Stikstof, water, klimaat: problemen te over in de landbouw. Hoogleraar Hens Runhaar verbaast zich over het gebrek aan gevoel voor urgentie bij bestuurders en politici. ‘Ze steken de kop in het zand, er verandert niets.’
is economieredacteur van de Volkskrant. Hij schrijft onder meer over landbouw en voedsel.
Zijn vrije tijd brengt hoogleraar Hens Runhaar (53) graag door in het buitengebied rond Utrecht: om de lokale populatie dassen te monitoren. Samen met andere dassenliefhebbers telt hij het aantal dieren, vooral de jongen, en houdt hij een oogje op de burchten. Ooit werd de das bedreigd met uitsterven in Nederland. Rond 1960 waren er nog maar zo’n 1.200 over, door bejaging en het toenemend aantal auto’s.
Tegenwoordig gaat het veel beter met de dieren, merkt ook Runhaar. Dankzij beschermingsmaatregelen en herintroductie herstelt de populatie.
Deze ‘prachtige en raadselachtige schepsels’, zoals Runhaar ze noemt, voelen zich uitstekend thuis op het grensvlak tussen boerenland en natuur. Juist op hoogproductief grasland, dat regelmatig wordt bemest en gemaaid, vinden ze veel voedsel. ‘Hun dieet bestaat vooral uit regenwormen die ze vinden op grasland, en, in het najaar, maïs.’
Dat grensvlak tussen landbouw en natuur is ook het onderzoeksveld van Runhaar. De nieuwe hoogleraar ‘Beleid en sturing voor duurzame voedselsystemen’ aan de Universiteit Utrecht spreekt vrijdag zijn oratie uit. Daarin zet hij uiteen waar de overheid en andere partijen nu tekortschieten – en hoe ze een duurzamere voedselproductie kunnen stimuleren.
Want dat voedselproductie en natuur elkaar momenteel in de weg zitten, is voor Runhaar duidelijk. Het succesverhaal van de das is namelijk verre van representatief voor de natuur in Nederland. ‘We gaan met ons gezin al dertien jaar op fietsvakantie, veelal door agrarisch cultuurlandschap. Dat kan ontzettend mooi zijn, maar in Nederland is gewoon heel veel natuur verloren gegaan’, stelt Runhaar.
Hij verwijst naar tellingen van het Compendium voor de Leefomgeving, waaruit blijkt dat de populaties van weide- en akkervogels sinds 1990 met tweederde zijn achteruitgegaan. ‘Dat is echt niet voor te stellen.’
De ondertitel van uw oratie is ‘nieuwe verbanden voor meer diversiteit’. Om wat voor verbanden gaat het?
‘Tussen boer en consument bijvoorbeeld. Daar gaapt nu een enorme kloof. Wat wij eten, komt voor misschien wel driekwart van elders. En wat Nederlandse boeren produceren, gaat grotendeels de andere kant op; zij produceren voor de wereldmarkt, waar de prijs bepalend is.
‘Voor maatschappelijke diensten als meer biodiversiteit of koolstofopslag in de bodem, krijgen ze geen waardering, en het kost alleen maar geld. Waarom zou een Duitser betalen voor de Nederlandse grutto?
‘Door meer direct aan consumenten in de buurt te verkopen, houden boeren invloed op de prijs van hun producten. Dan kunnen ze ook op een andere manier gaan werken. Nu kampen veel van hen met schulden en krappe marges.’
Blijkbaar is er niet genoeg vraag naar dat soort modellen. Ook politiek is het draagvlak voor een andere manier van werken? beperkt.
‘De overheid is in mijn optiek uitgevonden voor de lange termijn en het algemeen belang. Daarom hebben we ons gecommitteerd aan allerlei internationale afspraken en Europese wetgeving over biodiversiteit en klimaat. Momenteel handelt de overheid in strijd met die afspraken. Je zou verwachten dat de overheid boven de partijen gaat staan, maar dat blijkt moeilijk. Ik probeer te onderzoeken: wat is er voor nodig om daar doorheen te breken?’
‘Uiteraard is de politiek afhankelijk van draagvlak. Maar als maatschappij hebben we allerlei instituties die los van de waan van de dag belangrijke taken invullen, zoals de waterschappen. Dat zou je ook voor de landbouw kunnen doen. Cees Veerman (oud-minister van Landbouw, red.) heeft ooit al voorgesteld een commissaris Landelijk gebied aan te stellen, naar het model van de Deltacommissaris.’
Runhaar – vorig jaar februari benoemd op zijn leerstoel – behoort tot een groeiende groep wetenschappers die de schaalvergroting en intensivering van de landbouw in de afgelopen decennia niet ziet als een gegeven, maar als oorzaak van veel van de huidige milieuproblemen. Als oplossing pleit hij voor meer variatie in voedselproductie, waarbij extensivering boeren minder afhankelijk maakt van de grote bedrijven die hulpmiddelen leveren als kunstmest en bestrijdingsmiddelen.
U stelt dat het voedselsysteem ‘zeer resistent tegen verandering’ is. Hoe komt dat?
‘Veel dingen gaan al decennialang hetzelfde. Er zit een goed georganiseerde sector achter met grote lobbykracht, niet alleen in Den Haag, maar ook in Brussel en de regio.
‘In de transitiewetenschap hebben we allerlei modellen die goed werken om de energie- en mobiliteitstransitie te begrijpen. Maar voor voedsel werkt het toch anders. We zitten al meer dan vijfenhalf jaar in de stikstofcrisis, de watercrisis komt eraan. Toch steekt de politiek de kop in het zand en verandert er niets. Als wetenschapper vind ik dat fascinerend.
‘Een aantal jaar geleden hebben we onderzoek gedaan naar structurele belemmeringen die boeren ervan weerhouden over te schakelen naar natuurinclusieve landbouw. Daaruit bleek dat er geen verdienmodel is voor ecosysteemdiensten als biodiversiteit en koolstofopslag, boeren met hoge schulden zitten die ze niet kunnen afschrijven, er een gebrek aan kennis is over nieuwe modellen, en de politiek geen duidelijkheid biedt over het perspectief voor de lange termijn.
‘Het huidige kabinet vergroot de problemen juist door innovatie als dé oplossing te noemen. Daarmee wordt de schuldenlast groter en de bewegingsruimte om iets anders te doen kleiner. Terwijl de vergunningen vaak sneuvelen bij de rechter. Je zet de boer dus nog meer klem.’
U bent ‘geïrriteerd’ over het gebrek aan verantwoordelijkheid dat de EU en de Nederlandse overheid volgens u nemen in de voedseltransitie. Stevige taal voor een wetenschapper.
‘In een oratie mag het wat persoonlijker zijn. Maar inderdaad, het ergert me bijvoorbeeld dat minister Wiersma (Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, red.) met maatregelen voor de mestmarkt komt waarvan ze zelf zegt dat die onvoldoende effect zullen sorteren. We weten allemaal dat de overtollige mest voor een deel illegaal zal worden uitgereden. Dat betekent nog meer schade aan de natuur en de waterkwaliteit.’
Het alternatief is dat op korte termijn heel veel dieren naar de slacht moeten.
‘Klopt, maar voor de lange termijn zou je perspectief kunnen bieden. Na de Tweede Wereldoorlog hebben we onze landbouw opnieuw opgebouwd en dat heeft een aantal decennia goed gewerkt. Nu is het weer tijd voor een nieuw soort landbouw.’
Het vorige kabinet zette in op gebiedsprocessen en een fonds van 24,3 miljard euro. Was dat een serieuze poging om dat perspectief te bieden?
‘Het was in ieder geval een eerste poging. Ik denk wel dat er te veel geld naar opkoop van boeren was gegaan. Daarmee doe je niet zo veel voor de boeren die overblijven. Provincies vonden dat er meer geld nodig was. Maar door dat fonds te schrappen, creëert het huidige kabinet verschillende problemen. Niet alleen dat de reeds gemaakte plannen niet doorgaan, maar ook dat het vertrouwen in de Rijksoverheid bij veel betrokkenen tot nul is gereduceerd.’
Tot tien jaar geleden publiceerde Runhaar over milieubeleid in al zijn verschijningsvormen. Sinds zijn aanstelling in 2015 aan de Wageningen Universiteit als buitengewoon hoogleraar Beheer van biodiversiteit en agrarisch landschap, is de landbouw zijn voornaamste aandachtsgebied geworden. ‘In Nederland zijn we bezig met natuurbescherming in natuurgebieden, maar de grootste dreiging voor de natuur komt uit landbouwgebieden.’
Dit kabinet zet sterk in op agrarisch natuurbeheer. Wat kunnen we daarvan verwachten?
‘Het budget was 100 miljoen euro per jaar, daar komt 500 miljoen bij. Maar het hangt er wel vanaf hoe dat wordt ingevuld. Boeren mogen nu zelf kiezen of ze meedoen, en welke maatregelen ze nemen. De vergoedingen mogen niet winstgevend zijn, dus vooral boeren met een groen hart doen mee.
‘Als de voorwaarden voor die 500 miljoen te losjes worden, kun je je afvragen wat de ecologische winst zal zijn. Maar ik geloof er wel in. In Nederland is het landschap nu óf natuur óf landbouw, terwijl we juist daartussen slagen moeten maken. Er zullen gebieden zijn waar voedselproductie bovenaan blijft staan, maar elders zou de landbouw veel meer natuurinclusief moeten worden.’
Vanwaar uw interesse in nichebewegingen als natuurinclusieve landbouw?
‘Ik denk dat er doorgaans genoeg aandacht is voor hoe de conventionele landbouw met technologie verder kan verduurzamen. Dat zijn vaak single- issue oplossingen, bijvoorbeeld efficiënter omgaan met kunstmest of water. Terwijl je holistischer moet kijken. Met luchtwassers ga je de biodiversiteit niet substantieel vergroten. Natuurinclusieve landbouw heeft ten minste de belofte in zich meerdere problemen in één keer op te lossen.
‘Tegenstanders van verandering roepen dan dat de opbrengsten lager zijn en er dus meer ruimte nodig is. Dat is alleen waar als je per se hetzelfde wil blijven produceren. Bijna 80 procent van de landbouwgrond wordt gebruikt voor vee en veevoer. Als we meer plantaardig eten, houden we ook meer ruimte over.’
Kan de sector ook op eigen initiatief stappen zetten?
‘Zeker, op het gebied van weidegang voor koeien is dat bijvoorbeeld gebeurd. Koeien binnen houden is efficiënt, dus het aantal uren weidegang daalde jarenlang. Iedere betrokkene had zijn eigen redenen om daar iets aan te doen: de Dierenbescherming wilde de koe weer haar natuurlijke gedrag laten vertonen en een rem zetten op de intensivering, de sector zelf wilde legitimiteit behouden. Zo kwam er een brede coalitie bij elkaar, die iets structureels opbouwde: er kwamen premies, weidecoaches, certificering, het werd voor een deel uit de markt gehaald.
‘Het doel, 120 dagen zes uur weidegang per jaar, is misschien niet heel hoog. Maar wat ik zo interessant vond, is dat het een trendbreuk was. De sector intensiveerde, dan is opstallen logisch. Dit ging er lijnrecht tegenin, maar dankzij die coalitie zien we nog steeds koeien in de wei.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant