Toneelregisseur Johan Doesburg is vrijdag op 69-jarige leeftijd overleden aan de gevolgen van longkanker. Doesburg stond bekend als een maatschappelijk betrokken theatermaker die controversen niet uit de weg ging.
schrijft voor de Volkskrant over toneel en musical.
Het was bijna een vertrouwd beeld: Johan Doesburg, afgezonderd op een bankje, buiten een sigaret rokend. Die middag was in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag het boek Gedeeld Leven van Erik Vos gepresenteerd, en Doesburg behoorde daar als collega en vriend van de Haags theatermaker tot de gasten.
Vrijdag is Johan Doesburg aan de gevolgen van longkanker overleden. Hij was 69 jaar oud. Negen jaar geleden werd de ziekte geconstateerd, tot zijn eigen verbazing sloeg de behandeling aan en heeft hij nog lange tijd kunnen leven en werken. Toen er onlangs complicaties werden geconstateerd, besloot hij verdere behandeling te staken.
Met het nodige rumoer stapte Johan Doesburg direct na het volgen van de regieopleiding aan de Theaterschool in Amsterdam het Nederlandse theater in. Als afstudeervoorstelling had hij gekozen voor Het vuil, de stad en de dood, het door sommigen als antisemitisch bestempelde toneelstuk van Rainer Werner Fassbinder. Die keuze leidde tot felle nationale protesten en debatten, de Joodse gemeenschap voelde zich geschoffeerd, acteur Jules Croiset organiseerde bij wij van protest een zelf-ontvoering. Resultaat: Doesburgs naam was in één klap gevestigd.
Overigens was hij toen al 32 jaar (hij begon pas laat aan zijn regieopleiding) en het gaf hem meteen het imago van enfant terrible, dat het theaterbestel wel even op zou schudden. Dat is hem ook gelukt, vooral door een aantal voorstellingen die hij maakte bij het Nationale Toneel in Den Haag waar hij van artistiek leider was.
Voordat hij het Haagse gezelschap leidde, regisseerde hij een aantal voorstellingen bij Toneelgroep Amsterdam, waaronder Mein Kampf en Vastgoed BV. Zijn debuut in 1993 bij Het Nationale Toneel werd meteen een doorslaand succes: Decadence van Steven Berkoff met Gijs Scholten van Aschat en Jacqueline Blom was een publiekshit. Een jaar later werd hij artistiek leider van het gezelschap, een taak die hij in 2011 overdroeg aan Theu Boermans; Doesburg bleef als huisregisseur tot 2015 werkzaam in Den Haag.
Tot zijn beste voorstellingen bij Het Nationale Toneel behoren onder meer Mystiek Lichaam naar de roman van Frans Kellendonk, Het Huis van Bernarda Alba van Garcia Lorca, Phèdre van Racine en De Prooi naar het boek van Jeroen Smit over de ABN-Amrobank. Los van het repertoiretoneel dook hij ook de stad zelf in. Dat resulteerde in voorstellingen als Hollands Spoor en Retour Hollands Spoor.
In zijn werk toonde hij een bovenmatige interesse in onderwerpen als macht, machtsmisbruik en machtsstructuren, zowel in politiek-maatschappelijke zin alsook in menselijke relaties. Niet alles lukte, dat kan ook niet als je zo’n werklust hebt, die soms tegen het bezetene aan schuurde.
Kritiek was er soms op het onaffe van een productie, of op het vrouwbeeld erin (nogal wat actrices liepen in zwarte lingerie rond, of soms minder). Maar door de tijd heen kwam Doesburg meer tot rust en bezinning. Zijn afscheidsvoorstelling bij het Nationale Toneel werd een zinderende theaterbewerking van het bijbelboek Genesis, opgevoerd in het Zuiderstrandtheater bij Scheveningen. ‘Genesis is een theatermarathon van pakweg vijf uur, zit vol sprankelende teksten en heldere scènes en goed spel’, zo stond in de recensie in deze krant.
Die goede spelers had Doesburg altijd om zich heen. ‘Ik hou van acteurs. Los van de nukken en de gebruiksaanwijzing die ze allemaal hebben, zijn het sensitieve mensen een rijke verbeelding’, zei hij daarover in een interview in deze krant. Hij werkte onder anderen met Hans Croiset, Jeroen Willems, Ariane Schluter, Anne-Wil Blankers en Hannah Hoekstra.
Controverse is Doesburg nooit uit de weg gegaan. Zo waagde hij zich in 2002 opnieuw aan Fassbinders Het vuil, de stad en de dood, dat toen geen ophef veroorzaakte. Ook maakte hij de productie Volkert van der G en Mohammed B, waarin hij de moordenaars van Pim Fortuyn en Theo van Gogh elkaar liet ontmoeten.
Bij zijn afscheid in Den Haag zei hij daarover in deze krant het volgende: ‘Voorlopig hoef ik even helemaal niets, en ik snak naar vrijheid. Ik zou les kunnen gaan geven en ik zou natuurlijk zelf iets kunnen initiëren, maar op dit moment ben ik er niet mee bezig. Als het helemaal fout gaat, verkoop ik mijn huis en trek ik bij mijn geliefde in. Of ik trek me terug in Drenthe en begin daar een amateurtheatergroep die de beste van Nederland wordt. Of een tweedehands boekwinkeltje op Kreta. Ze hebben daar enorme schulden, maar de zon schijnt er elke dag. Dan moet de materie zich maar aanpassen aan de geest.’ De afgelopen jaren regisseerde hij nog een aantal vrije producties, waaronder een memorabele Who’s afraid of Virginia Wolf? met Carine Crutzen en Warre Borgmans.
Does – zo noemden zijn vrienden en collega’s hem – de man met de eeuwige hoed en de altijd wapperende haren eronder. Een rebelse, maatschappelijk betrokken theatermaker, met een uitgesproken mening, scherp en aimabel tegelijk, die toch ook altijd een beetje een kwajongen is gebleven.
Op de rouwkaart staat een citaat uit Hamlet:
‘Aangezien geen mens, wanneer hij gaat,
iets weet van wat hij achterlaat, waarom dan niet bijtijds gegaan?
Genoeg.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant