Met De dochter heeft columnist en schrijver Harriët Duurvoort een boek geschreven over haar moeder Eva, die als zwart meisje in 1928 werd geadopteerd door een wit, gereformeerd echtpaar uit Scheveningen. Een dubbelinterview over familie, anders zijn, schaamte en moed.
is verslaggever en columnist van de Volkskrant en schrijft veel over (sociale) media en emancipatie.
Op de piano bij Eva Nijman (96) staat een ingelijste foto, die haar dochter Harriët Duurvoort (55) altijd hoopvol heeft gevonden. Een donker meisje met een volle bos kroeshaar, de kleine Eva, geeft een handje aan een blond, wit kindje op klompen. Echt van harte ging die pose niet, zegt Eva, dat joch was geeneens een vriendje, maar vader Jan was een enthousiast hobbyfotograaf en de kinderen deden zijn zin.
‘Eva kijkt afwachtend, schoorvoetend, een beetje beschroomd ook’, vindt Harriët, maar toch: ze houden elkaar vast.
Eva is van gemengde afkomst: haar moeder, de Friese Gerharda Nijman, kreeg in 1928 een kind van een voor Eva onbekende zwarte man. Een schande in die tijd, en dus werd ze met zes weken afgestaan via een krantenadvertentie aan Saar en Jan, een wit, gereformeerd echtpaar uit Scheveningen dat zelf geen kinderen dacht te kunnen krijgen. Met dat kroeshaar wist Saar zich geen raad, zegt Eva, op de foto is er onhandig een strik in gebonden. Later werden het twee weerbarstige, dikke vlechten.
‘Frans, een straatschoffie uit de buurt, trok altijd aan die vlechten’, zegt Eva lachend. ‘Hij liep elke dag achter me aan, en dan schold hij van: ‘Poepnikker! Zwarte Piet!’ Ik dacht: ik kom nooit van Frans af, maar toen ik in de tweede klas zat, ben ik het politiebureau binnengestapt. Ze moesten heel hard lachen dat zo’n klein meisje dat durfde en zeiden: we zullen die Frans wel eens zeggen dat hij dat nooit meer mag doen. De keer daarop dat Frans me zag, zei hij gewoon: ‘Dag’.’
Het is maar één van de anekdotes uit haar bijzondere levensverhaal, dat door haar dochter, Volkskrant-columnist en journalist Harriët Duurvoort is opgetekend in De dochter. Via Eva’s verhaal vertelt Duurvoort ook over een eeuw migratie naar en uit Nederland.
Eva’s adoptieouders Saar en Jan kregen nog drie kinderen, en emigreerden na de Tweede Wereldoorlog zoals tienduizenden Nederlanders naar Canada. Eva trok toen juist naar Suriname.
Door haar huwelijk met de Surinaamse muzikant Rudi Duurvoort kwam ze later bij de Creools-Surinaamse gemeenschap te horen, die in de jaren zeventig een steeds slechter imago kreeg en door veel Nederlanders met de nek werd aangekeken.
De Volkskrant spreekt moeder en dochter in Eva’s knusse appartement in een van de meest hectische straten van hartje Amsterdam. Aan de muur slaat de Friese staartklok, in een hoek staat een altaartje met de schilderijen van Harriëts zoon en Eva’s kleinzoon River.
Even was het spannend of dit gesprek wel zou doorgaan: Eva was maandenlang ziek door een ontsteking. En, niet onbelangrijk: Eva treedt niet graag op de voorgrond. Dit is het enige interview dat ze geeft. Eva is er bijna weer bovenop, ze heeft zelfs koekjes gebakken (chocolate chip cookies). Herkenbaar op de foto wilde ze liever niet: ‘Dan kunnen mensen zeggen: o, dat is zij, waar dat en dat over geschreven is.’
Hoe anders is het voor Harriët: ‘Ik heb de wereld als columnist en journalist altijd geduid aan de hand van mijn persoonlijke leven. Het gekleurde perspectief op de samenleving voor het voetlicht brengen, dat is natuurlijk überhaupt waarom ik journalist bén.
‘Ik wist 25 jaar geleden al dat dit een boek moest worden. Een zwarte vrouw die opgroeit in Nederland en al die migratiegolven meemaakt, dat is een diep Europese geschiedenis. Ik denk dat het verhaal het particuliere overstijgt. Het houdt Nederland een spiegel voor.’
Tien jaar geleden begon Harriët aan het boek, maar ja: bestanden raakten zoek, het onderzoek groeide in omvang, haar zorgtaken thuis ook. ‘Toen dacht ik ook nog dat ik het voor mijn zoon River schreef’, zegt Harriët. ‘Maar door zijn autisme en een verstandelijke beperking zal hij het niet begrijpen. Racisme gaat hem boven de pet. Dat is ook een voordeel.’
Vond u dat ook, Eva, dat uw verhaal het particuliere overstijgt?
Eva: ‘Nee hoor, helemaal niet. Ik heb nooit gedacht: ik heb een interessant levensverhaal. Ik heb er ook nooit de aandacht mee gezocht. Als Harriët erover wilde schrijven vond ik dat prima, maar liever als ik er niet meer was.’
Harriët: ‘Maar goed, ze werd maar ouder en ouder in goede gezondheid. Het was altijd iets intiems, en iets waar je, onterecht vind ik, toch ook iets van schaamte omheen hebt. Terwijl ik denk: je kunt ook een rolmodel zijn.’
Dus hier zitten we dan. Met het boek, en mét Eva, die liever nooit opviel, misschien ook omdat ze vanzélf al opviel. Ze illustreert het weer met een anekdote: ‘Als klein meisje mocht ik als enige in onze Gereformeerde Kerk niet gedoopt worden. Omdat ik in zonde ontvangen en geboren was, volgens hen. Ik vond het toen al vervelend als ik apart gezet werd.
‘Toen ik belijdenis deed werd ik pas gedoopt. Toen was ik al 20. Iedereen was heel bewogen in de kerk, ze vonden het geweldig: dat zelfs die éne zwarte persoon in onze kerk uiteindelijk toch gered werd.’
Toen werd er een lied ingezet: ‘De Filistijn, de Tyriër, de Moren, zijn binnen u, o Godsstad, voortgebracht.’ ‘Vreselijk. Dat ze dát nou juist uitzochten voor mij.’
Dat langverwachte moment werd dus toch niet feestelijk.
‘Zeker niet. Maar ik kon het met niemand delen, want veel mensen in de kerk waren ontroerd en mijn ouders waren heel blij. Dat ik alleen maar boos was, zouden ze niet begrijpen.’
Was dat het eerste moment waarop u verwijdering voelde van uw gezin?
‘Nee, al eerder. Op je 15de, in de oorlog, kreeg je een persoonsbewijs, daar stond op wie je vader en moeder waren. Vroeg in de 20ste eeuw was het nog wat anders geregeld voor geadopteerde kinderen. Daardoor zag ik ineens de naam van mijn biologische moeder op dat persoonsbewijs staan, en: vader onbekend. Dat is de eerste en enige keer dat mijn ouders het hebben aangesneden, van o ja, je bent eigenlijk... Ik schaamde me erg, want ik dacht: ik héb al een vader en moeder.’
Met uw ouders sprak u er verder nooit over?
‘Nee, Mensen hadden het altijd over een aangenomen kind. Als ik daarover begon zeiden ze: je bent óns kind. Het is heel moeilijk geweest dat ik gewoon niets wist. Er was een verlammende loyaliteit natuurlijk, want mijn ouders waren heel liefhebbende, warme ouders. En in de kerk ging het altijd over God, die een vader was. Dus ik dacht ook: die heb ik óók nog.’
Hoopten ze dat door dat zo te zeggen, ‘je bent óns kind’, u dat ook altijd zo zou voelen?
Harriët: ‘Ja, dat is denk ik ook iets wat adoptieouders soms verkeerd inschatten. Als je 2, 3 jaar bent, begin je te beseffen: ik ben anders dan iedereen om me heen. Ook omdat iedereen je begint uit te schelden.’
Eva: ‘Ja, ik werd veel uitgescholden. Poepnikker vond ik het ergste. Poep, daar mocht je al niet over praten. Maar als je dát er dan nog bij zei... De kinderen uit de buurt liepen altijd achter de kinderwagens, toen vroeg ik eens of ik dat ook mocht.
