De rechterflank van de Tweede Kamer wil dat er harder wordt opgetreden tegen demonstranten die geweld gebruiken, intimideren of de ‘hele boel kort en klein slaan’. Het kabinet gaat mee in die gedachte, maar ziet rechtsstatelijke bezwaren.
is politiek verslaggever van de Volkskrant.
‘Ik ben er wel klaar mee’ , zegt justitieminister David van Weel (VVD) woensdag na ruim vier uur debatteren in de Tweede Kamer over de toekomst van het demonstratierecht. Hij doelt op zijn ergernis over een ‘relatief kleine groep mensen’ die tijdens een demonstratie overgaat tot het ‘gebruiken van geweld, het slopen van spullen of het plegen van andere strafbare feiten’.
Minister Judith Uitermark van Binnenlandse Zaken (NSC) deelt die ergernis, heeft ze eerder in het Kamerdebat gezegd: ‘Het gros van de duizenden demonstraties in dit land verloopt goed en zonder problemen. Maar steeds vaker gaan demonstraties gepaard met het bewust overtreden van de wet.’
Beide bewindspersonen benadrukken dat het hen niet deert waarover mensen demonstreren, maar wel hoe er wordt gedemonstreerd. ‘Demonstraties mogen zorgen voor overlast en hinder, dat hoort erbij’, zegt Van Weel. ‘Maar de wet aan je laars lappen, dat mag niet.’
Alles over politiek vindt u hier.
Kort na zijn aantreden kondigde de minister al aan dat hij wil ‘kijken of we binnen het demonstratierecht grenzen kunnen stellen’. Dat klinkt de rechterflank van de Tweede Kamer als muziek in de oren. Regeringspartijen PVV, VVD, NSC en BBB, maar ook JA21 en SGP, willen de minister houden aan zijn belofte. Ze wensen dat er voortaan harder wordt opgetreden tegen personen die zich misdragen tijdens demonstraties.
Ze wijzen bijvoorbeeld op pro-Palestinademonstraties waarbij het afgelopen jaar ‘universiteiten zijn gesloopt’ (NSC). Het gaat ook om boeren die op snelwegen materiaal in de fik staken, waarbij asbest vrijkwam (VVD), en om klimaatactivisten die zich ‘elke week misdragen’ door snelwegen te blokkeren (JA21). ‘Stop de ondermijning van ons gezag en de wetgeving. We staan in ons hemd’, aldus JA21-leider Joost Eerdmans.
Vooral de VVD vindt het de hoogste tijd om het demonstratierecht fors aan banden te leggen. De liberalen willen bijvoorbeeld een ‘aparte strafbaarstelling voor het blokkeren van infrastructuur’, strakker de identiteit bijhouden van mensen die aan verboden demonstraties meedoen, schade verhalen op daders en paal en perk stellen aan het ‘verpreiden van terroristisch gedachtegoed via een demonstratie’.
‘Het demonstratierecht mag geen vrijbrief zijn voor het plegen van strafbare feiten’, zegt VVD-Kamerlid Ingrid Michon. Ze zegt dat burgemeesters en politie weliswaar al middelen hebben om in te grijpen, maar dat demonstranten hun besluiten vaak ‘lachend naast zich neerleggen’. Daar moet een einde aan komen. Een Kamermeerderheid wil dat het in het eerste kwartaal van 2025 al mogelijk wordt om harder in te grijpen.
Hoewel het kabinet meegaat in de gedachte dat er harder moet worden opgetreden tegen de ‘kleine groep die het verpest voor de rest’ (aldus justitieminister Van Weel), zijn er allerlei rechtsstatelijke bezwaren tegen het nemen van ‘generieke maatregelen’.
Zo komt er geen algeheel verbod op gezichtsbedekkende kleding voor demonstranten. Dat kan ervoor zorgen dat ze kunnen worden herkend en opgespoord na eventuele wetsovertredingen. De keerzijde van zo’n verbod, zeggen ministers Van Weel en Uitermark, is dat mensen bijvoorbeeld niet meer durven te demonstreren bij ambassades van buitenlandse, dictatoriale regimes, uit vrees dat de overheid van dat land later wraak neemt op hen of hun familieleden. De bewindspersonen broeden nu op een verbod dat enkele uitzonderingen toestaat.
Minister Uitermark wil ook kijken naar mogelijkheden om de ‘waardigheid van herdenkingen te beschermen’. Onder anderen ChristenUnie-leider Mirjam Bikker heeft zich buitengewoon geërgerd aan pro-Palestinademonstranten die bij de opening van het Holocaustmuseum vorig jaar ‘overlevenden hadden geïntimideerd’.
Uitermark: ‘Ik zie het ongemak, de pijn die het bij mensen kan veroorzaken als ze worden gestoord als ze in rust willen herdenken.’
Tegelijkertijd benadrukt de minister dat het juridisch ‘een ingewikkelde puzzel’ is om herdenkingen (zoals de Dodenherdeking op 4 mei) sowieso te vrijwaren van demonstraties. Dan moet eerst worden besloten ‘wie er precies mag bepalen wat een herdenking is’. Ze vreest dat iemand met die macht demonstraties kan verhinderen op basis van hun inhoud.
Tegenover de sterke wens van de rechterflank om demonstranten te begrenzen, staat de vrees van de linkerflank van de Tweede Kamer. De linkse partijen zijn bang dat het inperken van het demonstratierecht ertoe leidt dat mensen in toenemende mate de mond wordt gesnoerd.
Kamerlid Esmah Lahlah (GroenLinks-PvdA) vreest voor de ‘afschrikkende werking’ die strengere regels kunnen hebben ‘op mensen die opkomen tegen onrecht’.
Bij de linkse oppositie, inclusief Volt, leven ook zorgen dat het aantrekken van de teugels voor demonstranten vooral ‘symboolpolitiek’ is. Lahlah zwaait daartoe halverwege het debat met een stapeltje A4-tjes naar de minister en zegt: ‘Ik heb hier voorbeelden van celstraffen of werkstraffen voor twee UvA-demonstranten. Ik heb hier ook meerdere aanhangers van Extinction Rebellion die zijn vervolgd na meerdere acties. We hebben hier dus helemaal geen extra wet voor nodig. Dit levert de politie vooral méér werk op, in plaats van minder werk.’
De Kamer zal voor 1 april worden geïnformeerd over de juridische zoektocht van het kabinet om demonstranten te begrenzen.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant