Home

Crisis hier, crisis daar. Maar valt het woord ‘crisis’ echt zoveel vaker?

Klimaatcrisis, stikstofcrisis, asielcrisis. Is er sprake van inflatie van het woord ‘crisis’?

Heerlijk interview was dat deze feestdagen, met wiskundeleraar en Volkskrant-lezer Piet Post. De Arnhemmer – strenge leesbril, ietwat verontwaardigde blik erboven – wees mijn collega Haro Kraak erop: jullie journalisten zijn veel te somber, noemen alles maar een crisis. Denk eens wat minder in rampspoed!

Dat is mij uit het hart gegrepen. Neem de ‘klimaatcrisis’ (terwijl de wereld boven de 2 graden opwarming heus niet ineens vergaat), of de ‘asielcrisis’ (de asielinstroom lag tien jaar geleden hoger). Vanaf de jaren negentig schoot in elk geval in de politiek het gebruik van het woord ‘crisis’ scherp omhoog, liet bestuurssocioloog Mark van Ostaijen zien. Kennelijk om meer urgentie toe te voegen: ‘Het HIER-EN-NU!’, schreef Van Ostaijen, in hoofdletters.

Zo zit ik, voor ik er erg in heb, te turven, daar bij de kerstboom, in de krantenarchieven van de vier grote kranten De Telegraaf, Algemeen Dagblad, NRC en de Volkskrant. Klopt wat Post zegt, en ligt het woord ‘crisis’ ook journalisten tegenwoordig meer in de mond bestorven?

Daar zit wel wat in, zie ik na een hoop gecijfer. Neem het woordgebruik over humanitaire rampen. Een humanitaire ‘crisis’, werd dat afgelopen 25 jaar steeds vaker. Van ongeveer 20 naar 50 procent van de keren.

Het woord ‘crisis’ viel sowieso vaker: van gemiddeld dik vierduizend keer per jaar in 2000 naar ruim zesduizend keer nu, ontdek ik. Maar helemaal eerlijk is dat niet. Het gemiddelde werd recentelijk immers extra opgetild door de coronacrisis – ontegenzeggelijk een échte crisis. Ook rond 2008 viel het woord vaker. Dat was weer rond de ‘kredietcrisis’. Toen die wegebde, verdween ook het c-woord gaandeweg uit de krant.

Zo ontstaat een opvallend patroon. Crisis roepen? In de media is het van alle tijden. Van de ‘Suezcrisis’ in 1956 tot de ‘oliecrisis’ van 1973, de ‘aidscrisis’ in de jaren tachtig, de ‘golfcrisis’ van 1990, en de ‘vluchtelingencrisis’ van 2015. Kort is het ‘crisis’, maar als het ergste voorbij is, neemt ook het mediagekrakeel af – in de vier kranten die ik bekeek in elk geval wel.

De ‘klimaatcrisis’ is in dat spel een geval apart. Na 2006 begon de aanduiding voor het eerst op te duiken. In opiniestukken welteverstaan, van milieugroepen die na de alarmerende klimaatfilm van Al Gore wilden wijzen op hoe ernstig klimaatverandering is. Pas nadat de Britse krant The Guardian in 2009 met veel bombarie had aangekondigd de versnelde opwarming ‘crisis’ te gaan noemen, gingen ook journalisten erin mee. Al valt het woord nog steeds maar mondjesmaat, en is het alweer wat op z’n retour: meestal hebben kranten het over ‘klimaatverandering’ of ‘opwarming van de aarde’.

Inderdaad grijpen media vaak naar het alarmwoord ‘crisis’. Maar dat is al decennialang zo, en als ze het massaal gebruiken, is er meestal ook echt iets aan de hand – gelukkig houden kranten het hoofd aardig koel.

In 2000 viel het woord ‘crisis’ in de vier grote kranten 2.153 keer; vorig jaar waren het 2.361 vermeldingen. Een toename van amper 10 procent in een kwarteeuw tijd. Ik vind het nog best te overzien.

Werkwijze

Voor de telling in dit stuk doorzocht ik het media-archief Lexis Nexis op het woord ‘crisis’ en diverse samenstellingen, zoals ‘milieucrisis’, ‘humanitaire crisis’, ‘economische crisis’, ‘politieke crisis’, ‘kredietcrisis’, ‘klimaatcrisis’ en ‘asielcrisis’.

Omdat kranten de afgelopen 25 jaar mogelijk dunner of juist dikker werden, telde ik ook de veel voorkomende woorden ‘regering’, ‘aantal’, ‘oplossing’ en het lidwoord ‘het’. Daarmee bracht ik een weegfactor aan om de resultaten van verschillende jaren met elkaar te kunnen vergelijken.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next