In de toneelbewerking van Giovanni’s Room is het verlangen tussen David en Giovanni voelbaar, maar de zelfhaat en verwijten van de hoofdpersonen worden aan het einde tot vervelens toe uitgediept.
schrijft voor de Volkskrant over film en theater.
Wie het boek Giovanni’s Room uit 1956 leest, zal met name in de eerste helft volop genieten van James Baldwins weergave van het Parijse nachtleven (en een enkeltje erheen willen boeken). Niet alleen vanwege de sfeervolle cafés die Baldwin beschrijft, ook door de onverschrokken levensgenieters die erop afkomen. Waaronder gay mannen, van wie sommigen in het boek zelfs een jurk en make-up dragen. En dat in de jaren vijftig, toen homoseksualiteit in de Verenigde Staten zelfs nog illegaal was.
Geen wonder dat de Amerikaanse en homoseksuele hoofdpersoon David, die enige tijd in Parijs verblijft, de nodige zelfhaat kent. Iets wat in de opwindende toneelbewerking van regisseur Eline Arbo aan het einde tot vervelens toe wordt uitgediept.
Het frivole Parijs uit de jaren vijftig is helaas nergens te bekennen in het duistere en minimalistische decor in het Internationaal Theater Amsterdam. Het zijn louter zachte spots en elektrische synthesizers die vanavond een spannende en zelfs moderne sfeer creëren.
Nu en dan zakt er uit het plafond een bar, waar de Italiaanse barman Giovanni (gespeeld door de mateloos charismatische Jesse Mensah) staat te werken. Op een avond kruist zijn blik met die van David (Louis d’Or-winnaar Eelco Smits), die een avondje uit is met zijn campy vriend Jacques (Steven Van Watermeulen). Het is het begin van een romance die even ontroerend als pijnlijk is.
Hiervoor ontkende David min of meer zijn geaardheid; hij heeft zelfs een Amerikaanse vrouw (Eefje Paddenburg) ten huwelijk gevraagd. In het boek lees je hoe hij vervolgens tijdens zijn ontmoeting met Giovanni volkomen gegrepen wordt door gevoelens van affectie én angst.
Je vraagt je van tevoren af hoe Arbo deze dubbelzinnigheid zal illustreren. Laat dat maar over aan een acteur als Smits: knap en roerend wisselt hij tijdens zijn ontmoeting met Giovanni zijn zachte blik voortdurend af met een ietwat bevreesde expressie. Wanneer de twee eindelijk alleen in Giovanni’s kleine kamer zijn, die door louter felle lampjes die boven hen hangen wordt geprojecteerd, is het verlangen tussen de twee voor iedereen voelbaar.
Naarmate het stuk vordert, wordt Davids gedachtegang meer verwoord door Jacques en bareigenaar Guillaume (een opmerkelijk kleine rol van de grootse Gijs Scholten van Aschat). Na een lieflijke badscène en een aantal choreografieën op pulserende technoklanken waarbij David en Giovanni een soort paringsritueel opvoeren, wordt de onontkoombare teloorgang ingezet.
Giovanni verliest zijn baan en wordt alsmaar behoeftiger naar Davids liefde en geld. Maar wanneer Davids verloofde terugkeert uit Spanje, verlaat hij Giovanni halsoverkop.
In het laatste halfuur komen de verwijten van immoraliteit (vanuit Giovanni) en de zelfhaat (vanuit David) zó veelvuldig aan bod, dat het stuk ontzettend duister maar ook wat gedateerd aanvoelt. Vooral wanneer David verzucht: ‘Wat voor leven kunnen twee mannen überhaupt opbouwen?’
Als publiek weten wij beter en het stuk rijmt dan dus ook niet meer met het moderne jasje waarin Arbo het heeft gestoken. Alle getalenteerde acteurs en een zinderende regie ten spijt, blijft vooral dat gevoel naderhand overheersen.
Theater
★★★☆☆
Door Eline Arbo bij Internationaal Theater Amsterdam. Naar de roman van James Baldwin. Bewerking Eline Arbo en Bart Van den Eynde. Muziek Thijs van Vuure. Scenografie Roel Van Berckelaer. Lichtontwerp Varja Klosse. Met Eelco Smits, Jesse Mensah, Eefje Paddenburg, Steven Van Watermeulen en Gijs Scholten van Aschat.
19/1, ITA, Amsterdam. Aldaar t/m 2/3.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant