Op de gang hoor ik het geluid van metaal op metaal. Het is mevrouw Hop (80), die op weg is naar de eetzaal. Met korte pasjes schuifelt ze voorovergebogen achter haar rollator. Ze versnelt haar tempo, steeds sneller en sneller, terwijl ze verder voorover buigt en haar rollator met gestrekte armen voor zich uit duwt. Ze komt tot stilstand wanneer de rollator tegen een radiator botst. Kloenk.
‘Deze kant op, mevrouw Hop’, fluister ik, en ik stuur haar rollator in de juiste richting. ‘Ik kan helemaal niet goed lopen’, fluistert ze terug. ‘Dat komt door die ellendige parkinson.’
‘De fysiotherapeut zegt dat ik mijn voeten goed moet optillen’, fluistert ze, en ze tilt haar knieën hoog op. Nu lijkt het alsof ze een mars loopt, maar dan in slow motion en op de plaats, want ze komt niet vooruit. ‘U hoeft niet te fluisteren. Ik fluister omdat ik mijn stem kwijt ben. Ik ben verkouden geweest.’
Over de auteur
Thomas van der Meer schrijft voor de Volkskrant columns over zijn werk in een verpleeghuis. De namen in deze column zijn gefingeerd en sommige details zijn aangepast. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
In de eetzaal wenst mijn collega alle aanwezigen namens mij een smakelijk eten, want mijn gefluister valt buiten het bereik van de meeste gehoorapparaten. ‘Thomas is zijn stem kwijt’, zegt ze. ‘Herejee’, zegt mevrouw Bijker (86).
Er staan röstirondjes, bloemkool en cordon bleu op het menu. ‘Hoe moet ik dit eten?’, vraagt mevrouw Hop. ‘Ik kan dit niet eten.’ Terwijl ik de cordon bleu voor mevrouw Hop in stukjes snijd, vang ik de blik van mevrouw Boeijen (89), die me smalend aankijkt.
‘Eet smakelijk’, zegt ze heel nadrukkelijk. Daarna wendt ze zich tot mevrouw Bijker, die naast haar zit. ‘Die jongen zegt niets. Dat leren ze tegenwoordig niet meer van hun vader en moeder.’ ‘Hij is zijn stem kwijt’, zegt mevrouw Bijker. ‘Wat?’, vraagt mevrouw Boeijen.
‘Tegen mij zeggen ze ook altijd dat ik harder moet praten’, zegt mevrouw Hop. ‘Ik heb een heel zachte stem.’ Dat komt ook door de ziekte van Parkinson.
‘Ik vind uw stem prima. Ik houd niet van harde stemmen. Een harde stem is een van de irritantste dingen die je kunt hebben.’
‘Mensen met een harde stem kunnen daar niets aan doen.’
‘Jawel’, fluister ik. ‘Als je een harde stem hebt, moet je naar de logopedist.’
Zelf moest ik ook eens naar de logopedist en dat had te maken met mijn transgenderachtergrond. Tijdens mijn transitie veranderde mijn stem. Ik werkte toen op kantoor en tot mijn grote tevredenheid begonnen mensen aan de telefoon meneer tegen me te zeggen. In het begin leidde dat weleens tot misverstanden: klanten die mij wilden spreken, dachten dat ik iemand anders was en vroegen naar mij.
‘Ik ga voor u kijken of ik haar kan bereiken’, zei ik dan. Ik zette de klant even in de wacht, nam het telefoongesprek weer aan en zei: ‘Ze is niet aanwezig. Waarmee kan ik u helpen?’
Maar praten begon pijn te doen. Mannen hebben langere stembanden dan vrouwen, daardoor hebben ze lagere stemmen. Mijn stembanden waren ook langer geworden, uitgerekt door het testosteron. Dat was zo snel gegaan dat de spieren in mijn strottenhoofd er nog niet aan gewend waren. Ik kreeg van de logopedist stemoefeningen. Nu heb ik er geen last meer van.
Aan het einde van mijn dienst ben ik doodop. Fluisteren is vermoeiend en niemand kan me verstaan; de dag was een aaneenschakeling van misverstanden. Ik moet alleen mevrouw Hop nog naar bed helpen. Ze probeert met haar rollator naar de rand van haar bed te manoeuvreren. Mevrouw Hop beweegt traag en heeft ook moeite met het starten van bewegingen. Ze wil een stap achteruit doen, maar het lijkt alsof haar linkervoet aan de vloer zit geplakt.
Op zulke momenten helpt het als je haar instructies geeft. ‘Uw linkervoet’, fluister ik. ‘Doe maar een stapje naar achteren.’
Gelukkig verstaat mevrouw Hop mij wel. Ik hoef niet eens hard te fluisteren. Ze gaat op de rand van het bed zitten en ik hurk bij haar neer om haar pantoffels uit te doen. ‘U heeft heel goede oren, mevrouw Hop.’
‘Ja, ik kan jou goed horen.’
‘Heerlijk is dat. U heeft het beste gehoor van het hele pand, denk ik.’ Wanneer ik opkijk, zie ik haar glunderen.
‘Heb ik ook eindelijk iets positiefs’, zegt ze.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns