Toen Akzo nog zonder Nobel was en kantoor hield in het ‘provinciale’ Arnhem, was het een gediversificeerd bedrijf dat kunstvezels maakte, zout won, Duyvis-nootjes verkocht, geneesmiddelen (de anti-conceptiepil) produceerde bij Organon en ook nog met Sikkens in verven zat.
Guup Krayenhoff en Aarnout Loudon konden dit allegaartje indertijd redelijk bij elkaar houden en er een mooi winstgevend bedrijf van maken, een visitekaartje van Nederland dat op de toenmalige Amsterdamse effectenbeurs tot de vijf internationals werd gerekend. Het was een defensief aandeel – gekscherend een weduwen- en wezenfonds genoemd – waar een belegger zich geen buil aan kon vallen. Geen spectaculaire koerswinst, maar een stabiel koersverloop met een mooi dividend.
Over de auteur
Peter de Waard is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Maar in de jaren negentig waren deze weduwen- en wezenfondsen, of conglomeraten, niet langer geliefd. Onder druk van de financiële markten werden ze uit elkaar getrokken, zodat de aandeelhouders zich konden richten op het meest lucratieve deel, waarin het bedrijf marktleider was en de prijzen kon zetten.
Akzo koos er na de fusie met het Zweedse Nobel uiteindelijk voor zich volledig te concentreren op verf. Onder leiding van Hans Wijers en Ton Büchner gingen de andere activiteiten eruit, zodat AkzoNobel op de wereldmarkt van verven en coatings samen met het Amerikaanse PPG een soort oligopolie vormde. Het kon niet voorkomen niet dat AkzoNobel in 2017 prooi dreigde worden bij een vijandige overname.
Daarna werd nog meer gereorganiseerd om de aandelenkoers op te krikken. Inmiddels is het al een tijd lang de verfdivisie zelf die wordt gesaneerd. Deze week kondigde AkzoNobel aan een groot deel van zijn verfwinkels in Frankrijk te verkopen of sluiten. Daarmee schrapt het bedrijf bijna een zesde van de banen in het land.
De huidige CEO, Grégoire Poux-Guillaume, wil tot 2027 in totaal 250 miljoen besparen, door de productie goedkoper en efficiënter te maken. Vorig jaar maakte AkzoNobel bekend de fabriek in Groot-Ammers in Nederland en die in Cork (Ierland) en Lusaka (Zambia) te sluiten. Ook tweeduizend mensen op de kantoren moeten weg.
AkzoNobel presteert onder de verwachting, zo luidt de verklaring. Daardoor behoorde het met een koersdaling van 23 procent in 2024 tot de grote verliezers onder de AEX-fondsen. Want nu het bedrijf alle eieren in één mand heeft gestopt, is het ook kwetsbaar voor economische tegenwind. Verf is een conjunctuurgevoelig product. Als de bouw of de auto-industrie instort, wordt er ook veel minder verf verkocht.
AkzoNobel heeft de lat hoog gelegd. Misschien te hoog. In plaats van een defensief fonds – of laagrisicofonds – is het nu een cyclisch fonds – of hoogrisicofonds – dat goede tijden afwisselt met slechte. Er zijn geen andere onderdelen meer die tegenslagen compenseren. Akzo wil zich nog verder specialiseren. ‘We hebben ook te veel varianten aan verf’, zei Poux-Guillaume vlak na zijn aanstelling in het FD.
Helaas zijn defensieve waarden – ook Philips en Unilever hebben zich op één tak van sport gericht – uit de mode. Als AkzoNobel en Philips hun hoofdkantoren van Amsterdam weer naar de provincie verplaatsen, zouden ze misschien minder gevoelig zijn voor het sentiment op Beursplein 5.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns