Home

‘Ik ben niet opgegroeid met het besef dat ik wees was, enig kind van vergaste Joodse ouders’

Zijn ouders zijn in Auschwitz vermoord toen Philip nog maar 1 jaar was. ‘Het is niet zo dat ik elke dag verdriet heb.’

interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine

Philip Soesan (83, gepensioneerd marketeer): ‘Ik heb een ansichtkaart van mijn ouders die ze begin september 1942 aan familie schreven. Kijk, ik heb ’m geplastificeerd. ‘Hier is alles best’, schreven ze. ‘We pakken vanavond (Maandagavond) in om morgen op reis te gaan. De stemming is hier prima, je ziet hier allemaal bekenden.’

De volgende dag zouden ze op transport gaan, de arme schapen, ze hadden geen idee wat er stond te gebeuren. Er is ook een kaart die ze vanuit de trein naar Duitsland hebben gegooid.

‘We hopen dat alles goed gaat bij jullie. 10.000 kusjes voor Sallie – dat ben ik, Salomon – en tot wederziens.’ Dat is er dus nooit van gekomen. Op 26 september 1942 zijn ze gestorven, nee, niet gestorven, vermoord in Auschwitz. Allebei op dezelfde dag.

‘Mijn vader was vertaler, ik weet niet in welke taal. Hij was ook vertegenwoordiger in gezondheidsartikelen, kniebanden, braces, dat soort spullen.

Dat is alles wat ik van hem weet – ik sta als 1-jarige met mijn ouders op een foto, maar ik herinner me niets van hen, daarvoor was ik nog te klein. Wat ik van mijn moeder weet, is aan me verteld: dat ze lange benen had, goed kon dansen, een gangmaker was, heel sportief en vrolijk. Ze werkte als verkoopster in een Amsterdamse damesmodewinkel met nog twee Joodse meisjes. Die hebben ook allebei de oorlog niet overleefd.

Stukje bij beetje

‘Ik denk niet elke dag aan mijn ouders en het is ook niet zo dat ik elke dag verdriet heb. De tijd heelt alle wonden, al klinkt dat misschien wat cru. Het kan me wel aangrijpen wat hen is overkomen, maar dat is iets anders, dat gaat meer over hún leed dan over het mijne.

Ik ben ook helemaal niet opgegroeid met het besef dat ik wees was, enig kind van twee vergaste Joodse ouders. Dat is allemaal pas later tot me doorgedrongen. Geleidelijk aan, stukje bij beetje. Als kind stel je immers weinig vragen, de situatie waarin je opgroeit is voor een kind normaal zoals-ie is.

‘Ik ben geboren op 15 juni 1941 in het Joodse ziekenhuis aan de Nieuwe Keizersgracht in Amsterdam. Mijn ouders zagen al snel dat het niet best zou aflopen met de Joden en hebben mij als 1-jarige laten onderduiken.

Eerst kwam ik in Roosteren terecht, in Limburg, maar ik heb daar geen herinneringen aan. Totdat ik afgelopen zomer in contact kwam met Leontien, die nu 80 is, een dochter uit het gezin waarin ik was ondergebracht. Zij vertelde me dat ik als 1,5-jarige hersenvliesontsteking kreeg en dat haar vader, Leo, met mij slap als een lappenpop in zijn armen naar het ziekenhuis is gegaan.

Daar werd een Joods jongetje – ik praat nu over mezelf in de derde persoon, hoor je – geweigerd. Alvast een begrafenis regelen in de kerk kon om diezelfde reden ook niet. Toen heeft oom Leo zelf maar een grafje gegraven in zijn achtertuin. Ze hebben me inderhaast katholiek laten dopen – misschien dat dat me heeft gered.

Flarden weer terug

‘Dit hele verhaal kende ik niet, tot een paar maanden geleden dus, toen Leontien me opspoorde. Toen kwamen er flarden uit die tijd weer terug. Dat er op zolder zakken walnoten lagen, bijvoorbeeld, waar ik dol op was.

‘Daarna kwam ik in Valkenburg terecht, via via, bij verre familie. Robbie van Bergen ging ik daar heten in plaats van Salomon Soesan. Die mensen, zestigers toen al, hebben voor mij hun leven in de waagschaal gesteld, want als ik verraden zou worden, waren zij ook de klos.

Hun ongetrouwde dochter Jetta heeft mij onder haar hoede genomen. Ik wist niet beter dan dat zij mijn moesje was. Ik heb daar een heel gelukkige tijd gehad. Er was een moestuin, er waren appel- en kersenbomen waarvan ik mocht plukken en in de gang hing het geweer van vader.

Hij was rijksveldwachter en af en toe mocht ik met hem mee de velden in om op konijnen te schieten. Die aten we dan ’s avonds. Zo eenvoudig kon het leven zijn.

‘In het voorjaar van 1946 kwam er een auto van het Rode Kruis voorrijden en ben ik daar weggehaald. Een soort ontvoering. Traumatisch, zou je nu zeggen, maar toen wás het gewoon zo. Ik kwam bij een tante en oom in Zaandam terecht, het gezin Brilleman. Niemand vertelde me waarom ik zo plotseling mijn moesje moest verlaten – ik snapte er niets van.

Rooms-katholieke jongen

‘Later heb ik begrepen dat mijn familie niet wilde dat ik als rooms-katholieke jongen zou opgroeien, ik moest worden grootgebracht in de traditie van mijn ouders. Die waren overigens niet orthodox, maar wel Joods, anders zouden ze ook niet zijn weggevoerd.

‘Tante Sophie, een zus van mijn vader, was lief. Maar haar man, daar heb ik geen prettige herinneringen aan. Hij had een vreselijke tik van de oorlog gekregen, had zich lang moeten verstoppen in een ruimte waarin hij nauwelijks rechtop kon staan. Dat doet iets met een mens. Wát dat precies was, kan ik niet de vinger op leggen. Maar feit was dat ik liever buiten was, op straat, dan thuis.

‘Ik geef lezingen op scholen en daar komt geregeld de vraag: wanneer drong het bij u door dat Valkenburg niet thuis was? Dat u Joods was? Dat uw ouders uw ouders niet waren? Ik kan er niet precies antwoord op geven. Ik weet wel dat ik onder de bank wilde kruipen toen op de mulo de lerares Frans in de eerste les aan iedereen vroeg: wie zijn je vader en je moeder? Die had ik niet en ik schaamde me dood.

‘Eigenlijk ben ik me pas echt in mijn achtergrond gaan verdiepen rond mijn 50ste. Ik was getrouwd, vader van twee opgroeiende kinderen, voor mezelf begonnen in de marketing, lid van de golfclub hier in Bergen op Zoom, waar ik nog altijd Robbie heette.

Mijn Joodse achtergrond speelde nauwelijks een rol in mijn leven. Tot er een oom contact met mij opnam, met de spreekwoordelijke schoenendoos onder zijn arm. Ik heb nog meer informatie gezocht, in dossiers bij het Riod, zoals dat toen nog heette, het Rijksinstituut voor oorlogsdocumentatie, en vanaf toen heeft het me niet meer losgelaten.

Ik ben twintig jaar voorzitter van de Joodse Gemeente in Breda geweest en ik geef nu nog veel gastlessen op scholen in Noord-Brabant en Zeeland. Zowel mijn zoon als mijn dochter hebben zich tot het Jodendom bekeerd – fantastisch, en helemaal uit zichzelf, want ik heb ze er nooit mee lastiggevallen.

Naamplaatjes

‘Tijdens gastlessen krijg ik de gekste vragen. ‘Waarom zijn jullie niet gevlucht met een boot?’, vroeg een jongen in een inburgeringsklas. Nou, we hádden geen boot, heb ik maar geantwoord. Later realiseerde ik me dat hij zelf waarschijnlijk een bootvluchteling was.

‘Eén keer brak ik voor de klas. Ik ben nooit naar Auschwitz gegaan, beducht voor de emoties, maar een van de leerlingen heeft dat wel gedaan nadat ik een gastles had gegeven.

Ze heeft een foto gemaakt van de naamplaatjes van mijn ouders die daar aan een muur zijn bevestigd. Een jaar later was ik weer op die school en toen liet ze me die foto zien. Het is de enige van de honderden gastlessen geweest die ik heb afgebroken.’

Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Lees hier alle artikelen over dit thema

Source: Volkskrant

Previous

Next