Home

‘Ode aan de doorzonwoning’ is een compacte cultuurgeschiedenis van een oer-Hollands fenomeen

Conservator Tim Smeets schreef een boek bij de zes nagebouwde doorzonwoningen op het terrein het Openluchtmuseum in Arnhem. De foto’s en de interviews met de bewoners vertellen het verhaal van hoe Nederlanders in het recente verleden woonden, werkten, tuinierden, feestten en opvoedden.

schrijft voor de Volkskrant over literatuur, non-fictie en onderwijs.

Prinses Margrietstraat nummer 2. Een rechthoekige, bakstenen woondoos in een rijtje van zes, met houten voorgevel, een woonkamer over de gehele lengte, grote ramen, en voor en achter een vers gemaaid gazonnetje. De doorzonwoning. Ze is in een oogopslag te herkennen als oer-Nederlands, zoals het huis van oom Donald in het Amerikaanse Duckstad staat. Je ruikt en voelt het meteen: de geur van Croma in de propere Bruynzeel keuken, de douchecel met de koude granito vloer en de frisheid van Sunlight zeep, de kinderkamer met Brabantia boekenrekje, de woonkamer met de sanseveria voor het raam, het rotan zitje, de Jabo vloerbedekking die putjes maakte in je knieën.

Rijtjeshuizen – Nederlanders zijn er dol op. Liever een echt huis met een tuintje dan opgestapeld te wonen een flat. Op een totaal van acht miljoen woningen zijn er 3,4 miljoen rijtjeswoningen (CBS 2023). Daarmee zijn wij, met Groot-Brittannië, kampioen rijtjeshuis. Het meest voorkomende type rijtjeshuis – tussen 1945 en 1975 werden er ruim een miljoen gebouwd – is de doorzonwoning. Veel na de Tweede Wereldoorlog geboren Nederlanders zijn erin opgegroeid, in eenvormige maar propere wijken, met veel groen en speeltuintjes. Na school wachtte hun moeder hen thuis op, met thee en een koekje.

De zes woningen in de Prinses Margrietstraat staan niet in een middelgrote gemeente of in een wijk aan een stadsrand, maar hádden er kunnen staan. Ze zijn – met passende interieurs – te bezoeken in het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem, als typisch Nederlands erfgoed. Ze zijn, op basis van oude bouwtekeningen, heel precies nagebouwd.

Een compacte cultuurgeschiedenis

Tim Smeets, conservator van dat museum, schreef een boek dat de nieuwe aanwinsten begeleidt, Ode aan de doorzonwoning. Een geweldig idee, nooit eerder uitgevoerd: juist het doodgewone en alledaagse is een ideaal object van geschiedschrijving. Het is een leuk en mooi uitgevoerd boek geworden, met veel feiten en wetenswaardigheden over de bouw en de bewoners, en tegelijk een compacte cultuurgeschiedenis die toont hoe we in het recente verleden woonden, werkten, dachten, verbouwden, tuinierden, feestten en opvoedden. Alleen al de foto’s en de interviews met de bewoners vertellen het verhaal.

Achteraf is het een grootse prestatie geweest: de bouw van zo’n twee miljoen woningen in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw, onder regie en met subsidie van de overheid. Rijtjeswoningen en flats, betaalbare huurwoningen, nauwelijks koopwoningen. Die woningen waren nodig, de woningnood was schrijnend. Veel huizen waren tijdens de oorlog vernield, gezinnen woonden in kleine, ongezonde stadswoningen, uitgebaat door huisjesmelkers. Veel mensen hadden het krijgen van kinderen uitgesteld en zochten dringend een woning.

In 1947 doet het ministerie van Wederopbouw en Volkshuisvesting zijn intrede. Wonen wordt een mensenrecht en de toekomst is maakbaar. Woningbouw wordt niet langer aan de markt alleen overgelaten; elke gemeente krijgt waar zij recht op heeft, bouwmaterialen worden centraal ingekocht en verdeeld. De bouw wordt zo effectief en goedkoop mogelijk aangepakt, met prefab, in grote hoeveelheden gemaakte onderdelen en met uniforme plattegronden – de systeembouw – dat scheelde veel manuren in de bouw.

Kaarsrechte straatjes

Een bedrijf uit het Gelderse Wijchen krijgt een grote opdracht voor de massale bouw van woningen met een houten front, de zogenaamde PéGé-woningen, zoals die in het Openluchtmuseum. In Wijchen en veel andere gemeenten ontstaan na 1956 wijken met deze huizen, kaarsrechte, monotone straatjes, afgewisseld met flatgebouwen. Voor elke zuil komen er scholen en kerken, en er is een winkelcentrum. Zo hoeven de huisvrouw en haar kinderen zelden de wijk uit. Voor veel mensen was het een droom die uitkwam: eigen slaapkamers, een tuin, warm water, een douche!

De naoorlogse maakbaarheidsgedachte doet denken aan de ideologie achter de wijken uit de jaren twintig en dertig, zoals het Plan Zuid in Amsterdam. Veel woningen werden gebouwd in de stijl van de Amsterdamse School, met sierlijke, versierde gevels. ‘Schoonheid voor de arbeider’ was het motto achter deze bouw. Tijdens de wederopbouw was kwantiteit belangrijk. Typerend is de vermaning van woningbouwminister In ’t Veld in 1950: ‘De Nederlandsche architect is te veel ingespeeld op het aesthetische, niet op het praktische.’

Vanaf de jaren zeventig is er steeds meer kritiek op de doorzonwoningen. De wijken zouden saai en fantasieloos zijn, zonder enig vertier. Er komt variatie in nieuwbouw, met woonerven en verspringende gevels. Oude doorzonwoningen met lage huur verkrotten, wijken verloederen. Steeds meer mensen kopen een woning. De eengezinswoning blijft populair, ook in de Vinex-wijken van na 1995, maar wordt groter en duurder. Oudere woningen krijgen een uitbouw en dakkapellen.

De woningnood is nu wéér groot; de komende decennia zijn er miljoenen woningen nodig. De overheid kan veel leren van de voortvarende, landelijke aanpak van het naoorlogse bouwen. Wel wat fraaier en gevarieerder, graag.

Tim Smeets: Ode aan de doorzonwoning. Met interviews van Barend de Voogd en foto’s van Marijn Scheeres. Walburgpers; 224 pagina’s; € 29,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next