Home

Taal is voortdurend in beweging, zeker bij jongeren. Een pleidooi voor lossere regels

Is ‘die meisje’ of ‘unnenen hond’ taalverloedering? Kristel Doreleijers breekt juist een lans voor het oordeelloos gebruiken van taalvariaties. Omdat je verdiepen in de wereld die áchter taal schuilgaat fascinerender is dan de vaststelling dat iets volgens de regels incorrect is.

Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor cultuur en geschiedenis.

Zeg me welke lidwoorden je gebruikt en ik vertel je wie je bent, zou taalkundige Kristel Doreleijers (31) kunnen zeggen. De in Eindhoven geboren en getogen Doreleijers promoveerde op het gebruik van hyperdialect, het uitvergrote dialect dat Brabantse jongeren spreken. Nu werkt ze als onderzoeker taalvariatie en jongerentaal bij het Meertens Instituut.

In het spectrum van ongeschreven taalregels geldt: elke biotoop heeft zijn eigen taal en hoe jonger de spreker, hoe leniger het taalgebruik. Waar sommige taalgebruikers taalvariaties als grammaticaal aanstootgevend – want incorrect – ervaren, breekt Doreleijers in de nieuwe taalkundige verzamelbundel Grenze(n)loze taal van het Meertens Instituut juist een lans voor het oordeelloos bestuderen van alle voorkomende taalvariaties. Want achter het gebruik van ‘die meisje’ of ‘unnenen hond’ gaat wat haar betreft een heel universum schuil.

Als jij iemand ‘hij wilt’ hoort zeggen, doet dat geen pijn aan je oren?

‘Ik weet dat mensen daar woest van worden, maar naar analogie van andere werkwoordsvormen is het eigenlijk niet zo raar. Je hoort het veel bij jongeren, die het van elkaar overnemen.

‘Een ander voorbeeld is ‘groter als’ in plaats van ‘groter dan’. Dat roept ook veel boosheid op, maar het wordt zo veel gebruikt dat het inmiddels is genoteerd als geaccepteerde vorm. Al staat er wel bij dat ‘groter dan’ de voorkeur heeft.

‘Taal is permanent in ontwikkeling. De regels veranderen niet zomaar en het hoeft ook helemaal niet te gebeuren. Maar dat weerhoudt sprekers er niet van om er onderling soepel mee om te gaan.’

Waarom reageren sommige mensen allergisch op taalfouten?

‘Mensen ontlenen prestige aan taal. Als je goed bent in de standaardtaal, sta je hoger op de maatschappelijke ladder. Vooral voor oudere taalgebruikers staat verandering al snel gelijk aan verslechtering, verloedering. Wat ook meespeelt, en dat herken ik wel, is dat mensen denken: ik heb dit moeten leren, heb hier moeite voor gedaan, dus die ander moet die moeite ook maar doen.

‘Ik begon mijn studie Nederlands ook met het gevoel: ik ben goed in taal, spelling, grammatica. Die uiterlijke kant van taal, de vaardigheid, dat is mijn sterke punt. We bewogen al snel naar de inhoud van taal, die voorbijgaat aan de vraag of iets grammaticaal wel of niet correct is. Waarom gebruiken mensen taal op andere manieren, welke manieren zijn dat, wat zegt dat over de situatie waarin ze dat doen, over hun identiteit, groep en cultuur. Dat bleek fascinerender dan de vaststelling dat iets incorrect is volgens officiële taalregels.’

Je bent gepromoveerd op het gebruik van hyperdialect onder Brabantse jongeren. Wat is dat?

‘Veel jongeren zijn thuis niet meer met het Brabants opgevoed, maar ze kennen het wel. Ze horen het in hun omgeving, en gebruiken het onderling. Alleen wel op hun eigen manier.

‘In traditioneel dialect is het ‘unne man’ en ‘un vrouw’, maar jongeren gebruiken het mannelijk lidwoord ook bij vrouwelijke en onzijdige zelfstandig naamwoorden. Ze zeggen ‘unne vrouw’ of creëren een lidwoord dat helemaal niet bestaat: ‘unnenen hond’.

‘Ze doen aan overdialectiseren. Hyperdialect is eigenlijk een uitvergroting van hoe je zou verwachten dat iets klinkt. Dat aangedikte ‘unnenen’ klinkt in hun oren lekker Brabants, al is het dat oorspronkelijk niet. Ik wilde weten of ze dat beseffen, of ze ermee spelen en er op kunnen reflecteren.’

Wat ontdekte je?

‘Jongeren spelen een taalspel binnen hun eigen sociale groep. Ze gebruiken hyperdialect als ze wat gedronken hebben in de kroeg, als ze vrienden voor de gek houden, of als ze elkaar buiten Brabant treffen om het signaal van een gedeelde herkomst af te geven.

‘Ze schakelen moeiteloos van standaardtaal naar varianten van het Brabants. Die lenigheid in het taalgebruik is kenmerkend voor hedendaagse generaties. Terwijl oudere sprekers vaker één taal spreken in verschillende sociale situaties. Dat jongeren de oorspronkelijke Brabantse taalregels niet goed kennen, nemen ze voor lief, of ze negeren die expres.

‘Aan de hand van verschillende zinnen en woordkeuzen heb ik jongeren naar hun associaties gevraagd. Daar kwamen vijf persoonlijkheidstypen uit: de ouderwetse dialectspreker op het platteland, de ongemanierde platproater, de sociale, grappige clown, de familiaire metgezel en de gezellige, bourgondische Brabander.

‘Welke van deze rollen jongeren aannemen, hangt af van de sociale context. Ze spreken weliswaar dagelijks Nederlands met een herkenbaar Brabants accent, maar ze zeggen niet altijd ‘bende gij’ of ‘unne’. Als ze dat wel doen, is het een bewuste keuze.’

Jij ziet geen uitstervend dialect maar een nieuwe Brabantse taalvariant?

‘Het heeft weinig zin om deze vorm van dialectgebruik af te keuren. Taal is nu eenmaal in beweging. Tegenover het verdwijnen van het traditionele dialect zie ik een beweging waarin de lokale of streekgebonden identiteit, het Brabants spreken of Brabander-zijn gecultiveerd wordt. Het is niet grammatica die hun taal bepaalt, maar de sociale context, het is een stilistische omgang met taal.

‘Oudere sprekers zien het Brabants van jongeren als niet-authentiek en storend. In mijn onderzoek liet ik beide generaties deze mop zien: ‘Hoe oud bende gij?’ ‘Zoiets vraogde nie aon unne dame!’ ‘Sorry …wa is oew emailadres?’ ‘Truuske1957@gmail.com’

‘Jongeren roepen in koor: typisch Brabants. Terwijl de vijftigplussers meteen zeggen: het moet ’n daome zijn. Die denken zelfs dat de tekst komt van een bovensloter, van iemand van boven de rivieren.’

Je houdt je bezig met jongerentaal. Wat is dat eigenlijk?

‘Het is geen statische, afgebakende taal met een eigen grammatica. Er komt veel cultuur bij kijken, er zijn verschillende variaties en het is continu aan verandering onderhevig. Jongeren gebruiken de taalvariaties in een bepaalde levensfase. In een periode waarin ze ontdekken wie ze zijn, bij welke groep ze willen horen. Het is taal die gaat over identiteit- en groepsvorming: een codetaal waar volwassenen de nuances, uitspraak, grammatica, zinsbouw en woordvorming niet van kennen.

‘Een belangrijk kenmerk is dat jongeren een grote registergevoeligheid hebben in hun taal. Ze weten vaak precies wanneer bepaald taalgebruik of een woordkeuze wel of niet gepast is. Hun variaties zijn zelden een kwestie van slechte taalvaardigheid, maar juist van taallenigheid. Jongeren spelen met taal, hanteren hun eigen linguïstische spelregels.

‘Jongerentaalvariaties zijn lastig te vatten, want doen alleen jongeren het of nemen ze het mee in hun leven als ze ouder worden? Ook is het ingewikkeld om een goed label te bedenken zonder dat het stigmatiserend is. Neem de term ‘straattaal’. Zo doopte onderzoeker René Appel rond 1999 de door hem beschreven taalvariatie in Amsterdam en andere grote steden, met invloeden uit Sranantongo, Engels en Papiamento, en later steeds meer uit Marokkaans-Arabisch, Berbertalen en Turks. De term kwam destijds van de sprekers zelfs.

‘In academische setting wordt hij nog steeds gebruikt. Ik zou het liever een omgangstaal of mengtaal noemen. In politiek-maatschappelijke discussies wordt straattaal vaak negatief, als onbeschofte of asociale taalvariant, genoemd. En bij sommige jongeren moet je ook niet met die term aankomen.’

In je proefschrift stond de term Moroccan Flavored Dutch.

‘Dat is net weer iets anders. Mijn collega Khalid Mourigh heeft onderzoek gedaan naar Nederlands met Marokkaanse elementen in Gouda. Denk aan het accent, het uitspreken van de ‘z’ als ‘zz’, de ‘s’ als ‘sj’, het weglaten van lidwoorden in zinnen als ‘ik heb vriend’ of ‘hij geeft mij boek’, of juist een hypercorrectie van lidwoorden tegenover het gebruik van ‘die meisje’, wat ooit ontstond als tweedetaalsprekersfenomeen, maar door jongere generaties is overgenomen. Dan zie je bijvoorbeeld ‘het jongen’ of ‘het school’.

‘Jongeren weten heus wel dat het ‘dat huis’ is, dat gebruiken ze op school of werk, maar onderling zeggen ze ‘die huis’. Eigenlijk is het onmogelijk om al deze taalvariaties in hokjes te vatten, de praktijk is zo dynamisch. Wat vroeger ‘de straat’ was, is nu vooral online.

‘Rond de eeuwwisseling lag de focus op het willen beschrijven van de taal die jongeren gebruikten. Inmiddels is de gedachte dat taal niet één vaste vorm heeft, dat jongeren afhankelijk van met wie ze spreken meerdere taalvariaties in kunnen zetten. Er is zoveel meer taal dan de standaardtaal. Sprekers spelen met taal, mixen taalvarianten en talen door elkaar, geven nieuwe betekenissen aan oude woorden.

‘En het is ook niet zo dat een jongere die op een bepaalde plek is geboren, met een bepaalde etnische of sociaal-economische achtergrond, is voorbestemd om op een bepaalde manier te spreken. Er is taalvrijheid en zelfbeschikking. Jongeren kiezen de taal die ze spreken door hun keuze voor de groep waar ze bij willen horen. En dat is meteen meer dan taal, het is ook smaak, muziek, kledingstijl en vrijetijdsbesteding.’

Het Jeugdjournaal hield afgelopen jaar een verkiezing van het kinderwoord van het jaar. Bruh heeft gewonnen. Andere kanshebbers waren bro, sigma, skibidi, ohio, slay of rizz. Hoe houdbaar zijn deze woorden?

‘De omloopsnelheid van taaltrends is dankzij sociale media enorm. Vaak is het een bevlieging. Ik vond het heel leuk dat het Jeugdjournaal het wilde documenteren. Al geldt ook: zodra de volwassenen zich ermee bemoeien is het meteen minder interessant. Het hele idee van een groepstaal is dat alleen de incrowd weet wat er wordt bedoeld.

‘Kinderen weten trouwens vaak niet eens precies wat iets betekent of waar het vandaan komt, maar ze horen het van elkaar, op TikTok en gaan het ook gebruiken. Taal als signaal: als jij skibidi zegt weten leden van jouw peergroup dat je dezelfde mensen volgt en de laatste trends.’

Kindertaallexicon

bruh: bro maar dan om teleurstelling uit te drukken (‘Bruh, wat doe jij?’)

sigma: cool, stoer, zelfverzekerd (vooral door/voor jongens gebruikt)

slay: stijlvol (uiterlijk, vooral door meisjes gebruikt)

ohio: voor alles wat een beetje raar is (knipoog naar saaiste Amerikaanse staat)

skibidi (toilet): vet (verwijzing naar absurdistische animatieserie van Georgische YouTuber Alexey Gerasimov)

rizzler of rizz (van charisma): een goede flirter

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next