Op een ochtend stond ik op met zulke hevige spierpijn en zulke rillingen dat ik besloot om nog een uurtje te gaan liggen.
Mijn oudste zoon die in het dagelijks leven kok is en die tussen het koken door het liefst slaapt, gaf me een elektrische deken. Ik wierp me op de deken en viel weer in slaap.
Toen ik later die dag mijn jongste zoon afhaalde, dacht ik: wat voel ik in mijn kruis?
Na de crèche ontblootte ik op de wc van een nabijgelegen broodjeszaak mijn onderlijf en ik constateerde dat mijn rechterbal verbrand was. Niet volledig maar zeker voor vijftig procent, ook de binnenkant van mijn bovenbeen was een klein beetje verbrand.
‘Papa, wat ben je toch aan het doen?’ vroeg de 3-jarige.
‘Schrik niet lieve jongen’, zei ik, ‘maar papa’s teelbal is verbrand.’
Gelukkig schrok hij niet. Hij heeft al zoveel meegemaakt. Ik vroeg me af wat vreemden zouden zeggen als ze me naakt zouden zien. ‘Wat is daar gebeurd?’
‘Verbrand’, zou ik dan moeten antwoorden.
Ik zou vanaf nu goed moeten opletten waar ik mijn onderbroek uittrok.
Die avond had ik een dinertje. De pijn was heftig geworden, ik overwoog amputatie. Een dame die in de thuiszorg werkte zat tegenover me en ik vertelde haar kort iets over de bal.
‘Oh’, zei ze, ‘maar dat overkomt hoogbejaarden en dementerenden vaker. Dan smeren we er een crèmepje op.’
Ik was 53, als ik 106 werd, wat theoretisch mogelijk was, was ik op de helft van mijn leven, maar qua teelbal liep ik kennelijk vier decennia voor.
De nacht was heftig, ik had nooit beseft dat teelballen voortdurend ergens tegenaan botsen.
De 3-jarige lag naast mij en vroeg op een gegeven moment: ‘Wat is er papa?’
‘Niets lieverd’, antwoordde ik, ‘papa’s teelbal moet eraf. Ga maar weer slapen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns