Home

Wij, theoretisch geschoolden, hebben een meritocratische ravage aangericht

In de wetenschap nemen we soms wat afscheid. Soms van ideeën of personen. Zo vormt een afscheidsrede een soort rituele bezegeling van het naderende pensioen van een hoogleraar. Het is inhoudelijk echter zelden interessant, want vaak een toonbeeld van veteranengedrag, een zelfgenoegzame reflectie op de − uiteraard − excellente werkzaamheden die zijn verricht, soms vergezeld van een (al dan niet koninklijke) onderscheiding.

Dat wordt de aankomende tijd spannend. Want alleen al in mijn Rotterdamse vakgroep nemen er binnen een half jaar vijf hoogleraren afscheid. Een generatieshift en, wellicht, een paradigmawisseling. Ook elders nemen toonaangevende wetenschappers nu afscheid, zoals bestuurskundige en socioloog Mark Bovens vorige maand in Utrecht. Bovens herhaalde in zijn afscheidsrede hoe we in de ‘diplomademocratie’ verzuild zijn langs opleidingsniveau, en voorzag dat van een pijnlijke klaroenstoot.

Over de auteur
Mark van Ostaijen is bestuurssocioloog aan de Erasmus Universiteit. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

Want meer dan katholieken en protestanten uit de vorige eeuw, leven theoretisch en praktisch geschoolden in gescheiden werelden. Zo heeft de meerderheid (87 procent) van theoretisch opgeleiden voornamelijk gelijksoortige vrienden, trouwen zowel theoretisch als praktisch opgeleiden vooral ‘in eigen kring’ en wonen theoretisch opgeleiden voornamelijk in dezelfde soort steden en wijken. En die scheiding verhardt zodra er kinderen komen.

Zo weten we dat leerlingen met theoretisch opgeleide ouders vaker een hoger schooladvies krijgen en (categoraal) gymnasium volgen. Dit uit zich vervolgens ook in politieke voorkeuren. Hoe kosmopolitischer de partij, hoe meer theoretisch geschoolde kiezers, en hoe nationalistischer, hoe meer praktisch geschoold het electoraat.

Tot zover de bekende analyse, met die ‘diplomademocratie’ als consequentie aangezien in 2021 bijna 65 procent van de kiezers praktisch was opgeleid, tegenover 7 procent van de Kamerleden. Sterker nog, ruim 75 procent van de Kamerleden heeft een universitaire achtergrond, tegenover 14 procent van de kiezers.
Niet verwonderlijk dat politieke belangen van theoretisch opgeleiden beter worden vertegenwoordigd dan van praktisch opgeleiden. Dit vormt dus die ‘diplomademocratie’, waar degenen met de hoogste diploma’s het hoogste woord hebben. Verzuiling dus via opleidingsniveau.

Echter, het grote verschil met de ‘oude’ verzuiling is dat die destijds gebaseerd was op een vrijwel evenredige verdeling van politieke macht. Zo had bijvoorbeeld iedere zuil zijn eigen universiteit, zoals de gereformeerden (VU), katholieken (Radboud en Tilburg) en socialisten (UvA). Maar anders dan in de vorige eeuw is er tegenwoordig nog maar één zuil waarin macht zich concentreert, namelijk de zuil van theoretisch geschoolden. En net binnen die zuil vormt de universiteit een centrale spil. Als kraamkamer waar binnen die zuil normen en waarden worden overgedragen, vriendschappen ontstaan en levenspartners worden gevonden.

Voor iedereen buiten die zuil vormt dit een potentiële bron van afkeer. De verkiezingswinst van BBB en PVV valt in dit licht te verklaren, aldus Bovens. Niet voor niets stond het hoofdlijnenakkoord vol met ‘irritante’ maatregelen voor theoretisch geschoolden, zoals een
hogere btw op boeken en cultuur, minder aandacht voor ontwikkelingshulp, natuur en klimaat. Daar stonden beloften tegenover voor praktisch geschoolden, zoals meer vaste arbeidscontracten, minder asielmigratie en niet toevallig ook zware bezuinigingen op universiteiten, het bastion van die ‘andere zuil’.

Daarmee staan universiteiten en hogescholen in de frontlinie van deze cultuurstrijd. Juist als meritocratisch vliegwiel van die nieuwe verzuiling. Zodoende stelt Bovens dat dit van universiteiten vooral nederigheid vraagt, want ‘wat goed is voor universiteiten en voor academici is niet per definitie ook goed voor de rest van Nederland’.

Die conclusie is wellicht niet nieuw, maar wel pijnlijk urgent. Het maakt mijn werk(gever) terecht hoofdverantwoordelijk voor huidige vormen van sociale, economische en culturele segregatie. En je zou denken − bijvoorbeeld vanwege die bezuinigingen − dat dit academici zorgen baart en dat hier intern allang driftig over wordt gesproken. Maar niets is minder waar.

Dus nederigheid lijkt me te bescheiden. We hebben boter op ons hoofd. En lopen badend in de zon. Terwijl we alle reden hebben om meer zelfkritisch te reflecteren op de meritocratische ravage die we aanrichten en wat we doen om te ontzuilen. Wat mij betreft is het de hoogste tijd voor afscheid en een paradigmawisseling.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next