‘Ik ben er dus zo eentje die altijd alles voor iedereen overheeft’, zei de bloemist, terwijl hij mijn tulpen inpakte. Waarom hij dit met mij deelde was onduidelijk, maar aan zijn gezicht viel af te lezen dat zijn oneindige goedheid een last was die zwaar op hem drukte.
De mensen met hun problemen, die hij als geen ander doorzag, kwamen altijd naar hém, waarna ze, behalve met bloemen, ook met waardevolle inzichten zijn winkel verlieten. En dan moest het ergste nog komen, voor de bloemist. Dat was de dankbaarheid. Kaartjes, cadeaubonnen, waar hij dan weer op moest reageren. ‘Ik kom om in die rotzooi’, zuchtte hij nog maar eens diep, ‘maar je hebt zelf niet zoveel te zeggen over wat je voor een ander betekent.’
Ik wilde vragen of hij ook wel eens bloemen kreeg, maar de bloemist keek me ineens leip aan, alsof hij voorvoelde wat ik zou gaan zeggen. ‘17,50. Schuin afsnijden en in lauwwarm water.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns