Home

De tien beste voorstellingen die kleinkunstautoriteit Jacques Klöters ooit heeft gezien

Radiomaker Jacques Klöters heeft een jubileum te vieren: De sandwich, zijn programma over cabaret en kleinkunst dat hij op NPO Radio 5 presenteert, bestaat deze maand dertig jaar. Voor de Volkskrant kiest hij de tien beste voorstellingen uit die hij ooit heeft gezien.

is verslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft over media en muziek.

Omgeven door de boeken uit zijn kolossale cabaretbibliotheek heeft jubilaris Jacques Klöters (78) zich in zijn bovenwoning in Amsterdam-Zuid met liefde voorbereid op de vraag naar de tien meest indrukwekkende voorstellingen en artiesten die hij in de afgelopen zestig jaar heeft gezien. ‘Kies ook wat van deze eeuw uit, zei mijn vrouw, anders denken de mensen dat je een fossiel bent.’

Cabarethistoricus en kleinkunstautoriteit Klöters is het enige nog levende lid van Don Quishocking, een cabaretgroep die eind jaren zestig furore maakte. Zijn carrière verliep nooit langs een rechte lijn. Hij schreef mee aan programma’s voor onder meer Adèle Bloemendaal en Karin Bloemen, publiceerde onder meer boeken over Willem Wilmink en Toon Hermans, doceerde aan de Kleinkunstacademie (ook dit jaar weer) en was medewerker aan het Nederlands Theater Instituut.

Vijftig jaar geleden maakte hij aan de zijde van Theo Stokkink zijn debuut op de radio, in het literaire programma Babel. Het populaire programma over cabaret en kleinkunst dat hij op zondagochtend op NPO Radio 5 presenteert, De sandwich, bestaat deze maand dertig jaar.

Klöters werkt aan de biografie van cabaretier Wim Kan en aan een boek over dichter-zanger Koos Speenhoff, deelt op Facebook in een hoog tempo zijn herinneringen en meldt zich drie keer per week in café Welling achter het Concertgebouw. ‘Elke dag begin ik om zeven uur te schrijven. Ik wil in beweging blijven en er moet nog van alles uit voordat ik dood neerval.’

Duizenden voorstellingen woonde hij de afgelopen zestig jaar bij, soms zat hij drie keer per week in het theater. Sinds de dood van zijn vriend Fred Florusse, ook een lid van Don Quishocking, is hij minder vaak in het theater. ‘We gingen altijd samen. Ik had weleens geen zin, maar Fred zei altijd: niet zeuren, hup, we gaan. En daar gingen we weer.’

Graag werkt hij mee aan een top 10 van de meest beklijvende voorstellingen en artiesten die hij ooit zag. Wel genoemd, maar over de rand gevallen: het Belgische Circus Ronaldo en het duo Yentl & De Boer. De selectie maakte hij op gevoel: ‘Het moeten voorstellingen zijn waarin ik van mijn sokken werd geblazen en die me altijd zijn bijgebleven; zeldzame ervaringen die bij wijze van spreken mijn leven hebben veranderd.’

Who’s Afraid of Virginia Woolf, toneelstuk van Edward Albee met Ank van der Moer en Han Bentz van den Berg, Stadsschouwburg Amsterdam, 1964

‘Ik zat nog op de middelbare school en was totaal verbijsterd. Hoe konden twee mensen in een huwelijk zo tegen elkaar tekeer gaan? Het ging er totaal anders aan toe dan thuis. Niet dat mijn ouders nooit ruzie maakten, maar ze deden het besmuikt. Hier knalden twee mensen op elkaar. Ank van der Moer en Han Bentz van den Berg waren op hun allerbest. Het is ook een heel goed stuk, niet voor niets wordt het nog steeds opgevoerd.

‘Mijn ouders hadden belangstelling voor cultuur. Ze namen me mee naar musea en het Concertgebouw en mijn moeder zong in een oratoriumkoor. Ik had ook het geluk dat ik hier in Amsterdam op een goede school zat, het Ignatius College van de paters jezuïeten. Daar speelde ik ook toneel, in Lucifer van Vondel, haha. Ik was 16 en ik snapte er helemaal niets van, maar de taal was magisch mooi.

‘Ik begon te voelen waar ik bij wilde horen: de kunst. Sommige jongens wilden bij de sport horen, anderen bij de handel of de techniek. Ik werd aangetrokken door de kunst; door muziek, taal, poëzie.’

Frank Zappa & The Mothers of Invention, Concertgebouw Amsterdam, 1970

‘Geweldige ervaring. Die mooie, klassieke muziektempel waar ik al zo vaak was geweest stond plotseling stijf van de wietlucht. Als je zelf niks gebruikte, werd je toch stoned. Er waren alleen maar hippe mensen. Frank Zappa betoverde ons. Hij was de dirigent en zijn manier van musiceren was totaal nieuw: collage-achtig en onvoorspelbaar.

‘Met handgebaren gaf hij aan wat er gespeeld moest worden. Het zat tussen popmuziek en cabaret in en dat vond ik als cabaretier heel interessant. Dit was ook een vorm van satire; niet de brave, burgerlijke variant van de bekende mannen op een barkruk op het toneel, maar raar, rauw en woest.’

Neerlands Hoop in Panama met Freek de Jonge en Bram Vermeulen, Shaffy Theater Amsterdam, 1971

‘Freek kende ik al sinds 1965 of 1966. We studeerden allebei Nederlandse taal- en letterkunde. Hij was een jaargenoot, net zoals Ivo de Wijs. Adriaan van Dis, Gerrit Komrij en Charlotte Mutsaers liepen er ook rond. Ik leerde daar Hans Dorrestijn en Jan Boerstoel kennen en Willem Wilmink was een van de docenten. Voor ons beginnende cabaretje Don Quichocking konden we plotseling beschikken over goede schrijvers.

‘Freek was corpsstudent en trad op met Bram Vermeulen, die volleyballer. Het sloeg niet erg aan. Toen we meededen aan Cameretten werden zij vierde en wij eerste. Ze ervoeren het als een nederlaag. Ze hadden een wedstrijdmentaliteit. Freek mocht van Bram niet meer met mij praten. Wij waren de concurrent, de vijand, wij moesten worden verslagen.

‘En toen zag ik Neerlands Hoop in Panama. Het was verbijsterend en stimulerend. Ze hadden een totaal nieuwe vorm gevonden, met nieuwe taal. Met het bestaande cabaret had het niets te maken, dat was vanaf dat moment een gepasseerd station. Ze wilden popartiesten zijn en zochten in hun teksten en muziek aansluiting bij de popcultuur.

‘Vanaf dat moment heb ik Freek altijd gevolgd. Hij is natuurlijk een ongemakkelijke man, regelmatig erger ik me te pletter aan hem, maar hij is ook een genie. Twee keer heeft hij de koers van het cabaret totaal veranderd. Als cabarethistoricus kan ik dat zeggen. De eerste keer schudde hij met Neerlands Hoop alles op, de tweede keer toen hij soloshows ging maken, in De Tragiek en De Komiek. Iedereen heeft die vorm en formule later overgenomen.’

Herman van Veen in Carré, 1971

‘Van deze show verscheen later een populaire dubbelelpee, vol met nummers die zouden uitgroeien tot evergreens, Suzanne en zo. Herman had een goeie band om zich heen, met Harry Sacksioni , Eric van der Wurff en Hans Koppes, en hij was nog jong. In Carré klom hij over de stoelen en in de pilaren.

‘Net zoals Freek ben ik hem altijd blijven volgen, met een dubbel gevoel. Hij is niet de grootste komiek en eigenlijk hou ik helemaal niet van zijn werk. Het is me te gevoelig. Harde satire is me dierbaarder, daar kan ik hard om lachen.

‘O god, moet ik weer, denk ik voor elke voorstelling. Maar elke keer laat ik me weer door hem inpakken. Elke keer betovert hij mij en de rest van het publiek. Dat is een gigantische kwaliteit. Je hersens hoef je bij hem niet te gebruiken, maar hij voert je weg uit de zaal. Hij brengt je in een roes en is als het ware een instrument tussen de instrumenten.’

De Ashton Brothers met Kerstcircus in Ahoy, 2024

‘Wat een geweldige voorstelling. Als leerlingen van de Kleinkunstacademie hebben ze ervoor gekozen om iets ongewoons doen. Ze wilden geen mooie liedjes zingen of in musicals spelen, maar zochten de hoek op van het ouderwetse variété; fysiek theater, inclusief de tragiek van dat soort artiesten. Ze bedenken circusachtige acts en mengen dat met muziek en cabaret. Daarin zijn ze steeds beter geworden.

‘Een van de mannen van de Ashton Brothers is Joost Spijkers. Hij heeft een liedjesprogramma, dat is het beste wat ik in 2024 heb gezien. Niet te geloven zo mooi. Alles klopt. Hij is een complete artiest en neemt de zaal mee waarheen hij wil. Hij is de opvolger van Herman van Veen.’

Ronald Snijders, Welke Show?, 2017

‘Ronald Snijders is een complete artiest. Hij is geen verdwaalde letterkundige, zoals Hans Dorrestijn of Drs. P, maar iemand die voor de bühne en het vak is geboren. Hij heeft een goeie kop, hij beweegt en hij heeft komische hersenen. Daar val ik op.

‘Ik heb ook jarenlang grappen bedacht, eerst voor Don Quishocking en later voor de radioprogramma’s In de Rooie Haan en Spijkers met koppen. Ik kon het goed, maar hij tapt uit een vaatje dat niet binnen mijn bereik ligt. Wat een rare man. Tegelijkertijd maakt hij deel uit van de cabarettraditie. Hij heeft bijvoorbeeld een show gemaakt in de stijl van Toon Hermans. Wie doet dat nou? Nu moet ik de allerheftigste theaterervaring beschrijven die ik ooit heb gehad.’

Yves Montand in het Olympia in Parijs, 1981

‘In 1981 kwam ik Ischa Meijer tegen in café De Smoeshaan. We kenden elkaar een beetje, ik had hem weleens geïnterviewd en hij mij. Ik vertelde dat ik met mijn vrouw naar Parijs zou gaan. Ga je naar Yves Montand in het Olympia, vroeg hij. Nee, zei ik, daar komen we niet in. Montand was jaren filmacteur geweest en maakte een rentree als zanger. Heel Frankrijk wilde erbij zijn.

‘Meijer had hem toen al drie keer gezien. Weet je wat, zei hij, dan ga ik ook naar Parijs. Zorg ervoor dat je woensdag om drie uur op de stoep van het Olympia staat, dan zorg ik ervoor dat jullie erin komen. En daar kwam hij aanlopen op de Boulevard des Capucines, samen met Jenny Arean, ze waren toen nog een stelletje. Heb je kaartjes, vroeg ik. Die had hij niet, maar elke avond kwamen er vijftig staanplaatsen in de verkoop.

‘Ik zag ertegenop, ik was gewend vrijkaartjes te krijgen, maar we zijn toch maar bijna zes uur in die rij gaan staan. Het was best gezellig, vooral dankzij Jenny, zij is leuk. Om half negen mochten we naar binnen. De staanplaatsen waren vlakbij het toneel. Montand had al een of twee nummers gezongen, hij zat er helemaal in. Er ging een enorme stroom geluk door me heen. Hoe meer moeite je hebt moeten doen om binnen te komen, hoe groter het geluksgevoel, hè.

‘Montand was geweldig, ik kan me elk nummer nog herinneren. Het was een avond met een gouden glans. Dit gevoel moeten we vasthouden, zeiden we na afloop. We zijn naar een restaurant gegaan en hebben een stuk of 144 oesters gegeten en vier flessen wijn gedronken. Ik denk dat ik morgen weer ga, zei Ischa bij het afscheid.’

Lenette van Dongen, Mag het wat zachter, 1993

‘Ik had een relatie met Lenette van Dongen, ze was danseres, ook in musicals. Op een dag gingen we samen naar een stand-upcomedyvoorstelling van Raoul Heertje. Dat wil ik ook durven, zei Lenette. Dat was het begin van Mag het wat zachter. Ik heb die voorstelling een keer of tien gezien, ze maakte grote indruk.

‘Ik was een bekende schrijver voor vrouwen toen, ik schreef voor Adèle Bloemendaal, Jenny Arean, Karin Bloemen. Lenette zal dus ook wel bij mij aankloppen, dacht ik, maar daar wilde ze niks van weten. Toen ik ging kijken snapte ik het. Alles wat zij aan humor bracht op het toneel, was totaal anders dan wat ik had kunnen bedenken. Het was helemaal van haarzelf.

‘Ze speelde in piepkleine zaaltjes en niemand kende haar. Iedereen dacht in het begin hetzelfde: jezus, wat een drukke vrouw is dat, met die lange armen en die lange benen. Maar na vijf minuten had ze iedereen in het hart geraakt. Op het toneel was ze ontzettend vrij. Ik kwam uit de traditie van teksten die uit het hoofd werden geleerd en goed in elkaar geschroefde liedjes. Zij improviseerde alles wat los en vast zat, er waren maar een paar ankerpunten.

‘Aan het einde van het seizoen stond ze al in de grote schouwburgen. Cabaretimpresario Harry Kies meldde zich, het woord verspreidde zich snel.’

De show van Toon Hermans, 1991

‘Deze is me zo dierbaar. De shows van Toon hadden geen naam. Toen we zijn verzameld werk uitgaven, hebben we ze een titel gegeven, om ze uit elkaar te kunnen houden. Ik ben iemand van een kleine stad, noemden we deze.

‘Toon had me aangenomen als coregisseur. In de voorbereiding liep ik met hem mee en ik dacht steeds: moet ík deze grootheid echt regisseren? Ik kwam tot de conclusie dat hij een jonger iemand naast zich wilde hebben, om zijn ideeën aan te toetsen. Een praatpaal. Soms gaf ik commentaar op scènes in zijn show. Dat het wel leuk was, maar dat we dat al vaak hadden gezien en dat jonge mensen er niet enthousiast van zouden worden. Zijn reactie was altijd hetzelfde: je bent gek. Hij gaf me nooit gelijk, maar uiteindelijk paste hij het toch aan.

‘Toon was groot. Mensen gingen van hem houden. Ze namen hem mee naar huis en hij had betekenis in hun leven. Hij was muzikaal, maakte leuke grappen en de liedjes waren goed. Hij wees op de mooie kant van het bestaan. Vaak leek het in zijn conference nergens over te gaan, dat intrigeerde mij als theaterschrijver enorm. Waar gaat het nou eigenlijk over als het nergens over gaat, vroeg ik me af. Als het gewoon kolder is, zoals hij zelf zei?

‘Maar toen zag ik hoe ongelofelijk precies hij die show opzette. Hij deed nooit zomaar wat, alles was uitgekiend en er zat een enorme laag onder. Hij wilde de mensen wegvoeren uit het kale licht van de 20ste eeuw. Hij keerde zich tegen de kennis en tegen de moderniteit en nam ons mee naar het land van de mysteriën, het geloof, het niet-weten; naar het Limburg van zijn jeugd, dat prachtige land met die korenvelden, bossen en pittoreske paadjes. Dat was het gedroomde landschap van Toon Hermans.’

Adèle’s Keus, Adèle Bloemendaal, 1982

‘Vijftien jaar lang werkte ik intensief met haar samen. Haar cabaretpooier, noemde ze mij.’ Bootst haar stem na: ‘Zeg cabaretpooier, waarom hoor ik niets van jou? Wil je soms geen geld meer verdienen? Laten we samen rijk worden. Word je niet meer geil van mij? Is dat het soms? Wil je soms een jong mokkel om programma’s mee te maken?’

‘Als ze diep geconcentreerd was, tilde ze de hele zaal naar een ander niveau en werd er keihard gelachen. Haar talent was ook dat ze ongelooflijk uitdagend kon zijn. Alle mannen van een zekere leeftijd vielen voor haar, ze wekte de indruk dat ze tot alles bereid was.

‘Adèle was een vrouw alleen, daar had ze het soms zwaar mee. En ze had een grote handicap. Ze hield niet van het vak en niet van het publiek. Een seizoen lang van schouwburg naar schouwburg reizen, dat kon ze nauwelijks opbrengen. Ze was liever archeoloog geworden, of couturier, of wereldreiziger of wat dan ook. Ze hield van zuipen en in het café zitten en geld verdienen. Niet van optreden.’

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next