‘Toen zeiden de moeders: nee, want de baby’s zijn bang als ze zo’n hoofd zien. Zo’n hoofd als dat van mij. Dat is pas overgegaan toen ik zelf een zusje kreeg. Ze was helemaal niet bang voor mij.’
Naast die racistische scheldpartijen heeft u als tiener, toen u tijdens de oorlog in Friesland verbleef, ook nog een vreselijke aanranding meegemaakt, lees ik in het boek. Heeft de kerk u ook...
Eva: ‘Nou, wacht, het was geen vreselijke aanranding, hoor. Een keer liepen we door het dorp en kwamen er drie, vier jongens aanlopen en die begonnen aan mij te trekken, aan mijn kleren te trekken. Ik heb flink teruggeslagen. Het ergste eraan was dat de rest bleef staan kijken.’
Ik vroeg me af wat u er doorheen heeft geholpen?
Eva: ‘Ikzelf. Ík heb mij er doorheen geholpen.’
Harriët: ‘Ja, ik heb een heel veerkrachtige moeder.’
Eva’s leven is in het boek verweven met geschiedenishoofdstukken die migratie op gang brachten: de onafhankelijkheid van Suriname en Nederlands-Indië bijvoorbeeld, en de Tweede Wereldoorlog.
12 was Eva toen die begon; vlak ervoor ging een oom, een broer van haar adoptiemoeder, bij de NSB. ‘Ja, ik ontdekte schokkende dingen’, zegt Duurvoort. ‘Ik wilde ook weten: hoe is het mogelijk dat je dat doet?’
Ik heb ook Monique even gesproken – uw dochter en jouw zus, Harriët. Zij dacht dat dit boek voor Eva ook belangrijk was om aan mee te werken omdat ze in de huidige samenleving sentimenten herkent uit de jaren dertig.
Eva: ‘O zeker, dat komt weer helemaal terug. Ik was natuurlijk pas 12, ik had veel dingen niet door, maar je wist wel dat de Duitsers heel slechte dingen deden.
‘Sommige NSB’ers kende ik van voor de oorlog, heel aardig en vriendelijk, en dan ineens werden ze zo ontzettend slecht. Die oom, oom Joost, had zijn moeder verloren toen hij 2 was. Hij kwam met 17 jaar van school en was erg lang werkeloos. Trouwen kon hij niet, want hij had geen geld.’
Harriët: ‘Aan zijn verhaal zie je wel hoe aantrekkelijk het kan zijn om, als het slecht met je gaat, voor gevaarlijke ideologieën te vallen. Dan komt er ineens een verklaring: jij bent wél iemand. Jij wordt tekort gedaan. En die mensen dáár hebben het gedaan, dat zijn de zondebokken. Jij behoort eigenlijk tot een Herrenvolk!’
Wat herkent u dan van toen, Eva?
Eva: ‘Dat sommige mensen weer zo openlijk kunnen zeggen wat ze van zwarte mensen vinden, of van moslims. We dachten na die oorlog dat het alleen maar beter zou gaan, maar eigenlijk vind ik dat het, ook ten aanzien van zwarte mensen, moeilijk is gebleven.
‘Natuurlijk, er zijn wel huwelijken en vriendschappen. Maar over het algemeen worden zwarte mensen toch als minder gezien dan witte. Het is zo jammer dat zo veel Nederlanders denken: ja, het was fijner vroeger, zonder die mensen. Nou, zo geweldig was het hier niet. En je zou ook bij jezelf kunnen denken: heb ik eigenlijk wel gelijk, dat al die zwarte mensen hier onze banen komen inpikken? Dat begrijp ik niet.’
Harriët: ‘Juist omdat je de samenleving nu zo diep multicultureel is, en in de afgelopen jaren groepen zich zijn gaan emanciperen en zeggen waar het op staat, krijg je een backlash, een sterke tegenreactie. Zo kijk ik ook naar het huidige rechts-populistische kabinet, dat al helemaal geen blad meer voor de mond neemt.’
Gelooft u niet dat er, als het om racisme gaat, een opgaande lijn in de zaak zit?
Eva: ‘Ja, daar hoop je op, maar ik kan niet zeggen dat het ooit in die honderd jaar goed is geweest.’
Toen Eva’s vader Jan vlak na de oorlog door het Rode Kruis naar Nederlands-Indië werd uitgezonden, ging het gezin mee. Eva voelde daar verwantschap met de Indonesische vrijheidsstrijders.
Harriët: ‘Terwijl jullie natuurlijk bij koloniale bezetter hoorden, als Nederlanders. Jullie hadden daar ineens personeel, een baboe, een kokkie die achterwaarts langs de muur schuifelde.’
Uw broertje riep in die tijd eens uit: ‘Leuk he, om blank te zijn!’ Hoe vond u dat?
Eva: ‘Dat zei hij omdat we niet wisten wat ons overkwam. In Nederland waren we een eenvoudig gezin geweest, in de oorlog was er armoede en honger.’
‘Hoe lief ik die familie ook heb, zij begrijpen eigenlijk niet zoveel van hoe het is om een kleur te hebben. Het is een heel grote familie geworden, maar niemand trouwde met een zwart iemand.
‘Toen ik eind jaren vijftig, na mijn tijd in Suriname, weer bij mijn familie in Canada ging wonen, kreeg ik een zwarte vriend, Bob. Hij kwam kennismaken thuis. Toen hij weg was zei mijn moeder: ‘Zie je niet hoe zwart hij is?’
Harriët: ‘Terwijl: jij was gewoon een jonge zwarte vrouw, er was een grote zwarte gemeenschap, het was helemaal niet onlogisch dat je met een zwarte man thuiskwam.’
Eva: ‘Ik heb ook weleens meegemaakt dat we ergens gingen eten, in Canada, in 1959, en ze Bob en mij niet wilden bedienen. Kijk, ik wil mijn moeder nergens van betichten. Maar ze snapten niet dat dat kwetsend was.’
U verhuisde in 1955 naar Paramaribo om te werken als lab-analist. Uw biologische vader was een Surinamer, was de veronderstelling. Zocht u een beetje naar een thuis?
Eva: ‘Ja, ik dacht: dan ben ik onder mensen die op mij lijken. Maar zo werkte het niet. Ik zat er bij een gereformeerde kerk, met allemaal witte Nederlanders. Op een Goede Vrijdag gingen ze een keer de Matthäus Passion luisteren, op plaat. Ik wilde dat ook wel, maar dan zeiden ze: maar Surinamers houden daar toch niet van? Toen kwam ik met een partituur aanzetten die niemand had. Dat maakte wel indruk.’
Harriët: ‘Ja, toen was je ineens de meest Nederlandse Nederlander. Mama was de enige die de hele Matthäus Passion uit haar hoofd kende.’
Eva: ‘Alleen de koralen.’
Harriët: ‘Ik zeg altijd: ik ben ontstaan uit de Matthäus Passion, want daar gingen mijn ouders heen op hun eerste date.’
‘Dat was de link, de muziek’, zegt Eva over haar (later ex-) man Rudi. ‘We ontmoetten elkaar in Nederland tijdens een conferentie van de Evangelische Broedergemeente. Hij zat achter het orgel. We hadden samen corvee, maar toen deed hij al niets. Hij zei al: ik ga nooit de vaat doen, hoor.’
Harriët: ‘Mijn vader was natuurlijk echt een Surinaamse man. Hij had zijn eigen dromen, hij wilde de Surinaamse muziek levend houden. In de Bijlmer was hij een geliefde figuur, als iemand zijn kind niet op muziekles kon doen, betaalde hij.
‘Hij was komen studeren in Nederland, maar zijn grote droom was teruggaan naar Suriname. De geschiedenis heeft een andere loop genomen, er kwam een revolutie, toen de militaire coup.’
Ook Desi Bouterse komt langs in het boek: de neef van Rudi, waar hij ook wel een beetje van onder de indruk was. Was u zich ervan bewust dat u dichtbij zo’n beruchte figuur stond?
Eva: ‘Nee, helemaal niet. Je las over Bouterse niet zulke goede dingen, een vreselijke man. Hoe noemde Rudi hem toch ook weer?’
Harriët: ‘De bevelhebber! Zeker na 1982 (het jaar waarin Bouterse verantwoordelijk was voor de Decembermoorden, red.) werd het natuurlijk een trauma voor alle Surinamers.
‘De Surinaams-Creoolse gemeenschap is klein, iedereen kende daders en slachtoffers. Oma Bouterse (de moeder van Rudi Duurvoort, red.) was heel geschokt dat haar neef dit gedaan had. Ze zei: ik ben geen Surinaamse meer. Mijn vader, tsja, die reageerde ambivalenter.’
Eva: ‘Hij kon het niet geloven.’
Harriët: ‘Ja, hij vond het moeilijk te accepteren. In 1982 was ik pas 11. Toen ik in de jaren negentig met mijn vader in Suriname was, heeft hij me langs al die Bouterse-familieleden gesleept. Daar ging het van: nichtje dit, nichtje dat, wanneer kom je weer thuis? Ik dacht: hoezo? Dat voel ik zo niet.’
Voor jou was Suriname geen thuiskomen, Harriët, en in Nederland voel je je ook niet thuis, schrijf je. Is dat gevoel eigen aan de multiculturele ervaring?
Harriët: ‘ Zeker in deze tijd hoor je, ook als je tweede of derde generatie bent, nog steeds vaak dat je de gewantrouwde ander bent. Dat heeft ook invloed op hoe je jezelf ziet. Ik ben hier natuurlijk geboren, en toch heb ik dat. Veel van mijn vrienden zijn bicultureel en hebben hetzelfde, een soort nomadisch gevoel. Dat je je niet diep geworteld voelt.’
Helpt er iets tegen?
Harriët: ‘Ik mis het niet meer. Ik voel me vaak de outsider, maar heb daar vrede mee. Ik hou van open en inclusieve gemeenschappen, waar iedereen elkaars feestdagen viert en elkaars eten proeft.
‘Eigenlijk weet ik niet beter, ook in mijn jeugd in Amsterdam was ik altijd op multiculturele plaatsen. Ik denk vaak: dit is een wezenskenmerk van onze samenleving, wanneer gaan we dat eens accepteren? Het is wat dat betreft echt een uitdagende tijd.’
Eva: ‘Lange tijd ben ik trots geweest op Nederland en de Nederlandse vlag, als ik ergens kwam. Maar dat is al lang niet meer zo. Sinds alles zo die rechtse kant op gaat en sommige politici zo duidelijk laten weten dat ze van sommige mensen niets moeten hebben. Dat is niet mijn land.’
In de jaren tachtig, als zoekende, wat alternatieve puber, ging Harriët bij een Amsterdamse vereniging voor migrantenvrouwen, Flamboyant. Een walhalla vol zwarte, vrouwelijke rolmodellen. In de Broedergemeente voelde Harriët zich niet thuis.
Eva: ‘Toen ze 13 was en naar catechisatie moest, zei de predikant al: ze stelt zulke moeilijke vragen. Ik dacht: daar bent u toch voor?’ Harriët: ‘Jij wilde altijd dat ik dominee zou worden. Nu preek ik in columns, daar heeft het wel wat van weg.’
Eva: ‘Je vroeg daarstraks: hoe ben ik die moeilijke periode als tiener doorgekomen? Toen dacht ik altijd: er is een God, en die let op. Oók op mij. Maar nu ik zo oud ben, weet ik het niet meer. Als ik nu kijk wat we meemaken, met Gaza enzo. Het zijn er te veel - ’ Eva slikt haar tranen weg.
U denkt dat Hij niet meer oplet?
Eva: ‘Nee.’
Harriët: ‘Maar als je dan kijkt naar de hele geschiedenis, waar was die God dan bij al die vreselijke wreedheden? Bij de slavernij, de Holocaust? Jij vertelde vroeger ook dat je tijdens bombardementen bad: laat ze overvliegen. Maar dan werd iemand ánders slachtoffer. Dat is eigenlijk heel egocentrisch.’
Eva: ‘Ja, hij heeft toch gezegd: op de zevende dag, dan rustte hij. Ik heb weleens gedacht: misschien was het daarmee klaar, de schepping.’
Harriët: ‘Dat hij daarna verder is getrokken?’
Eva: ‘Ja, ik weet het niet. Ik twijfel nu, na al die jaren dat ik heel vroom was.’
Harriët is geen dominee geworden, maar columnist. Hoe kijkt u naar haar rol in het maatschappelijke debat?
Eva: ‘Ik ben natuurlijk heel trots op haar columns. Ik kocht altijd hiertegenover de krant waar ze in staat, maar ik vind hem de laatste tijd nogal duur. Nu knipt een kennis van een vriendin voor mij Harriëts columns uit, dus die lees ik met veel vertraging. Een heel enkele keer denk ik: dat je dát nou moet schrijven.’
Harriët: ‘Ja, een keer over River, toen ging het niet goed met hem. Nu wel, en dat komt omdat hij uit het schoolsysteem is gehaald. Het is soms moeilijk voor mijn omgeving dat ik over persoonlijke dingen schrijf, maar ja, ik denk ook altijd: het persoonlijke is politiek, hè?
‘Ik denk dat het een verschil kan maken voor andere kinderen met een beperking en autisme om daarover te schrijven. Ik wil de misstanden in het systeem aankaarten.’
Je schrijft al lang over allerlei onderwerpen rondom de multiculturele samenleving. Toch twijfelde je of je dit interview wilde doen.
Harriët: ‘Ja, ik dacht: o God, straks krijgt mama óók dat gezeik over zich heen. Zeker in mijn begintijd als columnist werd ik hevig uitgescholden op Twitter, rond het hele zwartepietendebat. Maar ja, het was ook een beetje mijn eigen schuld, ik was zo verslaafd aan Twitter. De bedreigingen kwamen ook aan huis, soms kantjes vol.
‘Inmiddels denk ik ook wel: je kunt je oren niet laten hangen naar de buitenwereld. Er kómen scheldkanonnades als je praat over racisme. Je kunt alleen maar trouw blijven aan jezelf. Ik weet gewoon: oké, dit zijn mijn waarden, dit is mijn waarheid, en ik vind mezelf verder gewoon wel een tof wijf ofzo. Ik ben echt een diplomaat, eigenlijk. Ik wil toch mensen verbinden, dat ze blijven zien: we zijn allemaal mens, onder al die verschillen.’
‘Dat zie ik ook wel als de boodschap van mijn moeders leven, toch, mama? Daar spraken we gisteren nog over, over de quote van je held Martin Luther King: ‘I have a dream’. Dat de mensen in broederschap samenleven, dat is de normaalste zaak van de wereld voor haar. Zij heeft dat altijd gehad: zelfs met zulke grote verschillen in haar familie leefden ze in liefde met elkaar samen.’
Eva: ‘Ik ben inmiddels zo oud, ik wéét dat er geen verschil is tussen mensen. Een mens is een mens.’
Het is via de Volkskrant dat Harriët en haar zus Monique in 2006 de familie van Eva’s biologische moeder op het spoor komen. In de 25 duizendste editie ziet Eva een interview met de op dat moment oudste lezer, de 103-jarige Fries Gerrit Nijman. Dat blijkt de broer van haar biologische moeder, Gerharda Nijman, die in 1967 is overleden.
Eva verdwijnt en komt terug met een andere ingelijste zwart-witfoto: de familie Nijman in de jaren twintig. Eva wijst naar Gerrit; ‘Het was mooi dat hij meteen zei dat hij mij nog in zijn armen had gehad, als baby.’ Rechts bovenin de tiener Gerharda, nog voor ze Eva kreeg. Ten tijde van het portret was de familie net de armoede van het Friese platteland ontvlucht, naar Den Haag.
Hoe was het voor u, na al die jaren?
Eva: ‘We werden heel hartelijk ontvangen, ik kan niet anders zeggen. We ontmoetten oom Gerrit, en de dochters van zijn broer, die dus mijn nichten zijn. Maar we hadden om de zoveel tijd een bijeenkomst en ik voelde me steeds minder thuis. Het zijn heel aardige mensen, maar-’
Harriët: ‘Je hebt gewoon geen geschiedenis.’
Eva: ‘Nee. Ze zeiden soms tegen mij: je hebt zeker veel racisme meegemaakt. Ik vond het rare vragen en ik vond het niet plezierig. Dus ik heb toch gezegd dat ik niet meer kwam. Ik heb erbij gezegd: het ligt alleen maar aan mij.’
Harriët: ‘We hebben met oom Gerrit wel echt goed contact gehad. Dat was voor Monique en mij wel fijn, want wij zaten met veel vragen, natuurlijk. Hij had zich in zijn leven vaak afgevraagd of hij Eva nog zou terugzien, hij was zo blij dat ze nog in leven was.’
Je boek eindigt met een behoorlijke cliffhanger, Harriët: je ontdekt op de valreep wie je opa was, de biologische vader van Eva.
Harriët: ‘Ja, mijn zus en een van haar beste vrienden hebben aan de hand van DNA- en historisch onderzoek zijn identiteit achterhaald. Een monsterklus. Hij is een erg tot de verbeelding sprekende figuur.’
Wie dat was, en waarom hij zo tot de verbeelding spreekt, wil Harriët niet zeggen: ze bewaart het verhaal, voor een volgend project misschien. En er was een bonus: diezelfde vader bleek ook een halfzus te hebben verwekt, die nog leefde en in Miami woont. Harriët: ‘We zagen haar op Facebook, en je zag meteen: hetzelfde gezicht.’
Bracht dat u iets, Eva, dat u zo laat in uw leven nog een halfzus ontdekte?
Eva: ‘Nee, absoluut niet. Monique was wat teleurgesteld dat ik niet zo enthousiast was. Maar ik zei: ik héb een vader gehad. Ik had mij er al bij neergelegd. Het is wel mooi dat ik het weet, en het is mooi dat ik weet dat mijn opa en oma nog slaven zijn geweest in Su...’
Harriët: ‘Nee, nee, nee, nee.’ Eva mag niets weggeven van Harriët.
Eva: ‘Ja ja, ik stop al.’
Een Spoorloos-achtig, tranenrijk tafereel werd het dus niet, die hereniging met Eva’s biologische familie. ‘Adoptie blijft ingewikkeld’, zegt Harriët. ‘Ik vond mijn moeder soms té loyaal aan haar adoptieouders, maar er was ook zo veel liefde in dat gezin.
‘Er is nu veel meer begeleiding dan toen, en er zijn grote verschillen tussen gezinnen, maar er is altijd pijn. Hoe dan ook is dit háár verhaal, het is geen politiek boek over adoptie. Ik denk juist dat je met zo’n menselijk verhaal meer recht doet aan de menselijke ervaring dan met politieke statements. Daarom heb ik het willen opschrijven.’
Eva: ‘Daarom hebben we ook die foto op de cover. Dat geeft toch hoop.’
Wat ziet ú er dan in?
Eva: ‘Ja, dat het misschien toch van de kleine kindjes moet komen, de verbinding.’
Harriët schrijft dat ze elkaar ook wel een beetje argwanend aankijken, die twee.
Eva: ‘Ja, maar ze houden elkaar wel vast.’
Harriët: ‘Het zit er allebei in. Het idee van: misschien moeten we het toch maar proberen.’
CV Harriët Duurvoort
21 mei 1969 Geboren in Amsterdam.
1988-1993 Studeerde Nederlands recht en internationaal recht aan de Universiteit van Amsterdam.
1993 Begint bij het VPRO-programma Marco Polo, over multiculturele wijken in Amsterdam.
1996 Richt Roof op, een lifestyleblad met een multicultureel perspectief.
1998-2003 Werkt als redacteur bij multicultureel weekblad Contrast.
1999-2009 Richt een eigen communicatiebureau op en is mede-uitgever van het multiculturele scholierenblad Generation Now.
2010 Maakt documentaires over kunst en culturele diversiteit in New York en Londen.
2012-heden Freelancejournalist en spreker.
2012-heden Columnist bij de Volkskrant.
Harriët woont in Rotterdam met haar zoon River.
De dochter - Herinneringen aan anders zijn is deze week verschenen bij Uitgeverij Pluim.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant