Home

Nazi-jager Jack Kooistra (1930-2025) was altijd op zoek naar gerechtigheid. ‘Ik zal ze zo lang tergen, dat ze niet weten waar ze moeten kruipen’

Jack Kooistra stelde tijdens zijn leven een kaartenbak samen met 180 duizend namen van daders en slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Na 80 jaar speuren was zijn werk nog niet af.

is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft geregeld over de Tweede Wereldoorlog.

De naam waarmee het indrukwekkende oorlogsarchief van de Fries Jack Kooistra begon, was van de visboer die elke vrijdag een moot vis voor hem meenam: Jan Hendrik Venema uit Hurdegaryp. Kooistra, tien jaar oud toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, hoorde van zijn moeder dat de man gesneuveld was bij gevechten tegen de Duitsers. Daarop pakte hij een schrift en noteerde zijn naam.

Vervolgens kon hij niet meer stoppen. Kooistra bleef zijn hele leven informatie verzamelen: van oorlogsslachtoffers én oorlogsmisdadigers. Die schreef hij op kaartjes die hij keurig in kaartenbakken rangschikte. Momenteel telt het archief circa 180 duizend namen.

Het was nog niet af. Toen zijn zoon Jacques dinsdag arriveerde in woonzorgcentrum Erasmus, nadat hij een telefoontje had gekregen dat zijn 94-jarige vader onverwachts was overleden, trof hij driehonderd kaartjes en een opengeklapte laptop aan. ‘Hij is in het harnas gestorven’, zegt Jacques.

Harde schop

Jack Kooistra werd op 24 maart 1930 als Jacob Kooistra geboren in het Friese Zwaagwesteinde. Dat hij niet bang was aangelegd, bleek al vroeg. Zo draaide hij in de gereformeerde kerk zijn stoel een keer om, zodat hij met zijn armen op de rugleuning kon steunen. ‘De dominee vroeg hem normaal te gaan zitten’, zegt Jacques, ‘maar dat weigerde hij. Vervolgens is hij de kerk uitgezet.’

Toen Kooistra tijdens de oorlog zag hoe zijn vader een schop kreeg van een Duitse soldaat, twijfelde hij geen moment. Hij probeerde de soldaat een trap terug te geven. ‘Die soldaat gaf hem toen zo’n harde schop dat zijn achterste nog dagenlang pijn deed’, zegt Jacques.

Na de bevrijding begon Kooistra (destijds vijftien à zestien jaar oud) serieus aan zijn kaartenbak te werken. Hij schreef gemeenten aan met de vraag of ze met hem wilden delen wie er overleden waren tijdens de oorlog. ‘Duizenden gemeenten hebben hem belangeloos informatie verstrekt’, zegt Jacques, die de brieven in het archief van zijn vader aantrof. ‘Ik heb ze weggegooid, want alle informatie heeft hij overgeschreven op die kaartjes.’

Schrik van Roden

Kooistra werkte na de oorlog onder meer als maatschappelijk werker en als archivaris. Ook diende hij met het Nederlandse leger in Nederlands-Indië en Nieuw-Guinea. Later ging hij aan de slag als sport- en rechtbankverslaggever bij het Friesch Dagblad.

Ondertussen werkte hij aan de uitbreiding van zijn archief van slachtoffers en daders. En hij begon op nazi’s te jagen die zich in het buitenland schuilhielden. Zo traceerde hij in 1982 oorlogsmisdadiger Jacob Luitjens, ook wel bekend als ‘de Schrik van Roden’. Luitjens, die een doodnormaal leven leidde in Canada, werd in 1992 naar Nederland uitgewezen en verdween alsnog in de cel.

Het leverde Kooistra een aantal bijnamen op. Zo werd hij ‘de Friese Wiesenthal’ genoemd (ook wel ‘Friesenthal’) naar de Oostenrijkse nazi-jager Simon Wiesenthal. In de Angelsaksische wereld stond hij bekend als ‘Hunting Jack’.

Gerechtigheid

Wat dreef Kooistra om onvermoeid op nazi’s te blijven jagen? ‘Hij was altijd op zoek naar gerechtigheid’, zegt zijn zoon. ‘Mensen mochten niet ongestraft ontsnappen. Of het nou NSB’ers waren of leden van de Landwacht: die schoften moest je pakken.’

Zelf zei hij in 1993 in een reportage van KRO Reporter dat hij het niet kon verkroppen dat oorlogsmisdadigers op vrije voeten waren, terwijl hun slachtoffers tot aan de dood getraumatiseerd waren. ‘Ik zal ze zo lang tergen, zo lang lastigvallen, dat ze niet weten waar ze moeten kruipen.’

In dezelfde reportage gingen Kooistra en de journalisten in het Duitse Hagen op zoek naar Herbertus Bikker, ‘de beul van Ommen’, die in 1952 was ontsnapt uit de Koepelgevangenis in Breda en sindsdien in Duitsland woonde.

Bart Nijpels, een van de KRO-verslaggevers, noemt Kooistra een ‘bloedfanatieke speurneus’. Hij was zich bewust van de gevaren van zijn werk. Nijpels vertelt dat ze ‘in een met kranten afgeplakt busje’ voor het huis van Bikker stonden. ‘Toen we hem zagen, gingen we eropaf. Hij reageerde vrij agressief en Jack was duidelijk op zijn hoede. En terecht, bleek later. Bikker droeg altijd een wapen bij zich.’

Vergetelheid

Een laatste wapenfeit? Dat komt er nog aan. Komend voorjaar moet het dertiende en laatste boek van Jack Kooistra verschijnen, een boek met de namen en zo mogelijk foto’s van 5.017 Joodse kinderen die de oorlog niet overleefden. ‘Mijn vader vond dat de vermoorde kinderen in de vergetelheid waren geraakt’, zegt Jacques. ‘Met dit boek hoopte hij ze een gezicht te geven.’

3 x Jack Kooistra

- Na de Zilveren Anjer die hij in 2016 van prinses Beatrix kreeg, werd Kooistra vorig jaar benoemd tot Officier in de Orde van Oranje Nassau.

- Het archief van Kooistra (en zijn typemachine) liggen nu grotendeels bij het Militair Mobiel Depot in Loosdrecht. Conservator Jan Stuivenberg belooft er goed voor te zorgen. ‘De boel mag niet verdwijnen.’

- ‘Huize Lijkzicht’ werd zijn huis ook wel genoemd, zei Kooistra ooit tegen Omroep Fryslan. ‘Als je in mijn archief kijkt, dan zijn het allemaal documenten over doden en oorlogsmisdadigers.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next