Land van Johan wordt een vierdelig filmepos over het naoorlogse Nederland. In deel één laat regisseur Eddy Terstall de wedstrijd van Ajax tegen Liverpool uit 1966 herleven. Niemand zag wat er gebeurde door de dikke mist. De Volkskrant is op de set, waar de mist als geroepen komt.
is voetbalverslaggever van de Volkskrant.
Regisseur Eddy Terstall (60) staat voor koukleumende figuranten, die telkens opnieuw juichen voor een wedstrijd van Ajax in 1966. Met een glimlach: ‘Nog één keer alsjeblieft, want we streven naar perfectie.’
En daar gaan ze weer, met zijn allen. Posities innemen. De oude tram rijdt een stukje. De ruiten zijn beslagen aan de binnenkant, van opwinding en gezang. Het is een haast feeëriek gezicht, hier in de straten van Amsterdam, en het is nog mistig ook. Alsof de nevel is besteld, net als de klassieke auto’s, die van particuliere verzamelaars zijn gehuurd: Dafjes, een Peugeot, een Packard, met hun typische geur van benzinedamp.
Dat alles in het stemmige decor van december 1966, toen Ajax in een inmiddels beroemde Europacupwedstrijd met 5-1 won van Liverpool, waarbij veel van het wonder niet was te zien. Want het was mistig destijds, veel mistiger nog dan op deze maandag, bijna zestig jaar later.
Ongeveer vijftig figuranten lopen of fietsen langs de langzaam rijdende tram met supporters, telkens weer. Ze dragen kleding van toen. Het spandoek heeft een tekst van toen: ‘Hup Ajax’. De wijze van juichen is van destijds. ‘Hoi’. Armen recht de lucht in. De stoet trekt, in de buurt van het Olympisch Stadion, van de Herculesstraat naar de Turnerstraat,, met de in de drukte vastlopende tram. A-jaxxx.
Het is een typische setting voor een film. De catering is druk met thee en koffie, of een maaltijd voor het begin van de opnamen. Camera- en geluidsmensen, productieleiders, de regisseur; iedereen is scherp. Alles is geregeld; de vergunningen om de straat af te sluiten. De lus voor de tram, op een stukje rails waar de reguliere tram niet komt. Soms zie je op de achtergrond de tram uit de dienstregeling langsrijden, met al zijn licht. Nee, dat mag niet in beeld.
Nu moet het gebeuren. Parkeerplekken zijn vrijgemaakt. Van een afstandje kijken buurtbewoners toe. Een enkeling hangt uit het raam.
Land van Johan, heet de film, met een keur aan meer of minder bekende acteurs. Het wordt een epos in vier delen, waarvan het eerste dit najaar in de bioscoop verschijnt. Het scenario beschrijft hoe Nederland is geworden zoals het nu is. IJkpunten uit de historie van het voetbal vormen de rode draad van het verhaal. De mistwedstrijd dus, de WK-finale van 1974 tegen West-Duitsland, de bal van Rob Rensenbrink op de paal, in de slotminuut van de WK-finale van 1978 tegen Argentinië. Terstall is een wandelende encyclopedie als het om voetbal gaat, en ook hier op de set strooit hij met anekdotes en weetjes. ‘Voetbalmomenten zijn de ijkpunten in de tijd.’
Land van Johan is grofweg het verhaal van drie families, uit Limburg, van de Veluwe en uit Marokko, die zich in de bruisende jaren zestig en zeventig vermengen in Amsterdam. Een migrant uit Marokko arriveert uitgerekend op 7 juli 1974 op een akelig leeg Museumplein, omdat iedereen op tv naar de finale tegen de Duitsers kijkt. Als hij arriveert bij zijn pension, ziet hij de televisie van een woedende Nederlander uit het raam vallen. Verloren, met 2-1. ‘Voetbalmomenten spelen een rol in de levens van de mensen in de film.’
‘Opnieuw’, roept Terstall na weer een tochtje met de tram. Hij zag een man met een forse baard in de stoet. ‘In de jaren zestig droeg vrijwel niemand een baard. Elk moment, elke situatie moet kloppen.’ Taalcoaches hebben Berberse immigranten het accent uit de jaren zestig geleerd. Aan alles is gedacht. ‘De hoofdrolspelers zijn Limburgers. Ze komen vanuit Limburg naar de wedstrijd Ajax-Liverpool op 7 december, met kaartjes die ze hebben gekregen voor Sinterklaas. Het jongetje is later de hoofdrolspeler. Het draait om verschillende generaties.’
De films moeten een beschouwende reis door de tijd worden, met in het eerste deel ook muziek van Golden Earring, Cuby & the Blizzards, Ekseption en Supersister. Over het levensverhaal van de generaties verschijnt in juni ook een boek. Terstall: ‘In het boek staat alles. Het is geschreven door een van de personages in het verhaal, Onno G. de Bekker.’
De eerste film speelt zich af tussen 1966 en 1980, met het ontluikende wereldvoetbal van Feyenoord, Ajax en Oranje. ‘We hebben Ajax - Liverpool met figuranten en met behulp van digitale technieken nagespeeld bij de club Vlug en Vaardig. De mensen zien weinig, door de mist, maar je ziet Sjaak Swart lopen en Bennie Muller ingooien. De acteurs hadden de kapsels van toen. Het zag er prachtig uit. Ze droegen witte shirts, met die grote rugnummers.
‘We hebben het moment van het tweede doelpunt van Johan Cruijff. Eerst het schot, dan de bal in het doel, precies zoals die toen in het net hing, achter de standaard van de doelpaal. Ook het uit het net halen van de bal, waar de keeper toen lag en waar de juichers naartoe liepen.’ Terstall doet een stukje na, hier op straat in Amsterdam: in een rustig drafje weglopen, armen omhoog. ‘Eerst horen toeschouwers het doelpunt alleen op de tribunes. Jaja, jaaaaa, en dan zien ze mensen uit de mist komen en juichen.’
Het is vooral symboliek voor de film, die wedstrijd. Nederland verschijnt aan het firmament als grote voetbalnatie, maar ook min of meer als land, opnieuw geboren na de wederopbouw. In de film zitten tal van revolutionaire veranderingen in de jaren zestig en zeventig, van de Maagdenhuisbezetting tot het popfestival in Kralingen, met in hun nakie dansende mensen, want de film verbeeldt ook de vrijheid en blijheid van toen.
Kraakbeweging, hippies, allemaal thema’s. Migratie ook. Gewone migranten, geen mocromaffia of geradicaliseerde types. Met acteurs die Berbers spreken zoals ze dat toen deden. Terstall: ‘Dat vind ik heel belangrijk. Ik ben een echte Jordanees, en die worden vaak neergezet als een soort Willem Holleeder, of als zingende malloot. Nooit als een normale Amsterdammer. Bij Berbers is dat hetzelfde. De meeste immigranten hebben een normaal verhaal. Ze doen gewoon hun best in het leven, en daar is veel te weinig aandacht voor, ook in films. Dit is een normale, herkenbare familie, niet geproblematiseerd. Daarbij komt dat bijna iedereen van voetbal houdt.’
Het is in de ogen van Terstall best grappig dat Riffijnen met hippe kleding naar Nederland trokken tijdens de eerste migratiegolf. ‘Ze waren veel meer gericht op Frankrijk en Spanje. De islam speelde nog niet zo’n rol. Marokkaanse vrouwen droegen spijkerjacks en lang niet altijd een hoofddoek. Dat zijn de oma’s van de jongeren van nu.’
Met voetbal als leidraad trekt de film kriskras door de geschiedenis. ‘Als je dan in 2024 bent aangekomen, stel je de vraag: waarom is het land zoals het is? Al die families en hun afstammelingen, uit Limburg, van de Veluwe, uit Marokko en Suriname, zijn allemaal in één persoon vertegenwoordigd, de in 2006 geboren Johan. Hij is familie van iedereen in de film. Hij is het ultieme multiculturele, multireligieuze symbool. Hij is naar Johan Cruijff vernoemd, want alle mensen zijn gek op voetbal. Nou ja, bijna alle mensen. De moeder van Johan is verwekt door de enige persoon die niet van voetbal houdt, die bij de Bhagwan zit, op het moment dat Robbie Rensenbrink op de paal schiet tegen de Argentijnen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant