Alawieten vrezen de toorn van hun landgenoten nu de Syrische dictator Bashar al-Assad is verdreven. Assad, zelf alawiet, bouwde zijn moorddadige regime op door baantjes onder geloofsgenoten te verdelen. ‘Ze zullen ons een voor een vermoorden.’
is correspondent Midden-Oosten van de Volkskrant. Hij woont in Beiroet.
De man die op het bed zit, boven op twee paardendekens, had eigenlijk dood moeten zijn. Zijn lot stond al vast. In dat geval was hij nu begraven geweest, en had zijn gemeenschap aan de westkust van Syrië opnieuw een zoon verloren. Maar zo liep het niet. Atef (25) lééft. In zijn slaapkamer steekt hij een Gauloises-sigaret op. ‘Het is een wonder’, zegt hij zachtjes, een wolkje blazend. ‘Ik ben teruggekeerd uit de dood.’
Hoe dat precies ging, vertelt hij straks. Eerst stelt hij zich voor. Zoals bijna iedereen hier is Atef alawiet, een religieuze groep die tot het soefisme in de islam wordt gerekend. Alawieten – zo’n 10 à 15 procent van de bevolking – vormden de ruggengraat van het gevallen Syrische regime van dictator Bashar al-Assad. Assad zelf? Alawiet. Invloedrijke ministers? Vrijwel altijd alawiet. Hoge inlichtingenofficieren? Reken maar.
Niet zo vreemd, kortom, dat de alawitische gemeenschap sinds de val van Assad in angst leeft. Op sociale media wordt vrijwel dagelijks melding gemaakt van ontvoeringen en wraakmoorden, soms op voormalige kopstukken uit het regime, soms op mannen die veel te jong zijn om van serieuze betekenis te zijn geweest voor Assad. Volgens het Syrische Observatorium voor de Mensenrechten zijn er de voorbije weken 148 alawieten vermoord.
Onder welke omstandigheden de moorden plaatsvinden, is moeilijk vast te stellen. Onafhankelijke media zijn er niet in Syrië, en het is denkbaar dat sommige incidenten niets met de politieke situatie te maken hebben en alles met kleine criminaliteit. Sommige alawieten hebben er belang bij om, nu Assad weg is, diens opvolgers af te schilderen als bloeddorstige terroristen.
Daar komt bij dat het, alles bij elkaar opgeteld, veel erger had kunnen zijn. De angst voor sektarisch geweld is door de burgeroorlog (2011-2024) tot zulke immense hoogte opgepompt dat menig Syriër vreesde voor een haast genocidale bijltjesdag, met mogelijk duizenden doden tot gevolg. Te denken valt aan hele dorpen die systematisch worden uitgemoord.
Zulk bloedvergieten is uitgebleven. Nog wel, zullen alawieten daaraan toevoegen. Velen voelen zich sinds de val van het Assad-regime vogelvrij, en vertellen dat ze na zonsondergang niet meer de straat op durven. Sommige jongeren durven niet naar school te gaan, of naar hun werk. En dat terwijl, zo benadrukken ze, zij óók geleden hebben onder de repressie van Assads tirannieke bewind.
Bij de controleposten van het nieuwe bewind onder leiding van het soennitische Hayat Tahrir al-Sham (HTS) worden ze vaak vernederd. ‘Ik zat in de bus toen HTS-strijders vroegen: zijn jullie alawiet?’, aldus een vrouw in de havenstad Tartous die anoniem wil blijven. ‘Toen we ja zeiden, kregen we te horen: ‘Jullie zijn varkens’.’ Online dook een filmpje op waarin alawieten worden gedwongen op de grond te liggen en te ‘blaffen als honden’.
Of neem het verhaal van Ali Ibrahim, een 58-jarige man wiens lichaam op nieuwjaarsdag gevonden werd in Tartous. Volgens zijn familie werd hij in de dagen vóór de moord bedreigd omdat hij alawiet was. Hij diende in het leger van Assad, zegt zijn vrouw, maar nooit in een hoge functie. ‘Hij was een goede man’, aldus zijn nichtje, rechtenstudent Marian Ibrahim (27). ‘We willen dat de daders berecht worden.’
En dan is er de getuigenis van Atef, de man die naar eigen zeggen ‘opnieuw werd geboren’. Hij is afkomstig uit een alawitisch bergdorp. Atef is een pseudoniem – uit angst voor represailles wil hij niet met zijn naam in de krant. Ook de andere betrokkenen hebben op hun verzoek een alias gekregen. Om identificatie te voorkomen, blijft ook het dorp onbenoemd. De Volkskrant sprak met vier anderen in het dorp die Atefs relaas op cruciale punten bevestigden.
Atef vertelt dat hij in het dorp een kleine supermarkt bestiert. Eerder deze maand kreeg hij na sluitingstijd een telefoontje van een oude schoolvriend, de 25-jarige Younes, een universitair student die niet in het leger van Assad had gediend. Het was zaterdagavond, de zon was onder, en Younes zei dat hij de nacht zou doorbrengen op de kleine tomatenboerderij van zijn familie. Dat laatste deden zijn broers en hij iedere nacht beurtelings. Aan de Syrische kust heerst sinds de val van Assad wetteloosheid, de familie was bang dat iemand de boerderij zou afpakken.
Aan zijn schoolvriend vroeg Younes of hij hem die nacht gezelschap wilde houden – hij was bang dat er iets kon gebeuren. Atef stemde in. De mannen aten samen, ze waren gespannen. De dagen ervoor waren er meermaals gewapende mannen verschenen bij de boerderij. Met hun lange baarden zagen ze eruit als fundamentalisten. Tegen de broers van Younes hadden ze gezegd: ‘Het doden van alawieten is een deel van de jihad.’ Ze hadden hun messen laten zien, en hadden een van de broers gedwongen zich te bekeren tot de soennitische islam.
Daarna waren de mannen weer verdwenen. Te verifiëren valt het niet, maar volgens de dorpelingen gaat het om leden van Jaysh al-Ahrar (‘Het leger van de vrijheid’), een salafistische groepering die in 2017 kortstondig opging in HTS, maar daar later weer van losbrak. Meteen na de val van Assad zou de beweging naar de kust zijn gekomen, om daar een militaire basis van het Syrische leger over te nemen. De basis bevindt zich op een paar minuten lopen van het tomatenveld van Younes en diens familie.
Rond 1 uur ’s nachts wilden de twee gaan slapen, toen er drie mannen in camouflagekleding binnenkwamen. Ze begonnen te schreeuwen. Younes en Atef werden geslagen en geblinddoekt. Hun geld en telefoons werden afgepakt. ‘Zijn jullie alawieten?’, wilden de mannen weten, waarop ze antwoordden: ‘We zijn moslims.’ Daar namen de mannen geen genoegen mee. Ze vroegen naar de regels voor het middaggebed. Die kenden Younes en Atef niet (alawieten hebben hun eigen rituelen, red.), waarop de mannen hen mee naar buiten namen.
Hun handen werden vastgebonden op hun rug, en ze werden op hun knieën geduwd. Atef voelde de elleboog van een van de mannen op zijn nek, en hoorde hem zeggen: ‘Dit is omdat jullie mijn broer hebben vermoord.’ Waar hij op doelde, wist Atef niet, maar hij realiseerde zich dat de mannen hun wraakgevoelens wilden koelen op een willekeurige alawiet.
De mannen namen Younes apart. ‘Ik kon niets zien’, herinnert Atef zich vier dagen later, ‘maar ik kon horen dat een van hen Younes de keel doorsneed.’ Het gebeurde zonder geschreeuw – de mannen hadden Younes’ mond met een sjaal afgebonden. Daarna hoorde Atef de dader zeggen: ‘Ik moet mijn handen wassen.’ Atef wist dat hij nu aan de beurt was, en bedacht een plan. Hij zei dat er verderop ‘goud’ begraven lag. Wisten ze dat? Na de val van Assad zouden de dorpelingen een militaire basis hebben geplunderd en de buit hebben begraven, zo maakte hij de mannen wijs. ‘Ze zeiden: als je liegt, gaan we je onthoofden.’
De mannen ontdeden hem van zijn blinddoek, zetten hem op een motor en reden de hoofdweg op – vier man achter elkaar gepropt. Afgezien van het maanlicht was het pikkedonker. Een van de mannen hield een mes op Atefs keel. Ze reden naar een plek waarvan Atef dacht: daar kan iemand mij wellicht zien.
Hij koos voor een veldje tegenover het huis van een oude vriend. De mannen droegen hem op te graven met de schoonmaakstaaf van een kalasjnikov. Tijdens het graven zei Atef: ‘Er is een tweede plek waar ook goud begraven ligt.’ Hij wees naar een willekeurig punt onder een walnootboom, dertig meter verderop. Twee van zijn bewakers zouden doorgaan met graven, spraken ze af, terwijl Atef de derde bewaker meenam.
Atef begon opnieuw te graven, en vroeg zijn bewaker te helpen. Dit was het moment waarop hij had gewacht. Toen de man op zijn knieën zakte, greep Atef een steen en sloeg hij hem zo hard mogelijk in het gezicht. Hij sprong over een stenen muurtje, en sprintte naar het huis van zijn oude vriend, de 30-jarige Hassan. Hij hoorde geweerschoten achter hem, maar die raakten hem niet.
Desgevraagd bevestigt Hassan de gang van zaken: dat hij schoten had gehoord en dat Atef was komen aanrennen, buiten adem, en op de deur had staan bonzen. Dat hij Atef aanvankelijk niet herkende, omdat hij onder het bloed zat. En dat hij de daders hoorde wegscheuren op hun motor. Als de Volkskrant bij het veldje gaat kijken, zijn de twee ondiepe gaten nog zichtbaar. Op het muurtje zit een bloedvlek.
Voor Atef was het daarmee niet voorbij. Een lokale commandant, mogelijk van Jaysh al-Ahrar, liet hem arresteren en overdragen aan de politie van HTS, op de verdenking dat Atef zelf zijn vriend Younes had vermoord. Drie dagen zat hij vast. Voor hij de cel werd ingeduwd, hoorde Atef een bewaker tegen de andere gevangenen zeggen: ‘Ga jullie gang met hem, hij is een alawiet.’
Kort daarop werd Atef vrijgelaten, klaarblijkelijk omdat HTS inzag dat hij onschuldig was. Het idee dat Atef achter de moord zou zitten, wordt door een oom van Younes weerlegd. Op zijn telefoon toont hij foto’s met daarop het levenloze lichaam van Younes. Ze laten zien hoe bruut hij is toegetakeld. ‘Er zijn heus weleens ruzies en moorden in het dorp. Maar iemands keel doorsnijden? Dat doe je hier niet.’
Ondanks herhaaldelijke bezoeken van de Volkskrant aan het kantoor van de lokale gouverneur gaan de autoriteiten niet in op interviewverzoeken. Formeel stelt de nieuwe leider in Syrië, Ahmad al-Sharaa, zich op het standpunt dat alawieten niets te vrezen hebben. HTS-kopstukken doen de wraakmoorden af als het werk van ‘criminelen’ of van groeperingen ‘die niet bij ons horen.’
Bij wie de daders dan wel horen, is onduidelijk, maar het lijkt er sterk op dat HTS (geschatte grootte: 15- à 35 duizend man) de veiligheid op sommige plekken aan gevaarlijke groepen als Jaysh al-Ahrar heeft uitbesteed, omdat het zelf niet genoeg manschappen heeft. Een cynischere verklaring is er ook: HTS was ooit loyaal aan de terroristen van Al Qaida – een ideologische verwantschap die niet van de ene op de andere dag valt af te schudden. ‘Ik denk dat het erger wordt’, zegt Atef kalm. ‘Ze zullen ons één voor één vermoorden.’
Alawieten in de streek voelen zich machteloos. Anders dan de meeste andere etnische of religieuze groepen in Syrië (Koerden, Druzen, soennieten) hebben ze geen leiders met gezag, geen platform om voor hun belangen op te komen. ‘Assad duldde zoiets niet’, zegt de lokale jurist Mahmoud (29). ‘Nu staan we met lege handen. En als we ons gaan organiseren, komt dat bedreigend over. Dan worden we een burgeroorlog in gelokt.’
Bij het dorpshuis ontvangt de familie condoleances uit de gemeenschap. Er gaat koffie rond. De 50-jarige moeder van Younes is stuk van verdriet. ‘Wat heeft mijn zoon misdaan?’, vraagt ze luidkeels. ‘Waarom moest hij dood? Waarom?’ Verderop in het dorp buigt broer Ali (27) zich met betraand gezicht over het graf waar nog geen steen op ligt. Hij woelt met zijn handen door het zand. De aarde is nog vers.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant