Home

De doorstroomtoets die moest zorgen dat leerlingen op het juiste niveau terechtkomen, bereikt vaak juist het tegenovergestelde

Maandag gaan basisschoolleerlingen weer zitten voor hun doorstroomtoets, die is ingesteld om kansenongelijkheid te verminderen. Na één jaar blijkt het tegenovergestelde het geval, laat onderzoek van de Volkskrant zien. Veel kinderen worden te hoog ingeschaald en kunnen niet meekomen, met grote gevolgen voor hun zelfvertrouwen.

zijn nieuwsverslaggever (met name over onderwijs) en Noord-Nederland-verslaggever van de Volkskrant.

Een brugklascoördinator merkt in de zomer van 2024 iets vreemds op: zijn middelbare school in Rotterdam heeft een recordaantal aanmeldingen. ‘Zelfs zo veel dat we voor het eerst in lange tijd hebben moeten loten’, schrijft hij in een mail aan de Volkskrant. Met name de havo-vwo-klassen worden overspoeld. Dertig leerlingen zijn noodgedwongen uitgeloot.

Hij heeft wel een idee waar deze plotselinge hausse vandaan komt: groep 8-leerlingen maakten in februari voor het eerst de doorstroomtoets. Die verving de oude eindtoets (beter bekend als de Cito-toets) en heeft tot doel om de kansengelijkheid in het onderwijs te vergroten. Niet iedere leerling komt namelijk terecht op het meest gepaste leerniveau, is gebleken uit diverse onderzoeken. Met name meisjes, leerlingen met een migratieachtergrond en plattelandskinderen werden structureel onderschat.

De ‘objectieve’ doorstroomtoets moet dat corrigeren. Niet langer is het oordeel van de leerkracht bepalend voor het middelbareschooladvies. Basisscholen zijn nu bovendien verplicht om ‘kansrijk’ te adviseren: het voorlopige schooladvies in principe naar boven bij te stellen als het resultaat van de doorstroomtoets daartoe aanleiding geeft.

Op de middelbare school in Rotterdam vertalen de ‘kansrijke’ adviezen zich in het recordaantal aanmeldingen voor de ‘hogere’ niveaus. Dat lijkt op het eerste oog positief, voor zowel de school als de leerlingen – en niet te vergeten hun ouders, die ‘het beste willen voor hun kind’.

Maar de brugklascoördinator is er niet gerust op, blijkt als de Volkskrant hem vlak voor de kerstvakantie opnieuw benadert. ‘Veel leerlingen, vooral op de havo, hebben dit jaar moeite met het niveau’, constateert hij. ‘De kans is groot dat veel van hen het niet gaan redden en dus moeten afstromen naar mavo 2.’

Weinig fiducie

Maandag beginnen de eerste van zo’n 175 duizend groep 8-leerlingen aan de tweede editie van de doorstroomtoets. Kakelvers nog, maar een meerderheid van de Tweede Kamer en de belangenorganisatie van basisscholen wil er alweer van af. Ze hebben er weinig fiducie in dat leerlingen door het nieuwe systeem daadwerkelijk beter tot hun recht komen. Sterker, ze vrezen dat een deel van hen met verkeerde verwachtingen over hun toekomst wordt opgezadeld. Dat ze zullen ploeteren op school, ‘afstromen’ naar een ander niveau en een deuk oplopen in hun zelfvertrouwen.

Hoe kon een ogenschijnlijk zo goedbedoelde onderwijsinnovatie zo snel op een mislukking afstevenen? Afgelopen jaar onderzocht de Volkskrant de belangrijkste sorteermachine in het Nederlandse onderwijssysteem. Onder meer door te spreken met mensen uit het onderwijsveld, toetsexperts te raadplegen en door met een beroep op de Wet open overheid (Woo) correspondentie op te vragen tussen het College voor Toetsen en Examens, toetsaanbieders en het ministerie van Onderwijs.

Daaruit komt het beeld naar voren van een minister (inmiddels staatssecretaris) die krampachtig vasthoudt aan het ideaal van kansengelijkheid, maar hiervoor een instrument ter hand heeft genomen dat ernstige gebreken kent.

Zorgen hierover worden weggewuifd. Steevast wordt verwezen naar analyses die volgens het ministerie gelden als bewijs dat de toets werkt, maar waarvan de onderbouwing volgens experts flink te wensen overlaat.

Tegelijkertijd raakt het overbelaste onderwijsveld steeds gefrustreerder. Dit is de zoveelste onderwijsinnovatie op rij waar het gehoor aan moet geven. Een operatie die bovendien miljoenen euro’s kost, geld dat in zijn ogen beter kan worden besteed.

Pluriform stelsel

Anders dan het woord doet vermoeden, is er niet één doorstroomtoets. Scholen kunnen kiezen uit acht versies van zes (commerciële) aanbieders. Ze meten weliswaar allemaal de taal- en rekenvaardigheden van leerlingen, maar verschillen in opzet. Zo is de ene toets taliger of beeldender dan de ander. Ook zijn er papieren en digitale varianten.

Sinds 2015 bestonden er al meerdere eindtoetsen. Dat pluriforme stelsel kwam er op verzoek van de Tweede Kamer. Die wilde zo de machtspositie van Cito (tot dan toe een monopolist) verkleinen en tegemoetkomen aan de vele onderwijstypen in Nederland. Met verschillende toetsen zou een toetsresultaat bovendien minder snel een heilige status krijgen, was het idee. Voortaan was het advies van de leerkracht doorslaggevend. Op basis daarvan meldden leerlingen zich aan voor een middelbare school. Daarop volgde de toets, als second opinion.

Maar nu de doorstroomtoets (die eerder in het jaar wordt afgenomen) zo bepalend is dat scholen hun advies erdoor moeten aanpassen, is het cruciaal dat de toetsresultaten van de verschillende aanbieders vergelijkbaar zijn.

En juist daaraan wordt getwijfeld, sinds in maart vorig jaar de eerste uitkomsten naar buiten zijn gekomen.

Jubelstemming

Net na afname van de eerste editie van de doorstroomtoets heerst er op het ministerie van Onderwijs nog een jubelstemming. De doorstroomtoets zal leiden tot eerlijkere kansen, is de overtuiging van Mariëlle Paul (VVD), op dat moment nog minister voor Primair en Voortgezet Onderwijs. ‘Alle leerlingen die op een plek komen die voldoende uitdaging biedt, krijgen vleugels’, zegt ze in een interview met de Volkskrant.

Maar van die optimistische stemming is twee weken later weinig meer over. In diverse media verschijnen berichten waarin leerkrachten en schoolleiders hun zorgen uiten over de in hun ogen onverklaarbare resultaten. Ze pakken veel hoger uit dan op basis van eerdere prestaties van een leerling kan worden verwacht – of juist veel lager. Dat lijkt afhankelijk van de gekozen toets.

Zorgen uit het onderwijsveld

Misha Berlijn, directeur-bestuurder van de Wilhelminaschool in Helmond, vertelt aan de Volkskrant dat hij wel drie keer moest knipperen toen hij de resultaten bestudeerde. Zo’n 30 procent van de groep 8-leerlingen had de toets beter gemaakt dan verwacht. Bij vijf andere scholen in de stad waarmee hij geregeld samenwerkt, bleek ditzelfde beeld op te gaan voor nagenoeg de helft van de leerlingen. ‘Ongekend’, vindt hij.

De zorgen uit het onderwijsveld bereiken ook het College voor Toetsen en Examens (CvTE), de instantie die verantwoordelijk is voor de normering en de vergelijkbaarheid van de doorstroomtoetsen. Uit de mails die leerkrachten en schoolleiders aan het CvTE sturen, en die de Volkskrant kreeg via een Woo-verzoek, blijkt dat ze de toetsuitkomsten niet kunnen rijmen met hun eigen inschatting. Ze hebben de leerlingen acht jaar lang intensief gevolgd en mede met allerlei toetsen een goed beeld gevormd van hun niveau. Daarbij houden ze ook oog voor zaken die moeilijk meetbaar zijn, zoals studievaardigheid en motivatie.

Die expertise wordt nu met één toets onderuit geschoffeld. Door een toets, bovendien, waarover grote twijfels bestaan. Argwaan is er vooral over de uitwerking van de nieuwe normering. Waar in voorgaande jaren alle toetsen een eigen norm hadden, is er nu voor het eerst voor alle toetsen één landelijke norm. Ze worden langs dezelfde meetlat gelegd.

‘Eén leerling in mijn klas is ontzettend goed in spelling, zij heeft een percentielscore van 100’, schrijft een groep 8-leerkracht in een mail aan het CvTE. ‘Nu krijgt ze volgens de doorstroomtoets een advies van mavo/havo.’

Een andere docent mailt: ‘De uitslag van de doorstroomtoets is totaal niet naar verwachting. Terwijl eind groep 7 al meer dan de helft van haar leerlingen voor rekenen op het streefniveau zat, zou dat een half jaar later nog maar 37 procent zijn.’

Ook de Onderwijsinspectie fronst de wenkbrauwen bij het analyseren van de uitkomsten. Daarin ziet de inspectie wat ‘gekke dingen’, mailt een medewerker aan het CvTE. ‘De resultaten van de Leerling in Beeld (een van de toetsen, red.) liggen wel veel hoger dan die van de overige toetsen.’ En: ‘Verder valt op dat taalverzorging dit jaar veel slechter is gemaakt dan eerdere jaren.’

De toetsaanbieders zelf

Uit de opgevraagde correspondentie blijkt dat ook de toetsaanbieders zelf ernstig twijfelen en bij het CvTE aan de bel trekken. ‘Wij hebben grote zorgen over de vastgestelde normering’, mailt de directeur van toetsbedrijf AMN. Ook de aanbieders valt op dat bepaalde toetsen aanzienlijk beter uit de bus lijken te komen. ‘Het maakt wel degelijk uit welke doorstroomtoets een school kiest’, concludeert de directeur van de IEP-toets.

Volgens de directeur van het bedrijf achter Route 8 vallen adviezen uit zijn toets ‘vele malen lager uit’ dan de schooladviezen, waardoor sommige leerlingen ‘oprecht in huilen uitbarsten als ze de uitslag zien’. Het ergste is, voegt hij daaraan toe: ‘Veel klanten geven aan geen vertrouwen meer te hebben in de doorstroomtoets.’

De meeste toetsaanbieders laten zich vertegenwoordigen door de brancheorganisatie Media voor Educatie, Vak en Wetenschap (MEVW). Directeur Stephan de Valk stuurt eind april een alarmistische e-mail naar het CvTE over de onwenselijkheid van de ‘grote verschillen tussen de doorstroomtoetsen’. Aanbieders krijgen vragen waarop ze het antwoord schuldig moeten blijven, wat leidt tot onrust op scholen.

‘Deze onrust zorgt ervoor dat er twijfel is in het veld over nut en noodzaak van de doorstroomtoets voor de leerlingen en de scholen; de waarde van het toetsadvies staat ter discussie.’

Maar de toetsaanbieders uiten hun kritiek niet openlijk. Wellicht begrijpelijk: ze zijn onderdeel van het systeem en bovendien commercieel belanghebbend. Ze krijgen jaarlijks elk een half miljoen euro voor het ontwikkelen van een toets, plus 315 duizend euro voor een eventuele digitale variant. Daarbovenop krijgen ze een bedrag per afgenomen toets, aflopend van 45 tot 27 euro per leerling. De totale kosten voor de doorstroomtoets bedragen jaarlijks 8,5 miljoen euro.

Overstappen op een andere toets

Bij de PO-Raad zijn de vele berichten die ze ontvangen van ongeruste en soms ronduit boze schoolbestuurders reden om een eigen onderzoek te doen. De belangenorganisatie van basisscholen legt de verschillende toetsen naast elkaar en vergelijkt de adviezen die eruit rollen. De conclusie is pittig: ‘Uit de resultaten van de doorstroomtoets blijkt dat welke toetsaanbieder de school kiest van invloed is op het advies aan de leerlingen.’

Dit druist juist in tegen het principe van kansengelijkheid waar het allemaal om te doen was, aldus PO-Raad-voorzitter Freddy Weima in een toelichting. Hij wil hierover graag in gesprek met de staatssecretaris, maar ondanks herhaalde pogingen blijft het stil. Opvallend, vindt hij, want op andere thema’s loopt het contact met het ministerie doorgaans soepel.

Dat ook scholen ervan overtuigd zijn dat het uitmaakt welke toets ze gebruiken, blijkt uit hun keuze voor de tweede editie in 2025. Honderden scholen stappen over op een andere aanbieder, staat in een overzicht dat de Volkskrant opvroeg bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). En daarin zit een patroon.

De Leerling in Beeld-toets van marktleider Cito BV, die vorig jaar opvallend ‘goed’ uit de bus kwam met relatief veel vwo-adviezen, krijgt er ruim vijfduizend leerlingen bij. Route 8, de toets die veel wordt gebruikt in het speciaal onderwijs en mede daardoor minder vaak tot havo/vwo-adviezen leidde, wordt juist door honderden scholen afgedankt.

Het ‘shoppen’ voor betere resultaten legt de vinger op de zere plek: ‘hoger’ wordt nog altijd gezien als ‘beter’. Terwijl het hele idee achter de doorstroomtoets juist is dat leerlingen op het niveau terechtkomen dat het beste bij hen past. Of dit nou het vmbo of het vwo is; het zou niets uit moeten maken.

Maar dat doet het blijkbaar wel.

Keerzijde van kansrijk adviseren

De keerzijde van het ‘kansrijk adviseren’ is nog het meest zichtbaar op het praktijkonderwijs en de meer praktisch georiënteerde vmbo-leerwegen. Omdat er door de doorstroomtoets veel minder adviezen voor deze niveaus zijn afgegeven (een enkelvoudig advies voor het praktijkonderwijs is zelfs niet mogelijk) zien de scholen hun leerlingenbestand flink kelderen. Ze hebben 10 tot soms wel 50 procent minder aanmeldingen.

Het praktijkonderwijs in Zutphen (215 leerlingen), waar leerlingen worden klaargestoomd voor beroepen als kok, lasser of kapper, trapte dit jaar af met twee in plaats van drie eerstejaarsklassen.

Nancy Rutgers, teamleider van de onderbouw, durft wel een wedje te leggen dat ze veel van de leerlingen die naar het vmbo zijn gegaan over een paar jaar terugziet in het praktijkonderwijs. Nu al heeft de school te maken met veel zij-instromers vanuit het vmbo, als gevolg van een eerdere maatregel rondom kansrijk adviseren in de coronatijd. De eindtoets kwam toen tijdelijk te vervallen. Om kinderen te compenseren voor de onderwijstijd die ze hadden gemist, kregen leerkrachten van de overheid de opdracht het advies naar boven toe bij te stellen.

Het gevolg hiervan is nu – een paar jaar later – zichtbaar in de vorm van een significante toename in het aantal ‘afstromers’, zowel op de havo als het vmbo. Van vmbo naar praktijkonderwijs steeg het aantal overstappers in 2023 zelfs met een kwart ten opzichte van 2018, blijkt uit de laatste cijfers van DUO.

Volgens Rutgers is dit een voorbode van wat scholen na invoering van de doorstroomtoets te wachten staat. Het eerste jaar komen ze nog wel door, ‘omdat ze aan het handje worden genomen’. Het tweede jaar wordt al lastiger, vanwege de opgebouwde achterstanden. In het derde jaar, als de voorbereidingen voor de examens beginnen, gaat het pas echt mis. ‘Dan komt de klap.’

Een school beslist op zo’n moment dat een kind beter alsnog de overstap naar het praktijkonderwijs kan maken. ‘Maar dan ben je eigenlijk te laat, want vaak is het zelfvertrouwen van deze leerling al beschadigd. Een deel van deze leerlingen komt daardoor gedemotiveerd binnen en moet zijn plek weten te vinden binnen de school. Dat brengt onrust met zich mee.’

Stellig

Naar aanleiding van nieuwsberichten over de uitkomsten van de doorstroomtoets worden er eind maart Kamervragen gesteld. In haar reactie is minister Paul stellig. ‘Het is onwenselijk dat er wordt getwijfeld aan de betrouwbaarheid van de doorstroomtoets’, antwoordt ze. De doorstroomtoets functioneert in de nieuwe opzet juist beter als ‘objectief, tweede gegeven’.

Ze ziet haar gelijk bevestigd als in de zomer het CvTE de definitieve toetsresultaten heeft geanalyseerd. Dat bij ‘maar liefst’ driekwart van de leerlingen het voorlopige schooladvies is bijgesteld, is volgens Paul juist een teken dat het nieuwe systeem werkt.

Weliswaar erkent de staatssecretaris dat er ‘duidelijke verschillen’ zijn tussen de toetsen, maar dat zou volgens haar ook kunnen komen doordat bepaalde scholen kiezen voor een bepaalde toets, omdat die beter aansluit bij hun leerlingenpopulatie. Of vanwege verschillen tussen de papieren of digitale afname van de toets.

Onderbouwing voor deze vermoedens is er echter (nog) niet. ‘Dit onderzoek is complex en vergt een lange adem’, zegt een woordvoerder van het ministerie. Het wordt uitgevoerd door Stichting Cito, de onderzoektak van het toetsinstituut, in opdracht van het CvTE.

Paul blijft ondertussen volhouden dat uit de analyses zou blijken ‘dat de resultaten op de toetsen onderling goed vergelijkbaar zijn’, zo schrijft ze aan de Tweede Kamer. Opvallend: de ‘analyses’ en het ‘onderzoek’ zijn niet in het CvTE-rapport opgenomen, zelfs niet als bijlage.

De Volkskrant vraagt het CvTE om het onderzoek, zonder succes. Het CvTE zegt zelfs niet over de analyses te beschikken, terwijl het er in zijn eigen rapport wel naar verwijst.

Pas na een nieuw beroep op de Woo worden de analyses vrijgegeven. Ze blijken gemaakt door Stichting Cito, tevens voor honderd procent eigenaar van de Cito BV, die de Leerling in Beeld-toets maakt.

Wat meteen opvalt: de analyses blijken al op 21 februari 2024 afgerond, vijf dagen na afname van de toets. Terwijl er al maanden grote onrust heerste op scholen, liggen de berekeningen die volgens het CvTE en de staatssecretaris moeten aantonen dat de doorstroomtoetsen goed vergelijkbaar zijn al vijf maanden op de plank.

Het CvTE laat desgevraagd weten dat het nog in afwachting was van ‘de definitieve data’ om te kunnen terugblikken op het normeringsproces.

Ankeropgaven

Het rapport waarin dat uiteindelijk gebeurt, verschijnt na intensief overleg met het ministerie dus pas midden in de zomervakantie. Volgens de staatssecretaris neemt het alle twijfels weg: de vergelijkbaarheid van de toetsen is gegarandeerd. De toetsaanbieders en de Onderwijsinspectie zijn erdoor gerustgesteld, laten ze de Volkskrant weten.

Drie onafhankelijke toetsexperts die op verzoek van de Volkskrant de – statistisch zeer complexe – analyses van Stichting Cito beoordelen, denken daar echter anders over.

De analyses gaan over de ‘ankeropgaven’: twintig identieke vragen per toetsonderdeel die in alle toetsen voorkomen, naast zo’n zestig unieke opgaven. Die moeten de toetsen vergelijkbaar maken. Stichting Cito heeft berekend of dit ‘anker’ goed functioneert door opgaven te inspecteren en na te gaan of vragen moeten worden weggelaten.

‘Die berekeningen zijn technisch goed gedaan. Maar het checken van de ankeropgaven alleen is absoluut onvoldoende om te concluderen dat de toetsen vergelijkbaar zijn’, oordeelt Norman Verhelst. Hij is als psychometricus gespecialiseerd in de vergelijkbaarheid van toetsen en was tot zijn pensionering 25 jaar werkzaam bij het Cito.

Ook gepromoveerd psychometricus Monika Vaheoja vindt dat niet kan worden geconcludeerd dat de toetsen vergelijkbaar zijn. Ze werkte tot afgelopen zomer voor A-vision, het bedrijf achter de Route 8-toets. Daar stopte ze mee. Niet omdat ze twijfelde aan de toets, maar wel aan het systeem en het gebrek aan openheid over de normering. ‘Als toetsen zo verschillen in vorm en lengte ontstaan verschillen in betrouwbaarheid.’

Bernard Veldkamp, hoogleraar onderzoeksmethodologie en data-analyse aan Universiteit Twente, wijst er eveneens op dat dit ‘onherroepelijk tot meetfouten en variatie leidt’. Hij vindt de analyses op zich goed uitgevoerd, maar benadrukt dat statistiek een benadering blijft met modellen, schattingen en foutmarges. ‘Op papier heb je een keurig systeem, maar dat systeem is zo complex geworden.’

Verhelst valt op dat er helemaal niet is gekeken naar de samenhang tussen de ankeropgaven (die in alle toetsen zitten) en de unieke toetsopgaven. ‘Het is alsof een arts zegt: ‘Er scheelt niets aan je benen, dan zal het met de rest van je lijf ook wel in orde zijn.’ Maar als je die rest niet ook onderzoekt, dan weet je het niet.’

Geconfronteerd met de kritiek van de deskundigen blijft het CvTE erbij dat de toetsresultaten goed vergelijkbaar zijn.

Meetfout

Verhelst is ook kritisch op de instructie ‘kansrijk’ te adviseren. ‘Elk instrument heeft een meetfout. Maar nu wordt eenzijdig besloten: positieve afwijkingen in de doorstroomtoetsuitslag beschouwen we niet als meetfout, maar als reden om scholen een tik op de vingers te geven.’

De twee andere experts komen tot dezelfde conclusie. Zoals hoogleraar Veldkamp het verwoordt: ‘Als je de vergelijkbaarheid wilt optimaliseren, moet je voor één toets kiezen.’

Dat wil inmiddels ook de PO-Raad. Een eindtoets kan nuttig zijn als second opinion, want onderschatting vindt plaats. ‘Maar het instrument is een eigen leven gaan leiden’, aldus voorzitter Weima. Er wordt in Nederland al te vroeg geselecteerd, vindt de PO-Raad, en dat gebeurt nu ook nog onnauwkeurig.

De staatssecretaris herhaalt steeds dat de keuzevrijheid een wens was van ‘het onderwijsveld’, verwijzend naar een oude rapportage van de PO-Raad. Weima benadrukt de disclaimer in dat rapport: zorg ervoor dat toetsen goed vergelijkbaar zijn. ‘Dat is nu niet het geval.’

Weima blijft achter met een onbehagelijk gevoel. ‘De doorstroomtoets móést een succes zijn en nu dat niet het geval blijkt te zijn, zorgt dat voor ongemak. Beeldvorming is net iets te belangrijk geweest.’

Kwaliteit van scholen

Er is nog iets waar de deskundigen unaniem kritisch over zijn: de Onderwijsinspectie gebruikt de toetsresultaten ook om de kwaliteit van scholen vast te stellen. ‘Dat kan niet’, zegt Monika Vaheoja. ‘Deze toets is bedoeld voor advisering op individueel niveau, niet om te beoordelen hoe goed een school is.’

Toen er voor 2015 nog sprake was van één Cito-toets, verschenen er in de media jaarlijks ranglijstjes: dit zijn de beste scholen van Nederland. Paul van Meenen, destijds Kamerlid voor D66, zag het als oud-leerkracht met lede ogen aan. De toetsresultaten zeggen namelijk niets over de kwaliteit van een school, omdat de leerlingenpopulatie niet wordt meegewogen. Een school met kinderen met een taalachterstand ‘scoort’ vanzelfsprekend anders dan een school in een witte bakfietswijk.

Zijn partij diende in 2014 een motie in samen met het CDA, een voor onderwijsbegrippen bont verbond. Scholen moesten voortaan de vrijheid krijgen om hun leerlingen een toets naar keuze te laten maken. Dit maakte de weg vrij voor het huidige stelsel met meerdere (commerciële) toetsaanbieders.

De gedachte hierachter, blikt Van Meenen (inmiddels Eerste Kamerlid van D66) terug, was juist om de toets mínder belangrijk te maken. Maar met de komst van de doorstroomtoets is het advies van de school ondergeschikt gemaakt aan de toets. Daarmee is precies het tegenovergestelde teweeggebracht dan destijds beoogd. ‘We zijn terug bij af’, verzucht hij.

Zolang er geen bereidheid is om de vroege selectie van leerlingen ‘fundamenteel te herzien’ is een stelsel van meerdere toetsaanbieders volgens Van Meenen niet lang houdbaar. Hij wordt hierin gesteund door zijn opvolger, D66-Tweede Kamerlid Ilana Rooderkerk.

Pervers systeem

Voor haar is het feit dat scholen ‘shoppen’ in de toetsen om tot – ogenschijnlijk – betere resultaten te komen een toonbeeld van een pervers en onbetrouwbaar systeem. Het staat er niet goed voor met het lees- en schrijfniveau van Nederlandse leerlingen, zegt ze. ‘Die crisis aanpakken begint ermee dat we goed kunnen vaststellen hoe scholen en leerlingen presteren. En dat gaat zo niet.’

Daarom diende ze een motie in om te onderzoeken wat er nodig is om terug te gaan naar één toets. Die motie werd vorige maand door een grote meerderheid van de Tweede Kamer aangenomen. Staatssecretaris Mariëlle Paul was er niet over te spreken. De suggestie dat het toetssysteem onbetrouwbaar zou zijn, weerspreekt ze tijdens het debat fel: ‘heel naar’ en ‘geenszins het geval’.

In het voorjaar zal Paul de Kamer informeren wat ze met de motie gaat doen. Ze vindt het te vroeg om conclusies te trekken. ‘We hebben nu één afname van de doorstroomtoets gehad’, zegt ze desgevraagd. ‘Het past niet bij een betrouwbare overheid om het nieuwe stelsel en de doorstroomtoetsen nu alweer te veranderen, terwijl we de nieuwe normering en kwaliteitsbewaking nauwelijks een kans hebben gegeven.’

De Kamer moet er sowieso niet op rekenen dat er snel weer sprake is van één toets. ‘Dit vergt een wetswijziging’, aldus Paul.

Het eigen, echte niveau

De Rotterdamse brugklascoördinator denkt nog geregeld terug aan het moment dat de ouders van hun nieuwe leerlingen vorig jaar de school betraden voor een eerste kennismaking. ‘Ze waren trots als pauwen’, zegt hij. Hun kind had op de doorstroomtoets een havo/vwo-advies ‘gescoord’, veel beter dan veel van hen hadden durven hopen. ‘Probeer dan maar eens te zeggen dat wij als school meer vertrouwen hebben in het vaak lagere schooladvies van de docent in groep 8.’

Het zou jammer zijn, vervolgt hij, als dat havo/vwo-advies eindigt in een teleurstelling, omdat blijkt dat een leerling veel beter af is op het vmbo. ‘We zijn niet op deze wereld om onrealistische, ambtelijke kansengelijkheidsvinkjes te zetten.’ De doorstroomtoets heeft, alle goede bedoelingen ten spijt, bovendien juist het gevoel versterkt dat ‘hoger’ altijd ‘beter’ is. ‘Terwijl alle kinderen het beste af zijn als ze op hun eigen, echte niveau les krijgen.’

De Woo-verzoeken zijn gedaan met hulp van Erik Verwiel.

De dubbele pet van het Cito

Sinds de privatisering in 1999 heeft het Cito twee petten: een bv die toetsen ontwikkelt en verkoopt, en een stichting die onderzoek doet (en voor honderd procent eigenaar is van de bv). Bij de doorstroomtoets is Stichting Cito verantwoordelijk voor de controle van de ankeropgaven, die ook in de Leerling in Beeld-toets zitten – gemaakt door de Cito BV.

Een woordvoerder van het Cito (zowel de stichting als de bv) stelt dat de twee onderdelen onafhankelijk van elkaar functioneren, ‘zowel organisatorisch als in financiële en operationele zin’. Berekeningen van de ankeropgaven worden gedeeld met alle toetsaanbieders, en alle toetsaanbieders kunnen bij Stichting Cito terecht voor advies. ‘De toetsaanbieders kijken dus mee en controleren Stichting Cito ook’, aldus de woordvoerder.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next