In Mijn leven na het Witte Huis laat Bill Clinton zich verleiden tot al te veel sentimentaliteit. Het wordt pas echt interessant wanneer de Amerikaanse politieke verhoudingen ter sprake komen.
recenseert voor de Volkskrant boeken over politiek en openbaar bestuur.
Wat is een president van het machtigste land ter wereld als hij geen president meer is? Een man zonder bestemming. In de eerste zin van zijn nagekomen memoires, Mijn leven na het Witte Huis, schrijft Bill Clinton, die de 42ste president was van de Verenigde Staten, dat hij in 2001 ‘weer gewoon burger’ werd. Mooi niet. Was je als burger pindaboer of filmster in cowboyfilms, als je eenmaal president bent geweest van de VS is er geen weg terug en geen weg vooruit. Het is je eindstation. Je blijft ‘Mister President’, voor de eeuwigheid, althans tot de dood je inhaalt. Het protocol schrijft dat voor en ook de altijd aanwezige beveiliging gebiedt het en met beide valt niet te spotten.
Landerigheid ligt op de loer. Ook is het risico reëel dat je achterom kijkend jezelf gaat ophemelen als visionair naar wie de wereld maar beter wel had kunnen luisteren toen het nog niet te laat was. Clinton schreef een dik boek over zijn postpresidentiële bestaan en van beide ongemakken zijn sporen aan te treffen in zijn verslag.
Bill Clinton was 54 toen zijn twee periodes als president erop zaten. Hij heeft geprobeerd de moed erin te houden door de wereld te bereizen en allerhande hulporganisaties in het leven te roepen. Je had de Clinton Foundation, het Clinton Climate Initiative, het Clinton Health Acces Initiative, het Clinton Global Initiative, het Clinton Development Initiative en nog een handvol andere bewegingen die wereldwijd het lot van de achtergestelden onder ons wensten te verlichten.
Clinton reisde naar Calcutta en Atjeh naar Lesotho en Colombia, en waar hij kwam verrichtte hij goede werken: ‘Ik ging naar Calcutta om een belofte in te lossen die ik Moeder Teresa voor haar dood had gedaan: een bezoek brengen aan haar kindertehuizen.’ In Zuid-Afrika schilderde hij schuttingen met vrijwilligers en ontving hij ‘een prachtige mand vol briefjes’ van scholieren. ‘Die herlees ik op gezette tijden, als ik behoefte heb aan een opkikker.’ In Ghana wilde hij de vliegtuigtrap beklimmen toen een vrouw kwam aanrennen om hem een pakje aan te reiken. Het was een T-shirt. Uit dankbaarheid geschonken. ‘Thuis legde ik het shirt op een plank in mijn kleine inloopkast waar ik het elke dag kon zien. (…) Als ik ’s morgens wakker word, kijk ik ernaar en glimlach.’
Op bladzijde 281 begint Bill Clinton te verhalen over de verhoudingen in de Amerikaanse politiek en daar knapt zijn boek zienderogen van op. De sentimentaliteit van het doktersromannetje maakt plaats voor de bravoure die het presidentschap van Clinton authenticiteit gaf. Uitgebreid schrijft hij over ‘de opgefokte cultuuroorlog’ in de Amerikaanse politiek. Hij doet dat niet zonder wrok, maar daar wordt het boek alleen maar beter van.
Hij herinnert aan de lange geschiedenis van de cultuuroorlog. Al in 1994 deed het populisme zijn intrede op het Capitool, toen de Republikein Newt Gingrich, een lepe vertegenwoordiger van ‘haatzaaiende, feitenvrije politiek’, de machtige voorzitter werd van het Huis van Afgevaardigden. Gingrich begon zijn carrière als voorzitter, schrijft Clinton, met hem en zijn vrouw Hillary af te schilderen als ‘vijanden van normale Amerikanen’. Let wel, het was pas 1994 en in Nederland had bij wijze van spreken niemand zelfs nog maar gehoord van Pim Fortuyn. Geert Wilders was een schuchtere medewerker van de VVD-fractie.
De rancuneleer van Gingrich schreef aan nieuwe leden van het Huis voor dat zij, sprekend over Democraten, consequent de woorden ‘zwak’, ‘bedroevend’ en ‘achterbaks’ moesten laten vallen. Die geluiden zijn nooit meer weggegaan. De Amerikaanse politieke instituties en de elites die zich lange tijd veilig waanden, zijn omvergeduwd.
Dat gold ook voor de kaste van de Clintons. Tot oktober 2016 wist Bill Clinton zo goed als zeker dat zijn vrouw Hillary een maand later tot de 45ste president van de VS zou worden verkozen. Ze verloor van Donald Trump. Bill Clinton geeft de schuld voor een belangrijk deel aan de Amerikaanse pers, die als geile hondjes achter ophef en vertier zou zijn aangelopen. Dat verhaal overtuigt amper, veel minder althans dan wat hij te berde brengt over het anti-elitaire en autocratische populisme dat Amerika in zijn greep heeft gekregen.
Zijn vrouw was het eerste slachtoffer. Zijn kater beschrijft Clinton mooi: ‘Ik vind het moeilijk om dit allemaal op te schrijven. Tot twee jaar na de verkiezingen kon ik niet slapen. Ik was zo kwaad, er viel geen huis met me te houden. Mijn verontschuldigingen aan iedereen die mijn woede-uitbarstingen heeft moeten doorstaan.’
Bill Clinton: Mijn leven na het Witte Huis. Uit het Engels vertaald door Arjanne van Luipen, Irene Paridaans en Annemie de Vries. Balans; 479 pagina’s; € 29,95.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant