Home

‘Beschadigd, dat ben ik zeker’ – Schrijver Saskia Goldschmidt sprak generatiegenoten over hun overgenomen oorlogstrauma

In haar jeugd liep Saskia Goldschmidt (70) niet op eieren, nee: ze liep door het mijnenveld van het onuitgesproken oorlogstrauma van haar ouders. Herkenbaar, vindt David Goudsmit, die door Goldschmidt geïnterviewd werd voor haar boek Na de oorlog. ‘Wij behoren tot een beschadigde generatie.’

Alleen het woord al. ‘Oorlogsslachtoffer’, zegt Saskia Goldschmidt vol afgrijzen. ‘Nee zeg, zo beschouw ik mezelf helemaal niet. Die oorlog heb ik niet eens meegemaakt. Larmoyant om zo over jezelf te praten. Slachtoffer zijn is een verschrikkelijk frame, waar je nooit meer uitkomt, je bent zielig. Dat dehumaniseert. Mijn vader had vermoedelijk meer last van overlevingsschuld dan dat hij zich slachtoffer voelde.’

‘De facto waren mijn ouders slachtoffer’, zegt David Goudsmit, ‘maar ook zij hebben dat niet zo ervaren. Er is wel schade. Saskia en ik behoren tot een beschadigde generatie.’

Ze knikt. ‘Beschadigd, dat ben ik zeker.’

David: ‘We hebben het nu specifiek over de Holocaust, maar eigenlijk geldt dit voor elk kind van ouders met trauma’s. We geven allebei gastlessen op scholen. Dan ontmoet je soms kinderen van vluchtelingen – vaak vaders die jarenlang zijn vervolgd of gemarteld. De geschiedenissen zijn niet vergelijkbaar, maar het doorgeven van onderliggend trauma wél. Dan gaat het over angst, schaamte, schuld, onmacht, woede. Daarin vinden we elkaar dan – door alle tijden en generaties heen.’

I. Het luide zwijgen

‘Ik ben raar opgevoed’, zegt Saskia. ‘Als jong kind was ik verlegen en lang. Ik droeg een brilletje met jampotglazen en die vooruitstekende tanden had ik toen ook al. Ik werd buitengesloten en gepest, maar dat vertelde ik thuis niet – omdat ik voelde dat de geschiedenis van mijn vader oneindig veel pijnlijker en ellendiger was. Daar mocht je niet aankomen. Ik liep niet op eieren, nee, ik liep in een mijnenveld.

‘Eén keer vertelde ik thuis dat een ander kind was gepest. ‘Ach’, zei mijn vader, ‘als je hebt moeten wachtlopen bij de stapels lijken, kun je je daar niet zo over opwinden.’ Hij keek gelaten in de verte als hij zoiets zei. Emotieloos. Dat verwarde mij. Net als opmerkingen in de trant van: ‘Iemand met fatsoen overleeft niet in Bergen-Belsen.’ Daarin klonk die overlevingsschuld door. Bij mij riep zijn zogenaamde nuchterheid schaamte op. Ik zei blijkbaar dingen waardoor papa weer achter het prikkeldraad belandde.’

‘Mijn moeder wilde nooit douchen’, zegt David. ‘‘Want ja, dan ruik ik gas.’ Als jongetje van 7, 8 jaar vond ik dat heel wonderlijk. Ze nam dan een bad. Met de trein ging ze ook nooit: ‘Mijn hele familie is met de trein afgevoerd en verdwenen.’ In de oorlog werkte ze als kinderverzorgster in de Joodse crèche in Amsterdam, later dook ze onder. Ze verloor verschillende familieleden, onder wie haar moeder. Eigenlijk sprak mijn moeder best vaak over de Holocaust, maar zonder die zo direct te benoemen.

Zestig jaar ruzie

‘Ik ben een nakomertje van vijf kinderen. Thuis was het heel levendig, veel aanloop. Mijn vader had een groot makelaarskantoor, maar mijn moeder was de drijvende kracht. Thuis was ze ook de baas, ze regelde alles. Mijn ouders hadden een moeilijke, symbiotische relatie. Mijn broer zegt: ‘Ze hadden één keer ruzie, maar die ruzie duurde wel zestig jaar.’ Mijn vader had losse handjes, zeker als mijn moeder hem tergde. Soms ontplofte ze. Vlogen er weer een paar borden door de lucht, of knalde er een fles chocomel tegen het keukenplafond. Moest dat weer gewit worden.

‘Mijn moeder was een harde vrouw, zo is ze de oorlog doorgekomen. In haar brutaliteit en grenzeloosheid – gewoon borderline, als je het mij vraagt – zat ook humor. Ik kon wel met haar lachen. Alles was mogelijk. Begon ze zomaar een bed and breakfast in huis, moest ik als jongetje ineens op twee aan elkaar geschoven fauteuils slapen omdat ze mijn slaapkamer had verhuurd. In de zomer van 1972 werd ze gebeld door het Hilton: we hebben hier een popgroep, die jongens maken herrie, hebt u nog plaats? Zaten The Beach Boys drie dagen bij ons thuis te jammen.

Na de oorlog

Tien kinderen en kleinkinderen van Nederlanders die de Holocaust en/of het verzet meemaakten, komen aan het woord in Na de oorlog. Auteur Saskia Goldschmidt, die jarenlang als theaterdocent werkte en projecten ontwikkelde voor het basis- en voortgezet onderwijs, interviewde o.a. Job Cohen en Alfred Edelstein, documentairemaker bij de Joodse Omroep.

Uitgeverij Meulenhoff; 208 pagina’s; € 21,99.

‘Tegelijkertijd was de donkere wolk van de oorlog dagelijks voelbaar. Mijn moeder wilde veel kinderen, dat was haar levensdoel, maar ze zei ook met grote regelmaat: ‘Ik ben niet bang om jullie kwijt te raken, ik heb toch alles al verloren.’ Dat voelde... onveilig. En volgens mijn moeder was niemand te vertrouwen, hè. Als ze iemand niet mocht, was het meteen een antisemiet. Op school werd ik eens uitgescholden voor ‘vuile rotjood’. Dat vertelde ik thuis. Mijn moeder reageerde fel. De volgende ochtend zat ik al op Rosj Pina, de Joodse basisschool. Punt. Geen discussie. Ik voelde me daar een buitenbeentje. Sloot me af. Ook van mijn moeder.’

Voorbereiden op oorlog

Saskia: ‘Laat ik niet de indruk wekken dat het bij ons thuis een sombere boel was. Genoeg aanloop en reuring – iedereen kon mee-eten. Dat faciliteerde mijn moeder allemaal. Mijn vader was een befaamd logopedist, met praktijk aan huis. Hij behandelde zware gevallen, we hadden regelmatig driedubbelgehandicapte spastische kinderen over de vloer, met wie ik dan ‘leuk’ mocht spelen. Mijn vader deed verstoppertje met ze. Later dacht ik weleens: was ik maar gehandicapt en spastisch, dan zou je mij ook zien staan.

‘Ik bereidde me voor op oorlog. Al heel jong. In een donkere linnenkast op zolder oefende ik in onderduiken. Met een zaklampje zat ik daar te lezen – boeken van mijn vader over de Shoah. Ik hield een dagboekje bij. Lieve Anne, gericht aan Anne Frank, want zij begreep me. Op mijn 11de las ik het dagboek van Renata Laqueur, met wie mijn vader in 1941 was getrouwd en van wie hij later is gescheiden. Samen hadden ze het kamp overleefd. Bij het laatste transport van Bergen-Belsen naar Tröbitz hield Renata mijn vader in leven door eten te zoeken en de luizen op zijn huid dood te drukken – om tyfus te voorkomen. In haar boek las ik over ‘het Jodenvraagstuk’. Wat was dan toch het probleem met joden? Ik vond mezelf zo dom dat ik het niet waagde ernaar te vragen.’

Zomaar vertrokken

David: ‘Op een dag kwam ik van school. Het huis was verlaten. Leeg. Doods. Op tafel lag een briefje van mijn moeder. ‘We zijn naar Amerika. Met dit geld moet je het wel redden.’ Ze lieten een paar honderd gulden achter. Ik was 14 jaar. Een paar broers en een zus in de buurt konden zich over mij ontfermen, maar de paniek... Die ochtend waren ze zomaar vertrokken, hoorde ik van mijn zus. Zonder iets met mij te bespreken. Ze lieten me gewoon zitten. Misschien was er een directe aanleiding voor het vertrek van mijn ouders, dat weet ik niet. Ze hadden huizen in Zwitserland, Amerika en Engeland... Vluchthavens.’

Saskia: ‘Toen ik 13 werd, had je The Summer of Love – 1967. Ik zat in het Vondelpark met de hippies, in een anti-Vietnambusje. Thuis zei ik niks. Een jaar lang zweeg ik. Later realiseerde ik me: alle emoties werden toegedekt, nou, dan maar helemáál niks. Ik was een verschrikkelijke puber. Een alternatieve amateurtheatergroep was voor mij een uitweg. Daar kon ik spélen. Elke emotie mocht ik er zonder gêne uit gooien – een geweldige uitlaatklep voor mij. Tijdens een voorstelling keerden we onze blote billen naar het bestuur van de amateurtoneelvereniging. Choqueren! Bevríjdend.’

Totaal veranderd

David: ‘‘Zorg dat je niet opvalt’, zei mijn moeder. Houd je mond maar, vertel niks, anders zitten ze zo achter je aan. Ik moest mij losmaken van die doctrine om erachter te komen wie ik zelf was. Eigenlijk begon mijn leven opnieuw tijdens m’n studie bedrijfskunde, in Enschede. Aan het eind zei de decaan: ‘Goh David, in een paar jaar tijd ben je totaal veranderd, van een schuw jongetje naar een open jongeman die contact legt met iedereen.’

‘Ik kende Golda toen al. Mijn ontmoeting met haar, op een joods feest, brak me open. Zij kwam uit een warm gezin, liet mij voelen hoeveel ik voor haar betekende. Tijdens de eerste drie maanden van onze relatie zaten mijn ouders weer in het buitenland. Onze band werd zo hecht dat ook mijn moeder ons niet meer uit elkaar kon krijgen – al heeft ze van alles geprobeerd. Dat had ik al gezien bij de vriendinnetjes van mijn oudere broers: het was nooit goed. ‘Die meisjes pakken mijn kinderen af’, zei ze ooit. Golda en ik wilden beiden zo snel mogelijk ons eigen wereldje creëren. Als in een vlucht gingen we samen verder.’

II. Kijken in het donker

Tot ver in zijn volwassen leven zou David onwetend blijven van wat zijn moeder tijdens de oorlog had meegemaakt.

‘Heel lang kende ik alleen fragmenten’, zegt hij. Dat ze had gewerkt in de crèche tegenover de Hollandse Schouwburg in Amsterdam – de verzamelplaats voor de deportatie van Joden naar Westerbork en verder. Ze sprak weleens over Walter Süskind, die zeshonderd kinderen hielp ontsnappen. Volgens mijn moeder een enorme charmeur die achter alle vrouwen aanzat. Maar wat was daar precies gebeurd? En wat had zij gedaan? Geen flauw idee.

‘Tot 2012, toen de film Süskind uitkwam. Ik was inmiddels 51 jaar en werkte al als verandermanager voor hogescholen en universiteiten. In de zaal in Tuschinski zat ik tijdens de voorpremière naast mijn moeder. Mijn zus Judith zat aan de andere kant. Ik vond de film vrij heftig. Soms pakte ik mijn moeders hand even vast, omdat het me emotioneel best zwaar voor haar leek. En langzaam maar zeker begon ik te beseffen dat zij een actieve rol had gespeeld in het redden van die Joodse kinderen. Toen we weer buiten stonden, vroeg ik: ‘Wat vond je van de film, moeder?’ Ze was boos. ‘D’r klopte niks van’, zei ze. ‘De werkelijkheid was veel en veel erger.’ Hoezo dan, erger? Pas toen kwamen de verhalen. Het deksel vloog van de pan.

Keuzen maken

‘Mijn moeder, Betty Oudkerk, destijds 18 jaar, had een band om haar arm van de Joodse Raad waardoor ze ongehinderd van de crèche met Joodse kinderen naar de Hollandsche Schouwburg aan de overkant mocht lopen. Ze sprak dan stiekem met ouders. Van een gezin konden ze telkens één kind laten ontsnappen, anders zou het te veel opvallen. Het was echt Sophie’s Choice. Wil je je zoon of je dochter laten overleven? Daarna mochten de ouders hun gekozen kind niet meer zien, om te voorkomen dat ze in hun wanhoop en radeloosheid iets zouden doen waardoor het compleet mis zou gaan. Ik zie mijn moeder dit hele spel overigens zo spelen. Die had een pokerface.

‘Ze was een apart mens. Dat blijft voor mij het ambivalente. Ik ben trots dat ze veel kinderen heeft gered, maar ik bleef op mijn hoede. Voor buitenstaanders misschien moeilijk te begrijpen, maar die andere extreme kant had ze nog steeds. Mijn ouders gingen een tijdje naar het buitenland. Golda was zo naïef om in hun huis goedbedoeld de planten te verzorgen. Ze waren nog niet terug of mijn moeder beschuldigde haar van inbraak, diefstal en nog meer rare dingen. De grootste onzin, maar dat verhaal werd wel in de hele familie rondverteld. Afstand. Dat moest écht.’

Overspannen

Saskia: ‘In 2007 had ik een soort déjà vu. Het oorlogsverleden van mijn vader speelde weer op. Jarenlang was ik theatermaker en -docent, maar op een gegeven moment werd ik manager van een internationaal theaterproject. Op een dag fietste ik naar m’n werk en kon alleen maar huilen. Overspannen: omdat ik geen nee kon zeggen en altijd maar iedereen wilde pleasen. Ik voelde me ontmaskerd. Zie je wel? Ik kan niks. Ik ben 53, ik heb lang de schijn kunnen ophouden van een creatieve, sterke vrouw, maar nee, da’s allemaal onzin. Tranen. Zonder mijn man Gerard was ik echt van het padje geraakt.

‘Toen ik eenmaal uitgehuild was, huurde ik voor een paar weken een huisje op Texel. Ik zie mezelf nog door de Slufter lopen, een mooi natuurgebied, genietend van de kiekendieven en de strandpleviertjes, hoe die heen en weer renden bij die grote zee. De sluftermeditatie noem ik het, heel diep zelfonderzoek. In die rust popte de ene jeugdherinnering na de andere op. Steeds weer speelde mijn vader een rol. Er lag een verbod op dat oorlogsverleden, al was dat nooit zo uitgesproken. Ik wilde weten: uit wat voor nest kom ik nou eigenlijk?

‘Al die verzwegen verhalen over de Holocaust en mijn vermoorde familieleden ben ik gaan uitzoeken en opschrijven. Met woorden kreeg het verleden vorm. Dat werd inzichtelijk. En daarmee: minder eng. In mijn kinderfantasie was die oorlog nog veel erger geworden. Ik schaamde me ook. Louis Tas was een bekende Joodse psychiater. Ook hij zat in Bergen-Belsen, en had mijn vader daar tot twee keer toe gered. Tas zei: ‘Iemand die zich schaamt, heeft de compassie met zichzelf verloren.’ Dat is zo. Ik had zoveel empathie voor mijn vader dat het ten koste ging van de empathie voor mijzelf. Dan kun je je heel eenzaam voelen.’

‘Heel herkenbaar’, zegt David.

Saskia: ‘Voor het eerst begreep ik hoe groot de impact van mijn vaders oorlogsverleden op mij was geweest. Dat ik met mijn problemen en twijfels als welvaartskind natuurlijk nooit heb kunnen opboksen tegen de realiteit van de Holocaust. Die onzekerheden werden weggemoffeld. Dus al mijn issues hadden verdomme wél met dat kamp te maken. Het lag niet alleen aan mij. De volgende stap was: ik ga die verhalen naar buiten brengen. Daarmee kwam weer een heel nieuwe dynamiek op gang: met mijn debuut Verplicht gelukkig werd ik in 2011 schrijver.’

III. Oefenen in moedig zijn

Israël en Gaza. De doorbraak van radicaal-rechts in Nederland. Donald Trump.

‘Ik vind het een lastige tijd’, zegt Saskia. ‘We hebben in toenemende mate te maken met antisemitisme, moslimhaat, vrouwenonrecht en homofobie. Ik ben heel blij met de organisatie ‘Na de oorlog’. Verschillende gastsprekers, onder wie David en ik, gaan naar scholen in het primair en voortgezet onderwijs om onze familieverhalen te vertellen, en wat dat met ons heeft gedaan.

‘We proberen ook de koppeling te maken tussen toen en nu. Ervaren die kids zelf uitsluiting? Een jongetje zegt dan: ‘Ik word vaak gepest omdat ik niet stoer genoeg ben.’ Lees: niet hetero genoeg. Iemand anders zegt: ‘Ik mag op straat niet meedoen want ze vinden me een vuile Turk.’ Waarop ik de anderen vraag: herkennen jullie dit? Hoe is het om dat te zien gebeuren? Mijn boodschap aan de jonge generatie is: gebruik deze tijd om jezelf te oefenen in moedig zijn. Durf je uit te spreken als de situatie erom vraagt.’

David: ‘Recentelijk was ik op de Immanuelschool in Amsterdam-West. Een islamitisch meisje uit groep 8 luisterde heel aandachtig. Ik dacht: nu komen er vast vragen over Gaza. Mag hoor, prima. Maar ze vroeg: ‘Hoe voelt het voor u, als Jood, nu in Nederland?’ Ik vond dat een mooie, indringende, empathische vraag. Ik zei dat ik verbinding voel met Israël, maar: wat er in Gaza gebeurt, vind ik disproportioneel. In de Joodse gemeenschap is het not done om dat te zeggen – ik zeg het wél. Door openheid en eerlijkheid ontstaat verbinding.’

Verrot slechte vader

Saskia: ‘Ik heb veel van mijn vader gehouden. Vond het moeilijk om boos op hem te zijn. Toen hij dement werd, verzorgde ik hem een tijdje. Hij vroeg een keer of hij een goede vader was geweest. ‘Pap’, zei ik, ‘je was een verrot slechte vader. Maar wel een heel inspirerend mens.’ Hij lachte een beetje – daar was hij wel tevreden mee.’

David: ‘Voor mij is een interessante vraag: is een heldin die in de oorlog zo veel kinderen heeft gered dan ook meteen een goede moeder? Of heeft dezelfde oorlog haar te veel verwond? Maar laten we eerlijk wezen: het is heel makkelijk om alles maar op die oorlog te gooien. Iemand die mijn moeder al kende van vóór 1940 zei: ‘Toen was ze ook al een kreng. Echt: een klafte.’

‘Dat relativeert dan weer. Primo Levi, de schrijver en Auschwitz-overlevende, zei dat het kamp werkte als een vergrootglas van karaktereigenschappen. Met name mijn moeders wantrouwen zal door haar oorlogservaringen enorm zijn toegenomen. Als kind kreeg ik voortdurend te horen waar een oud-NSB’er of verrader woonde.

‘Mijn moeder zocht nooit erkenning voor wat ze had gedaan. Ze voelde schuld: ze had nog veel méér kinderen moeten redden. Toch accepteerde ze de uitnodiging om op 4 mei 2019 een krans te leggen op de Dam. Ze was toen 95. Ik begeleidde haar, samen met een nichtje. ‘Nu kan ik eindelijk het verleden achter me laten’, zei ze. Eigenlijk vond ze die ceremonie maar niks. In De Nieuwe Kerk zat ze zich echt te misdragen. We zaten vooraan. Máxima en Willem-Alexander kwamen voorbij. Maakte ze hardop opmerkingen: foute familie, foute boel.

Later die avond, bij de nazit, kwam Máxima even aan tafel zitten.

‘Ken ik u ergens van, mevrouw?’ vroeg mijn moeder.

‘Ik ben Máxima, de koningin van Nederland.’

‘Oooh, majesteit, goh, ik had u niet herkend!’

Ik schaamde me dood. Ze wist dondersgoed wie ze tegenover zich had. Even daarna sprak ze Femke Halsema aan: ‘Bent u Joods? Hier zit mijn zoon. Ik zou u zo’n leuke vrouw voor hem vinden.’ Terwijl ik al veertig jaar met Golda ben. Alles flapte ze eruit. Ze liet zich door niets en niemand leiden – vroeger al niet door de nazi’s. Een jaar na de kranslegging overleed ze. Op haar grafsteen staat een zinnetje uit de Talmoed waarmee ik haar het liefst herdenk. ‘Wie één mensenleven redt, redt een hele wereld.’

In De Balie in Amsterdam spreekt Saskia Goldschmidt op 13 februari om 20.30 uur met andere (klein)kinderen van oorlogsoverlevenden over vervolging en uitsluiting.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next