Home

Hans van Dam (100): ‘Blijf niet hangen in wat je is aangedaan, daar schiet je niks mee op’

Hans van Dam is 100 jaar. Hoe kijkt deze vrijheidslievende Fries terug op de eeuw die achter hem ligt?

In de tuin van Hans van Dam wappert de Friese vlag. Zijn leven lang woont de 100-jarige in zijn geliefde provincie. ‘Een gewone Friese jongen, een tikje eigenwijs’, noemt hij zichzelf. ‘Niks bijzonders.’ Met een lachend gezicht vertelt hij zijn levensverhaal.

Hoe gaat het met u?

‘Goed. In augustus acht jaar geleden ben ik in één nacht blind geworden. Ik zag al slecht, door maculadegeneratie, een oogaandoening. Na een bloeding die nacht zag ik helemaal niets meer. Ik probeer er het beste van te maken, het lukt mij redelijk goed mezelf te redden.

‘De wekker gaat elke ochtend om 7:15 uur. Na het wassen, aankleden en scheren komt de hulp om mijn ontbijt klaar te maken. Ook tussen de middag en in de avond komt er iemand voor mijn maaltijd. Als ze weg is, ga ik afwassen, op het gevoel. Na het tienuurjournaal pak ik een luisterboek, aan boeken besteed ik het grootste deel van de dag: historische boeken vooral, over de scheepvaart en de oorlog. Op dinsdagochtend doe ik krachtoefeningen bij de fysiotherapeut.

‘Mijn zoon, die in de buurt woonde, is tot mijn verdriet zestien jaar geleden overleden. Mijn twee dochters komen geregeld langs en de buurman, die een oogje in het zeil houdt, onderhoudt mijn tuin. Als er ’s avonds bezoek is, drink ik graag samen een Berenburgje. Natuurlijk lig ik voor het slapengaan in bed weleens te prakkiseren. Dan dank ik de Heer dat mijn kinderen, kleinkinderen en ik gezond zijn en dan word ik weer rustig. Zo leef ik.’

Lijkt u meer op uw vader of op uw moeder?

‘Mijn vader. Hij was een royale en goede man, gemeenheid zat er niet bij. Ik bracht veel tijd met hem door, want werkte in zijn bakkerij. Mijn moeder… laat ik het zo stellen: we pasten helaas niet zo best bij elkaar. Ik ben een beetje eigenwijs, dat had ik van haar, daardoor konden we botsen. Ze trok mijn zes jaar jongere broer Tjeerd voor, hij hoefde minder te werken dan ik. Vaak kreeg ik te horen: ‘Hans redt zich wel in zijn leven, maar op Tjeerd moeten we passen.’ Daar trok ik mij niets van aan.

‘Mijn moeder kwam uit een pioniersfamilie, al in de 18de eeuw trokken familieleden naar Amerika. Dat zou zij na de oorlog ook doen, met mijn vader en mijn broer.’

Had u een jongensdroom?

‘Zeeman. Maar het is er niet van gekomen. Ik ben erg op mijn vrijheid gesteld. Daarom zit ik hier, en woon ik niet in een bejaardenhuis.

‘Ik wilde naar de zeevaartschool. Na de lagere school was er geen ruimte om door te leren, ik moest aan het werk. Eerst allerlei losse baantjes, en vanaf mijn 15de in de bakkerij van mijn vader, elke ochtend vanaf 5 uur tot ’s avonds laat, zes dagen in de week.

‘Ook na de oorlog was het hard werken om het bedrijf levensvatbaar te houden. Ik ging de bakkersvakschool ernaast doen en haalde mijn middenstandsdiploma. In mijn vrije tijd, als ik die had, was ik van jongs af aan op het water te vinden. Ik deed mee aan zeilwedstrijden, op mijn 18de kocht ik een lark, een kleine zeilboot – een groot bezit in die tijd, waarvoor ik jaren had gespaard.

‘Tijdens de laatste oorlogsjaren dook ik geregeld onder om aan tewerkstelling in Duitsland te ontkomen. Dan voer ik ’s nachts in een kajak van Garyp naar Earnewâld – ik kende alle doorgangen in het merengebied – en zette tussen het riet mijn tentje op. Op het laatst van de oorlog zat het er stikvol onderduikers.’

Hoe was het om uw droom te laten varen voor de bakkerij van uw vader?

‘Ik wilde mijn vader niet in de steek laten. Hij was mijn kameraad. Hij had de gave van bijna niets iets te maken. Zo zijn we ook de oorlogsjaren doorgekomen. Er ontstond een tekort aan meel en brandstof. Van vermalen groene erwten, witte bonen en inlandse tarwe wist hij deeg te maken. Hij had geregeld dat hij broden voor eigen gebruik mocht bakken in de vlasfabriek, na sluitingstijd om 17 uur. De stoom van de houtovens was dan nog warm genoeg voor zeven stuks.

‘In februari 1940 waren we van It Heidenskip naar Oenkerk verhuisd om daar een praktisch failliete bakkerij over te nemen. Er waren elf bakkers in de zes dorpjes van Trynwâlden, waar Oenkerk er één van was. De concurrentie was dus groot; als de bakkers met hun waren aan het venten waren, reden ze elkaar bijna omver. Mijn vader deed goede zaken omdat hij een uitzonderlijk vakman was. Hij kon alles: roggebrood, beschuit, banket.

‘Bakkers gebruiken dezelfde grondstoffen, maar onderscheiden zich door hun bereidingswijze. Befaamd was mijn vader om zijn reepkoek, die was van topkwaliteit. We gingen ermee stunten: vijf koeken voor een kwartje, 600 gram bruto gewicht aan deeg. We verdienden er vijf cent aan.

‘Mijn vaders stelregel was: ‘Een goed product trekt vijandsgeld.’ Geloofskwesties speelden een grote rol in die tijd. Gereformeerden kochten bij de gereformeerde bakker, slager en kruidenier, katholieken bij de katholieke, hervormden bij de hervormde. Mijn vader was gereformeerd en 30 procent van zijn klanten was van zijn eigen geloofsrichting.’

Bent u altijd bakker gebleven?

‘Nee, in 1955 heb ik de zaak op verzoek van mijn ouders verkocht. Vijf jaar eerder, ik was net getrouwd, waren ze met mijn broer geëmigreerd naar Canada. Het was vooral mijn moeders wens, ze was bang voor de Russen en vreesde dat er een Derde Wereldoorlog zou uitbreken. Over hun emigratie werd ik op het allerlaatste moment ingelicht.

‘Ik werd voor een voldongen feit geplaatst: ik moest de bakkerij draaiende houden; zou het hen niet lukken in Canada een bestaan op te bouwen, dan konden ze terugkeren en de bakkerij voortzetten. Toen ze vijf jaar later van Canada naar Amerika verhuisden en besloten daar te blijven, konden ze de opbrengst uit de verkoop van de bakkerij goed gebruiken.’

Hoe was dat voldongen feit voor u, had u meegewild naar Canada?

‘Hun emigratie overviel mij. Om heel eerlijk te zijn, had ik het te druk in de bakkerij om er lang bij stil te staan. Ik wilde mijn vader niet teleurstellen, dus zette ik de bakkerij voort. Na de verkoop in 1955 waren mijn vrouw Hieke en ik van plan ook te emigreren, maar mijn schoonvader overleed en Hieke zag er tegenop haar moeder achter te laten. We besloten in Nederland te blijven.

‘Ik kon vertegenwoordiger worden bij een groothandel in zoetwaren en kreeg een auto van de zaak, een Volkswagen-bestelbus. Ik reisde heel Friesland door. In deze baan voelde ik mij als een vis in het water: de vrijheid, de omgang met mensen. Het klinkt misschien opschepperig: al het eerste half jaar had ik de hoogste omzet van alle zeven vertegenwoordigers.

‘Jaren later stapte ik over naar Firestone Company en Veith Pirelli, en reisde het hele land door, nu om autobanden aan de man brengen. Ik heb soms onverantwoord hard gereden, ook in de autocrosserij, waar ik mij in mijn vrije tijd mee bezighield en redelijk succesvol in was. Zo kwam ik een keer thuis met 600 gulden aan prijzengeld, dat was veel geld. Mijn vrouw had er een hekel aan, daarom stopte ik ermee.

‘Op mijn 52ste moest ik stoppen met werken, ik was finaal opgebrand. Ik beschouwde mijn werk altijd als sport; wilde de beste zijn en legde de lat heel hoog. Ik vertrok met een regeling. Het klinkt raar, maar niet meer hoeven werken voelde als een bevrijding. Hieke en ik konden gaan varen; van mei tot 9 september, als onze jongste dochter jarig is, waren we op het water; over de binnenwateren vaarden we met de motorboot naar België, Frankrijk, Duitsland.’

Bent u in uw leven van politieke kleur veranderd?

‘Ik ben een Fries en stem daarom altijd op de Fryske Nasjonale Partij. Bij de landelijke verkiezingen stem ik gevarieerd, vaak CDA – omdat ik vermoed dat die partij het wel goed zal bedoelen. Ik ben niet politiek aangelegd, een partijprogramma heb ik nog nooit gelezen. Stemmen doe ik op gevoel, daarom zal ik nooit op een partij stemmen die de onverdraagzame ideeën van Wilders uitdraagt.

‘Eén keer heb ik op de VVD gestemd, dat was nadat partijleider Hans Wiegel net zijn vrouw had verloren en hij in de Tweede Kamer fel werd aangevallen. Ik dacht: hou toch je fatsoen! Als je ziet hoe veel politici zich nu gedragen, en de onbeschoftheid van sommigen... Maar voor de oorlog ging het er ook niet altijd netjes aan toe, hoor. Ik herinner mij de verkiezingsleuze ‘Stem De Geer, de edele heer, maar niet Colijn, dat everzwijn’.’

Welke levenslessen heeft u geleerd?

‘Natuurlijk zijn er dingen waar ik spijt van heb – dat ik niet naar de begrafenis van mijn beide ouders ben gegaan, bijvoorbeeld. Later dacht ik: ik had op het vliegtuig naar Amerika moeten stappen, een halve dag later had ik er gestaan.

‘Wat ik belangrijk vind in het leven is dat je je waardigheid behoudt. Blijf niet hangen in wat je is aangedaan, daar schiet je niks mee op. En houd je aan je woord, anders heeft wat je zegt geen enkele waarde. Een ander moet weten wat hij aan je heeft.’

Hans van Dam

geboren: 6 juni 1924 in It Heidenskip

woont: zelfstandig, in Tytsjerksteradiel

beroep: bakker en vertegenwoordiger

familie: drie kinderen (een overleden), acht kleinkinderen, twaalf achterkleinkinderen

weduwnaar sinds 2005

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next