Magazine waarin een bekend persoon (op velerlei terreinen) uit binnen- of buitenland ons gidst langs zijn of haar favorieten.
Toen het museum haar vroeg een installatie te maken gebaseerd op een werk uit hun collectie, moest ze even slikken. Of nou ja, ‘het begon met enorme paniek’, vertelt ze. ‘Het Fotomuseum is onderdeel van het Kunstmuseum en daar ligt een collectie van ruim 160 duizend fantastische werken. Waar begin je dan?’
Van huis uit is Sleeuwits fotografe. Ze studeerde in 2005 af aan de St. Joost School of Art & Design in Breda en begon met het fotograferen van generieke ruimten. Winkelcentra, vliegvelden, metrostations, parkeergarages. In de jaren na haar afstuderen reisde ze met haar foto’s de wereld over.
Ze exposeerde op festivals en in galeries in Engeland, Italië, Tsjechië, Zuid-Korea en de Verenigde Staten en in 2012 verkoos het Amsterdamse fotografiemuseum Foam haar tot talent van het jaar.
Ondertussen ontwikkelde haar kunst zich steeds meer door. Ze bouwde installaties in de ruimten die ze fotografeerde. Met grote bouwwerken, lichtobjecten en felle kleuren bakende ze gebieden af, om dat vervolgens weer te fotograferen.
Nu maakt Sleeuwits vooral driedimensionale installaties waar je doorheen kunt lopen. Muren en vloeren behangt ze met uitvergrote foto’s, prints, mallen en spiegels. De constructies zijn altijd innig verwikkeld met de architectuur van de plek waar ze zich bevinden. Ze construeert nieuwe werkelijkheden. Werelden waar iets nét raar is, waar elk hoekje een ander perspectief geeft. Alles om de toeschouwer te desoriënteren.
Toen ze zich begin vorig jaar verdiepte in de enorme collectie van het Kunstmuseum, was ze er toch snel uit met welke kunstenaar ze in zee wilde gaan. Ze koos voor het werk van de Amerikaanse minimalist Sol LeWitt.
‘Ik zag zo veel overeenkomsten tussen ons werk’, zegt Sleeuwits. ‘Veel van zijn ideeën beginnen heel simpel en rationeel. Als ik een kubus heb en ik neem elke keer een rib weg, hoeveel variaties kan ik dan maken? Maar als je die kubussen dan achter elkaar plaatst en een beetje met het perspectief speelt, krijg je een heel complexe wereld, vol doorkijkjes en lijnen.’
De ruimte in het Fotomuseum waar de expositie terecht zou komen, was het volgende cadeautje, zegt Sleeuwits. Er staan enorme pilaren, compleet onlogisch over de ruimte verdeeld, die ze gebruikte als het begin van de kubusvormen van LeWitt. Ze maakte afgietsels van de pilaren en zette die om in kleurrijke fotografische prints waarmee de vlakken van de kubussen worden behangen. Het resultaat is een ruimtevullend en kleurrijk lijnenspel, waar de bezoeker zich straks, hopelijk, compleet in kan verliezen. ‘Ik hoop dat je rondloopt en denkt: yes, nu snap ik hoe die ruimte werkt! – om vervolgens weer verder te lopen en te denken: hè?!’
Inspiratie voor haar werk haalt ze uit het dagelijks leven, en dan vooral uit de ruimten waarin ze zich elke dag bevindt. Het basketbalveld waar haar zoon vier keer per week traint of de weeïg blauwgroene verkleedhokjes in het zwembad waar haar kinderen zwemles hebben. ‘Van die grafisch vormgegeven ruimten die tussen mooi en lelijk in zitten en altijd een beetje vervreemdend zijn.’
Zo komt een gesprek met Sleeuwits altijd uit op gekke plekken. Waar komt die obsessie toch vandaan? Zit het ’m in de herhaling en de systematiek van het lijnenspel op het basketbalveld, de rij kleedhokjes in het zwembad, eindeloze loopbanden in vliegveldterminals, lange donkere gangen in parkeergarages?
Misschien zijn het wel plekken die ons iets kunnen vertellen over hoe we ons als mens in een systeem bevinden. ‘Hoe we allemaal door hetzelfde molentje gaan, met dezelfde ervaringen. De mens als radertje in een soort wereld die als een machine opereert. Daar ben ik onbewust veel mee bezig, denk ik.’
‘Dit boek werd me aangeraden door vrienden. Het is een gesprek tussen beeldend kunstenaar David Hockney en kunstcriticus Martin Gayford. In elk hoofdstuk stellen ze een nieuwe vraag: ‘Wat gebeurt er als we de werkelijkheid in twee dimensies proberen uit te drukken?’ ‘Hoe vangen makers van beelden beweging?’ ‘Wat maakt vormen op een plat oppervlak interessant?’
Er worden zoveel slimme dingen gezegd dat je er echt doorheen vliegt en er zitten geweldige beelden in. Ik heb er denk ik wel twintig of dertig briefjes in gestopt bij dingen die ik wil onthouden. Ik heb helemaal geen enorme bagage aan kennis over hedendaagse kunst of over klassiekers. Voor achtergrondkennis beland je dan vaak bij filosofische boeken en artikelen en het is soms zo moeilijk om je daar doorheen te knagen. Dit boek is daarom een verademing.’
‘Het oeuvre van Haruki Murakami is heel surrealistisch en niet altijd makkelijk om te lezen. Soms begrijp je niet meteen hoe iets in elkaar zit en moet je echt even je best doen om in het verhaal te komen, maar daardoor blijf je er ook langer over nadenken. Bij mij kan er ineens weken later nog een kwartje vallen. Ik vind het vooral heel mooi hoe hij plekken en gebouwen beschrijft, op een magische manier. Ze spelen een rol, als een soort personage. Je krijgt het gevoel dat ze leven en spreken. Ik kan me dan helemaal voorstellen hoe zo’n plek eruitziet. Ik denk sowieso meer in beelden. Soms is het moeilijk om woorden te vinden voor een gevoel dat ik in mijn kunst wil overbrengen. Murakami doet dat dan voor me.’
‘Ik kon niet kiezen tussen Anderson, Tati en Van Warmerdam. Bij alle drie is elk detail uitgedacht. Alle decors zijn speciaal voor de film gemaakt en gebouwd. Elk materiaal, elk hoekje, elk rekwisiet. Daardoor krijgen de films iets heel magisch en onwerkelijks.
Het bos in De Noorderlingen van Alex van Warmerdam bijvoorbeeld. Alsof het voor de film is geplant. Of de kantoorhokjes in Jacques Tati’s Playtime. Niet alleen de verhalen, ook de decors zijn vervreemdend. Er klopt telkens iets nét niet. Het inspireert me voor mijn werk. Dat iemand de moeite neemt om elk detail naar zijn hand te zetten en dat dat zijn vruchten afwerpt. Niets is er zomaar en niets is er voor niets.’
‘Deze podcast luisteren we vaak in de auto met de kinderen. De titel dekt de lading volledig. Er worden elke week de meest uiteenlopende artikelen van Wikipedia besproken. Over het ‘nocebo-effect’, een beetje het tegenovergestelde van het placebo-effect, waardoor mensen denken dat ze iets meemaken of voelen. Bijvoorbeeld mensen die allergisch zijn voor rozen en dan een allergische reactie krijgen van een plastic roos. Of over hoe vulkaanuitbarstingen in Indonesië misschien wel hebben bijgedragen aan het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog. Of over kreeftenbloed, dat wordt gebruikt voor het testen van medicijnen en heel kostbaar is, maar heel precies moet worden afgetapt zodat de kreeft nét niet doodgaat. Dat soort onderwerpen vind ik heerlijk. Daar kan ik me helemaal in verliezen.’
‘Ik heb al veel soorten stanleymesjes uitgeprobeerd. Ik denk dat er wel tien voorgangers van dit mesje zijn. Ik heb een la vol afdankertjes. In mijn fotoprints maak ik vaak insneden. Dan moet je heel precies kunnen werken. Dit is gewoon het allerbeste mesje ooit. Het heeft een heel scherp en klein puntje, waardoor je mooie rondingen kunt maken en nauwkeurig kunt snijden.
‘Voor de expositie in het Fotomuseum heb ik pilaren gefotografeerd en insneden in die prints gemaakt. Eindeloos veel, honderden. Al die lijntjes heb ik geaccentueerd met zo’n mesje. Het is heel manisch eigenlijk. Allemaal met de hand uitgesneden. Mijn stagiairs vragen dan of we de prints niet gewoon op elkaar kunnen leggen, om die insneden dubbel te doen. Dat vind ik valsspelen. Misschien is dat onzin, maar ik hou ook van dit soort werk. Dat repetitieve. Een soort meditatie.’
‘Op de fiets richting mijn atelier kom ik langs een wijk met een stuk of tien Poolse supermarkten. Daar ga ik weleens naar binnen om rond te struinen en dan ben je me minimaal drie kwartier kwijt. Je vindt er allerlei rare dingen. Een daarvan kon ik nog in de keukenla vinden: vegan pudding. Helemaal niet lekker, maar wel erg leuk om te maken met de kinderen. Dan moet je dus eerst die hele verpakking vertalen en dan eindig je met iets heel raars.
Het leukste vind ik hoe al die verpakkingen eruitzien. De kleuren en de vormen. Laatst vond ik bijvoorbeeld een wijnfles in de vorm van een haan. Dat is natuurlijk het ultieme cadeau als je naar een feestje gaat. Alles wijkt nét af van de norm. Ik kan daar ook geïnspireerd van raken, van de esthetiek van de verpakking.’
‘Ik zie meestal veel te weinig, maar Hoogtij is de perfecte kans om in een keer heel veel kunst te zien. Allerlei ateliers en galeries in Den Haag openen voor één avond hun deuren. Je loopt heen en weer tussen vage kunstenaarsinitiatieven in afgelegen steegjes en grote galeries met gerenommeerde kunstenaars. Dat contrast is geweldig. Ik vind vooral die kleine plekjes heel inspirerend om te bezoeken. Mensen die net van de academie komen, bij wie het werk nog niet helemaal gepolijst en perfect is. Ik zou een rondje doen in de buurt van de Boekhorststraat. Daar zitten bijvoorbeeld Das Leben am Haverkamp, ...ism, 1646 en Dürst Britt & Mayhew. Vijf minuutjes lopen en je bent alweer op de volgende plek. Den Haag is wat dat betreft echt een dorp. Het is de perfecte plek om kunst te zien, te socializen en een biertje te drinken.’
‘Ik was deze zomer in Arles, voor een jaarlijks terugkerend fotofestival Les Rencontres d’Arles. Dat is ook een aanrader trouwens. Ik ben normaal niet enorm geïnteresseerd in alleen maar fotografie, maar het niveau daar is erg hoog. En je komt op de gekste plekken in de stad. Er waren exposities in crypten onder de stad, in supermarkten, in grote musea en op een dak.
Ik zag daar een expositie van vrouwelijke Japanse fotografen tussen de jaren vijftig en nu. Toen wist ik al dat die expositie tegelijk met mijn expositie in het Fotomuseum in Den Haag zou staan en daar ben ik superblij mee. Alle werken zijn verschillend en de verzameling laat echt een ander beeld van Japan zien. Ik kende wat Japanse fotografie betreft eigenlijk alleen maar foto’s van Nobuyoshi Araki, waarop allemaal vastgebonden vrouwen te zien zijn. Maar hierbij komt de vrouwelijke blik duidelijk naar voren. Deze foto’s zijn veel persoonlijker en er wordt vrij gebruikgemaakt van het fotografisch medium. Het is fotografie als een vorm van zelfexpressie.’
‘In Arles zit ook het Luma Museum. Na een lange dag op het fotofestival dachten we: daar gaan we ook nog even heen. Maar dat blijkt dus enorm te zijn. De volgende ochtend ben ik in mijn eentje teruggegaan en toen zag ik een installatie van de Zuid-Afrikaanse kunstenaar William Kentridge, Je n’attends plus. Het werk gaat over segregatie in Zuid-Afrika. Meestal vind ik politieke kunst waar de boodschap dik bovenop ligt saai, omdat het zo eendimensionaal kan zijn. Maar dit was echt een totaalervaring. Alles bewoog. Het was visueel enorm overweldigend. Kentridge maakt een soort collage-achtige films die door een hele ruimte worden geprojecteerd. Dit was een optocht van mensen die allemaal verhalen vertelden. De projectie moet meer dan 100 meter lang zijn geweest. Je hebt dat visuele deel en daarnaast voel je de beladenheid van de politieke boodschap. Elke keer dat je kijkt, zie je weer meer. Kentridge was echt dé ontdekking van het jaar.’
23 juni 1980 Geboren in Enschede
1997-2001 Bachelor in fotografie aan de Royal Academy of Art in Den Haag
2003-2005 Master in fotografie aan het St. Joost, Breda
2005 Eerste solo-expositie op het Fotofestival Breda
2010 Jeonju Photo Festival, Tranquil dynamism, Zuid-Korea
2012 Verkozen tot Foam Talent van het jaar
2014 Festival International de mode & de photographie, Hyères, Frankrijk
2016 Eerste fotoboek, On the Soft Edge of Space, wordt gepubliceerd
2018 NOT the Actual Site, Contact Photo Festival Toronto, Canada
2019 Winnaar Meijburg Art Commission
2021 Isomatrix, solo-expositie in de Kunsthal Rotterdam
2022 Solo-expositie in Centre Photographique in Rouen, Frankrijk
18 januari t/m 5 mei 2025 Solo-expositie in Fotomuseum Den Haag, Enter the Cube. Aansluitend staat er een installatie aan de Hofvijver in Den Haag, tijdens het Spiegelfestival
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant