Vanavond treft Rijnsburgse Boys Feyenoord in de achtste finales van de KNVB-beker. Over hun kansen tegen de deftige Rotterdammers zijn de Rijnsburgers optimistisch, met die eigenwijze onverzettelijkheid die de club zo eigen is. ‘Onze spelers gaan met goede beentjes het veld op.’
is voetbalverslaggever van de Volkskrant.
Noem ze gerust eigenwijs, Rijnsburgers. ‘We zien onszelf een beetje als de Galliërs’, zegt Gerard van der Meij, die de kaartjes verkocht voor de kraker in de KNVB-beker tegen Feyenoord, woensdag. Hij varieert vrijelijk op de strips over Asterix en Obelix: ‘Heel Nederland... nee, een klein dorpje in de Bollenstreek...’ En dan: ‘Wij zijn ook arrogant.’
Over de kwalificatie arrogant ontstaat discussie aan de stamtafel op Sportpark Middelmors, als het zogenoemde klusteam koffiedrinkt alvorens zijn naam waar te maken. Klussen dus. Zelfverzekerd is een betere benaming. ‘Het is ook een handelsdorp’, zegt Henk Hogewoning, de pr-man van de club. ‘We zijn extravert, we treden naar buiten.’
Bij dat streven vonden ze een passende trainer, René van der Kooij, een tactisch en didactisch begaafde vakman. De profclubs Volendam en Roda JC zijn dit seizoen al verslagen in het bekertoernooi. Van der Kooij vertelde onlangs dat hij in cafés nog geregeld drankjes van Feyenoorders krijgt aangeboden, als dank voor de uitschakeling van Ajax vorig seizoen door zijn toenmalige club Hercules. ‘Dat is na woensdag wel over, dat hij drankjes krijgt van Feyenoorders’, zegt een van de mannen aan tafel. Een gulle lach vult de ruimte.
Rijnsburgers willen veel, maar wat ze niet willen is zichzelf vergelijken met Katwijkers, terwijl ze officieel bij de gemeente Katwijk horen. Ze zijn vooral trots op zichzelf, op de bijnamen waarmee ze door het leven gaan. Zo noemen ze Gerard van der Meij ‘de Kruuk’. Heeft het met een kruik te maken, met drank? Hij heeft geen flauw idee. Hij is gewoon de Kruuk.
Dat eigenwijze karakter reflecteert zelfs in de geschiedenis van de zogenoemde Wilhelminaboom in het dorpscentrum, een majestueuze boom met een hek erom, in de Tweede Wereldoorlog uitgegroeid tot een baken van verzet. De bewoners versierden de boom met oranje vlaggen en lampionnen, als protest tegen de Duitse inval. De vijand sommeerde alles op te ruimen en dreigde zelfs de boom om te hakken. In koor: ‘Wij zijn Oranjegezind.’ Rijnsburg herbergde onderduikers. Hanneke Groenteman bijvoorbeeld.
Willem van Klaveren, een andere klusser: ‘De vader van Eberhard van der Laan, de vorige burgemeester van Amsterdam, was verzetsstrijder.’ Van der Meij: ‘Hij was hier huisarts. Mijn opa heeft drie nachten aan mijn bed gezeten, bang dat ik zou sterven door hersenvliesontsteking. Elke twee uur kwam de dokter mijn oren druppelen. Eberhard heeft hier nog gevoetbald. Eppie, heette hij hier. Eppieeee, riepen we dan. De notabelen van het dorp zaten in het verzet tijdens de oorlog.’
Die eigenwijze onverzettelijkheid zit ook in het voetbal, sowieso in de hele Bollenstreek, de biotoop van de top bij de amateurs. De regio is met drie clubs vertegenwoordigd onder de laatste zestien van de KNVB-beker. Noordwijk, Quick Boys en Rijnsburgse Boys. In de tweede divisie, de hoogste amateurklasse met stevige trekjes profvoetbal, nemen ze plek 1 (Quick Boys), 2 (Rijnsburg) en 4 (Katwijk) in. Feyenoord is gewaarschuwd.
Zeker als Van der Meij begint te praten. ‘Wij hebben een werkveld.’ Hij bedoelt dat het veld geen biljartlaken is. Het is van natuurgras, terwijl veel clubs in de top van de amateurs kunstgras koesteren. Bij Rijnsburg niet. Nooit. En weet Feyenoord al in welke kleedkamer de spelers zitten? Hogewoning leidt rond door de accommodatie. Kleedkamer 1, van Rijnsburg, is prachtig. Met foto’s van de spelers, met vaste plaatsen. Feyenoord krijgt het sjofele, veel kleinere lokaal 12 toegewezen en zal het aanpalende 13 er wel bijnemen om de hele staf te herbergen.
Van der Meij, derhalve: ‘Natuurlijk hebben wij een kans. Die Feyenoorders zijn deftige lui, gewend aan goede velden. Ze hebben al de pest in over het verschil in kleedkamers. Het is hier veel opener dan in stadions. Stel dat het een graad of 6 is, terwijl het regent. Daar hebben zij helemaal geen zin in, want een week later spelen ze weer in de Champions League. Ze moeten eerst tegen zo’n lullig clubje als Rijnsburgse Boys, dat tot de tanden toe is bewapend. Onze spelers gaan met goede beentjes het veld op. Van mij mag je opschrijven: Rijnsburgse Boys wint na strafschoppen.’
De verhuizing van het duel naar het stadion van ADO, om meer publiek te kunnen ontvangen, is nooit aan de orde geweest. De club speelde al eens eerder tegen Feyenoord, tegen Ajax, PSV, FC Porto, Barcelona, zelfs tegen Oranje, in een oefenduel. Willem van Klaveren, met veertig dienstjaren bij de club: ‘We speelden 1-1. Bondscoach Leo Beenhakker zei toen: Rijnsburgse Boys-uit, altijd lastig. We hebben Volendam van de mat gespeeld, gewoon 90 minuten.’
Alle kaarten zijn verkocht. Er zullen, mede vanwege veiligheid, rond de 4.000 toeschouwers aanwezig zijn, met officieel 200 kaarten voor Feyenoord. De club heeft ongeveer 1.700 leden in een kern met 17 duizend inwoners. Vrijwel iedereen heeft een band met de club. Bij een wandeling door het dorp glimmen de ogen van groenteboer Kees van Delft, tevens een van de sponsors. Hij regelt fruit voor de spelers van het eerste elftal en gaat altijd kijken, ook naar uitwedstrijden. En de winkel dan, op zaterdag? Ach, lacht zijn vrouw Sandra, dat regelt zij wel. Ze geeft de Volkskrant mandarijntjes mee. Voor onderweg.
Gemeenschappelijk is de liefde van het dorp voor de club. Bij de mannen van het klusteam is de een gepensioneerd, de ander staat nog volop in het werkzame leven. Henk Jan Hofstede is op de klusdag net een paar uur terug uit Zwitserland. Hij werkt bij een bloemengroothandel. ‘Deze club zit in mijn hart, terwijl ik nota bene een import-Rijnsburger ben, want ik woon hier pas 32 jaar.’ De liefde dreef hem van Hardenberg naar Rijnsburg.
Per 1 januari is zelfs een officiële supportersvereniging opgericht. Arjan Bakkenes, de voorzitter: ‘We leggen ons de druk op om alles tot in de puntjes te organiseren. De wedstrijd komt rechtstreeks op tv, we willen niks vergeten. Het plaatje moet kloppen.’ Ja, het zijn hoogtijdagen voor de Bollenstreek. Donderdag ontvangt Quick Boys een paar kilometer verderop SC Heerenveen. Van der Meij, met een kwinkslag: ‘Als wij twee bruggen ophalen, is Katwijk van de buitenwereld afgesloten.’ Hofstede: ‘Het is een utopie om te denken dat wij de beste zijn bij de amateurs. Als je heel zakelijk kijkt, staan wij financieel niet in de top. Quick Boys of Spakenburg hebben meer eurootjes te besteden.’ Van der Meij: ‘Bij Quick Boys en Katwijk is er altijd wat meer intern gedoe. De mensen spreken zich niet uit. Rijnsburgers hebben het hart op de tong. Wij zeggen wat we vinden. Daarom kan het soms knallen.’
Met een lach: ‘Ik kan gewoon tegen Jaco zeggen dat ik hem een lul vind.’ Teammanager Jaco Heemskerk, aan de overkant van de tafel, blijft onverstoord op zijn telefoon kijken. Van der Meij: ‘Wij zeggen zoiets niet voor onszelf, maar voor de club.’ Maar genoeg gepraat nu. Leon van Tilburg, in vaste dienst van de club als beheerder van het sportpark, stelt voor te beginnen met klussen. Hij heeft een droombaan. ‘Ik zocht wat anders en ik loop hier al mijn hele leven rond. Het is werk en vrijwilliger bij elkaar.’ Hij staat op. Kom, aan het werk.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant