Schrijver Ton van Drunen sodemieterde een roman of zeven in een stortkoker: niet goed genoeg. Zijn succes kwam pas later, onder het pseudoniem Tomas Lieske. Zaterdag krijgt Lieske (81) de Constantijn Huygensprijs uitgereikt.
schrijft voor de Volkskrant over Nederlandstalige literatuur.
Beethoven duikt op in de cabine van een duizelingwekkend hoge torenkraan in de Arabische woestijn. Shakespeare ontmoet Caravaggio in een kroeg in Rome in het begin van de zeventiende eeuw. De kleine Benjamin wordt door een stel rotjongens vastgeklonken in het veenlijk van een ruiter op de rug van een paard.
Dit zijn wonderlijke, schilderachtige scènes uit het literaire universum van Tomas Lieske. Zaterdag krijgt hij de jaarlijkse, prestigieuze Constantijn Huygens Prijs van de gemeente Den Haag uitgereikt voor zijn gehele oeuvre, waarin volgens de jury ‘de taal fonkelt, de nieuwsgierigheid bloeit en de verbeelding wordt gevierd’.
Verbeelding en werkelijkheid staan op gespannen voet met elkaar in zijn romans, verhalen, essays en gedichten. Het gaat Lieske er niet om de realiteit weer te geven, na te bootsen of na te vertellen. Hij streeft er ook niet naar om een psychologisch kloppend portret te schetsen van iemand, en al helemaal niet van zichzelf.
‘De literatuur wil associatie,’ schreef Lieske in zijn essaybundel De achterste kamer. ‘Het tot stand brengen van verbanden die nog niet bestonden, een andere kijk op het leven en op de wereld. De schrijver werkt niet met psychologische handboeken maar met innerlijke muziek, met woorden en met beelden.’
Tomas Lieske werd als Ton van Drunen geboren op 8 juni 1943 in Den Haag, als oudste zoon van een huisschilder en een huisvrouw. ‘Mijn vroegste herinnering: een open raam in de Kempstraat waar ik het vulpotlood van mijn moeder door naar buiten smeet.’
Hij groeide na de oorlog op tussen de brokstukken van het bombardement van 3 maart 1945 op de Haagse Bezuidenhout. Hij beschouwde ‘het puin’ als een fantastisch en geheimzinnig speelterrein, ‘een gebied dat zich in mij wild heeft voortgezet’.
Lezen werd thuis niet gewaardeerd, toch kroop het bloed waar het niet gaan kon. Hij ging Nederlands studeren in Leiden en studeerde af op het werk van Simon Vestdijk, met wie Lieske zich als schrijver volgens de jury van de Constantijn Huygensprijs ‘zo niet in omvang, dan wel in reikwijdte, vormbeheersing en soortelijk gewicht kan meten’.
Toch debuteerde Lieske pas relatief laat, in 1987, op zijn 34ste, met de dichtbundel De IJsgeneraals. Hij schreef al vanaf zijn 18de, schilderde ook, maar liep jarenlang vast. Het werd niet goed genoeg. Op een dag sodemieterde hij samen met zijn vrouw Nan de oogst van de eerste ploeterjaren, aan repen gesneden doeken en een roman of zeven, in de stortkoker van de flat waar zij toen woonden. ‘Ik moest van de hele boel af. Ik ben iemand van je schepen verbranden.’
Vanaf dat moment voorzag hij zichzelf van dat pseudoniem: ‘Tomas’ zonder ‘h’, omdat hij geen associatie wilde met de ongelovige apostel, en ‘Lieske’ als eerbetoon aan Lucebert, die de naam gebruikt in het gedicht ‘Die Rigoryei’. Hij begon een nieuw leven, nam zelfs de telefoon op met zijn nom de plume. ‘In het begin voelde ik wel dat iedereen dat belachelijk vond. Aanstellerij. Maar ik had die nieuwe identiteit als schrijver nodig.’
Als Tomas Lieske slaagde hij wél. De verhalenbundel Oorlogstuinen kreeg de Geertjan Lubberhuizen prijs voor het beste debuut, en de roman Franklin – over een verschoppeling met destructieve neigingen die er door zijn rijke fantasie de moed in weet te houden – werd bekroond met de Libris Literatuurprijs 2001. De dichtbundel Hoe je geliefde te herkennen, vol verrassende minnelyriek, kreeg in 2006 de VSB Poëzieprijs.
Zijn romans schrijft Lieske, na maanden piekeren, in eenzame afzondering in een buitenlandse stad. Voor Franklin en Gran Café Boulevard huurde hij een appartement in Parijs, aan Dünya werkte hij anderhalf jaar lang in Berlijn. ‘Dat is de enige manier om in de huid van mijn personages te kruipen. Je kunt de dag niet bepalen waarop je een briljant idee krijgt, maar je kunt wel de omstandigheden scheppen.’
Om zijn verzonnen verhaal authenticiteit te verlenen, documenteert Lieske zich uitgebreid. Voor Gran Café Boulevard, deels spelend in het Zuid-Hollandse polderlandschap waar hij als jongen al doorheen fietste, verdiepte hij zich in het boerenleven en het kweken van vleermuizen. En in de beroemde modefotograaf Erwin Blumenfeld, die zijn model Lisa Fonssagrives bovenop de transen van de Eiffeltoren liet poseren.
Dünya begonnen met de vraag: hoe zou het zijn om een dochter te hebben? Lieske verplaatste vervolgens de vader en de dochter naar een andere tijd en plaats: Turkije aan het begin van de vorige eeuw. ‘Wil ik Dünya in een straat in Istanbul laten lopen, in 1930, dan moet ik de winkels in die straat kennen, weten hoe de etalages eruit zagen, welke parfums ze in die tijd verkochten, waar de cafés lagen. Dat heb ik allemaal nodig om in haar wereld te komen.’
Daarna komt het erop aan. Dan zet Lieske alles naar zijn hand, laat plotlijnen botsen, en zorgt ervoor dat elke zin een ander afwijkend ritme heeft. Zijn dichterlijke kwaliteiten kruipen in zijn proza, zijn taal krijgt een magische gloed, is dreigend en aanlokkelijk tegelijk. ‘Geen lof te hoog voor een rijke taal. In taal mag alles en moet niets. Liever fantasie dan regels. Ik wil de taal in al zijn facetten gebruiken. Ik mag nergens voor terugschrikken.’
In Alles kantelt komt een man op straat zijn jongere zelf tegen. Letterlijk. Vervolgens gaat hij met het jongetje dat hij ooit was op reis naar Berlijn. Daar vertelt het jongetje hem alles over zijn jeugd. ‘Ik weet dat hij diep in zijn hart geen jota gelooft van mijn verklaring dat we dezelfde persoon zijn. Ik heb bewijzen; hij moet het allemaal nog meemaken. Zijn verhalen worden gekleurd door zijn enthousiasme en uit zijn ongeloof vloeit een schat aan details.’ Dat is wat er gebeurt als je Tomas Lieske leest: alles kantelt.
3x Tomas Lieske
‘Ik schrijf niet om een persoonlijk trauma te verwerken. Literatuur is een wereld creëren en niet de wereld nabootsen of beschrijven.’
‘Even hardnekkig als het misverstand dat een roman de gelegenheid moet bieden aan de lezer om zich met een van de personages te identificeren, is het misverstand dat een roman beter is naarmate de stof sterker overeenkomt met de avonturen of de belevenissen van de auteur. Het zou met mijn romankunst armzalig gesteld zijn.’
‘Gelooft u mij, ik heb nooit enig avontuur beleefd dat de moeite van het navertellen waard is, uitgezonderd misschien die ene keer dat ik wegens verboden wapenbezit door de politie ’s nachts uit de trein werd gepikt. Maar juist dat avontuur is nooit literatuur geworden, ook niet in de roman over de jongen die mij dat pistool overhandigd heeft, Franklin.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant