Facebook en Instagram stoppen met onafhankelijke factchecks, meldde Meta-CEO Mark Zuckerberg deze week. De strijd tegen misinformatie levert tot nog toe niet op wat experts ervan hoopten. Zij pleiten voor een nieuwe aanpak.
schrijft voor de Volkskrant over wetenschap.
9/11 was opzet van de Amerikaanse overheid, Hamasaanhangers gooiden op 7 oktober Joodse baby’s in een oven en de man die afgelopen zomer drie meisjes in Groot-Brittannië neerstak, was een islamitische asielzoeker: het is allemaal onzin, maar de argeloze internetgebruiker hoeft niet ver te zoeken om op dergelijk nepnieuws te stuiten. Of het nu gaat om de oorlogen in Gaza en Oekraïne, of om Israëlische voetbalsupporters in Amsterdam: bijna geen nieuwsonderwerp wordt verslagen zonder dat misleidende beelden en geruchten op sociale media een rol spelen.
Binnenkort verdwijnen ook bij Facebook en Instagram de onafhankelijke factchecks van nieuwsorganisaties die soms bij misleidende berichten verschijnen, kondigde Mark Zuckerberg deze week aan in een video. Factcheckers zouden volgens de techbaas maar vooringenomen zijn en meningen censureren. In dezelfde videoboodschap zegt de CEO van moederbedrijf Meta zich te verheugen op zijn samenwerking met Donald Trump ‘om tegengas te bieden aan overheden van over de hele wereld, die het gemunt hebben op Amerikaanse bedrijven en censuur opvoeren’.
Overheidsinstanties, politici en opiniemakers noemen misinformatie ondertussen een gevaar voor onze democratie. De Europese Commissievoorzitter Ursula von der Leyen sprak zelfs over ‘een virus’ waartegen Europeanen moesten worden ‘ingeënt’. De strijd tegen nepnieuws levert alleen veel minder op dan misinformatie-experts hoopten. Bovendien lijken aan de voortdurende waarschuwingen voor nepnieuws ook nadelen te kleven. Hoog tijd voor een nieuwe aanpak, zeggen sommige wetenschappers nu.
Misinformatie is informatie die niet klopt. Daaronder valt ook desinformatie, onzin die mensen expres verspreiden om anderen te misleiden. Het onderzoek hiernaar nam in westerse landen een hoge vlucht vanaf de verkiezing van Trump in 2016 en de Brexit. Hoe konden mensen nu stemmen op politici die klinkklare leugens verkopen? Wetenschappers stortten zich op allerlei vormen van nepnieuwsbestrijding, die ruwweg zijn in te delen in drie categorieën: de ontkrachting van onwaarheden door middel van een factcheck, een waarschuwing door middel van een zogenaamde ‘pre-bunk’ en lessen mediawijsheid om zelf door nepnieuws heen te prikken.
De factcheck, de feitelijke weerlegging van onzin, blijkt een beperkte overtuigingskracht te hebben. Zo is de aantijging van Donald Trump dat de Democraten de verkiezingen in 2020 van hem stalen al vele keren onderuitgehaald. Toch blijft ruwweg tweederde van de Republikeinen in de VS in deze leugen geloven.
Toen communicatieonderzoeker Nathan Walter van de Northwestern-universiteit tientallen studies over factchecken naast elkaar legde, zag hij dat vooral politiek beladen nepnieuws hardnekkig is. ‘Als je de studies naar factchecks rondom de verkiezingen vergelijkt met studies naar meer alledaagse factchecks, zie je een groot verschil’, zegt hij. ‘Rondom de verkiezingen zijn de effecten zwak tot afwezig: mensen die iets eenmaal geloven, stellen hun mening nauwelijks bij na een factcheck. Terwijl juist dan de meeste factchecks verschijnen.’
Mensen zijn sterk geneigd ‘gemotiveerd te redeneren’: we vinden geloofwaardig wat aansluit bij wat we toch al geloven. En hoe meer een factcheck draait om onderwerpen die ethisch of politiek beladen zijn, des te lastiger het is ons te overtuigen van iets wat botst met onze opvattingen – hoeveel experts een factcheck ook opvoert. ‘Voorheen dachten we dat mensen hun opvattingen bijstellen als ze de bron van de feiten maar geloofwaardig vinden’, zegt Walter. ‘Inmiddels lijkt geloofwaardigheid een steeds leger concept. Mensen vinden een expert vooral geloofwaardig als die dingen zegt die stroken met hun overtuigingen.’
Als mensen eenmaal iets geloven, is het dus vaak te laat om ze nog op andere gedachten te brengen. Talrijke mediawijsheidorganisaties bieden daarom lesmateriaal aan om vooral kinderen en jongeren alerter te maken op nepnieuws en zo te voorkomen dat ze erin trappen. ‘Stel, er gaat een TikTok-filmpje rond van een brand’, zegt de Utrechtse mediawijsheidexpert Eugène Loos. ‘Dan moeten kinderen zich leren afvragen: wat zie ik hier eigenlijk? Waar is de brand? Zijn er nog meer berichten over, of is er maar een bron? Wie maakte het filmpje, wie verspreidt dit en zijn er bepaalde redenen om dat te doen?’
Hoewel de meeste experts het nut van lessen mediawijsheid zeker inzien, is het volgens Loos lastig te zeggen hoeveel invloed ze gemiddeld hebben. Daarvoor verschillen de lessen te veel wat aanpak en inhoud betreft. Het is eerder een methode van de lange adem dan een ingreep die mensen op korte termijn behoedt voor instinkers.
Een methode die wel snel zou werken, is prebunking, ook wel ‘psychologische inenting’ genoemd. Daarbij krijgen mensen een kleine hoeveelheid nepnieuws voor de kiezen, waarop meteen een ontkrachting volgt. Het programma Pointer van KRO-NCRV maakte bijvoorbeeld korte prebunkfilmpjes voorafgaand aan de Europese verkiezingen om jonge kiezers te waarschuwen. ‘Weet je nog, dat bericht dat een migrant uit Eritrea met wapens en explosieven mensen gijzelde in Ede?’, vraagt de presentator van zo’n filmpje. ‘Maar wat bleek? Het ging om een witte Nederlander. Wapen je tegen tunnelvisie en vooroordelen en denk na voordat je wat deelt.’ Einde filmpje. Prebunking werkt dus als een waarschuwing: pas op, dit soort onzin doet de ronde, maar vertrouw het niet!
Daarnaast zijn er ‘inentingen’ in de vorm van onlinespelletjes, zoals GoViral! en Bad News. Die dagen spelers uit om zo effectief mogelijk nepnieuws te verspreiden. Spelenderwijs leren ze hierdoor allerlei manipulatietrucs kennen. Denk aan het gebruik van emotionele bewoordingen en polariserende stellingen, van negatieve berichten die een zondebok aanwijzen voor complexe problemen, of van complottheorieën die twijfel zaaien over maatschappelijke instituties. Wie de trukendoos van de oplichter eenmaal herkent, krijgt vanzelf een antenne voor nepnieuws, zo is het idee.
Prebunken heeft soms een klein effect, zo laat een Chinese overzichtsstudie uit 2023 zien. In de praktijk betekent het, bijvoorbeeld, dat Amerikaanse proefpersonen een onzingerucht over verkiezingsfraude in de VS gemiddeld, op een schaal van tien punten, anderhalve punt minder geloofwaardig vinden na een prebunk dan na een neutraal bericht. Maar Republikeinen geven de geloofwaardigheid van de onzin dan nog altijd een zeven.
Tijd om een andere weg in te slaan, denkt Alberto Acerbi, onderzoeker aan de universiteit van Trente. Hij bekritiseert de aanname dat nepnieuws zich makkelijk in de hoofden plant van nieuwsconsumenten, die zich daardoor totaal anders gaan gedragen. ‘Het is niet zo dat mensen hun ideeën veranderen omdat ze toevallig iets op internet lezen’, zegt Acerbi. ‘Ze delen informatie waar ze het al mee eens zijn. Dus als ik pro-Trump desinformatie deel, dan ben ik heus niet door dat nepnieuws anders gaan denken over immigranten of zo. Ik zeg daarmee: kijk, ik sta aan deze kant.’
Bovenal is nepnieuws op internet volgens Acerbi en andere critici niet zo alomaanwezig als desinformatiebestrijders soms suggereren. Een invloedrijke studie van Amerikaanse wetenschappers beweert dat websites met extreme desinformatie maar enkele procenten uitmaken van het totale onlinemediagebruik van mensen in de VS, Frankrijk en Duitsland.
Tijdens de Europese verkiezingen in 2019 ging het om minder dan 4 procent. Ook de veelbesproken ‘Russische beïnvloedingscampagne’ uit 2016 had volgens Amerikaanse communicatie-onderzoekers een verwaarloosbaar effect op de Amerikaanse verkiezingsuitslag. Extremistisch nepnieuws is volgens deze critici eerder iets wat een klein clubje mensen uit eigen beweging opzoekt, dan een ‘rabbit hole’ waar nietsvermoedende internetbezoekers voortdurend in worden gesleurd.
Samen met zijn collega’s deed Acerbi daarom een statistisch gedachtenexperiment. Ervan uitgaande dat 5 procent van alle onlinenieuws nepnieuws is en mensen daarvan 30 procent geloofwaardig vinden, wat is dan effectiever: nepnieuws bestrijden, of correct nieuws promoten? De conclusie: stel dat nepnieuwsbestrijding mensen zover krijgt om geen enkel nepnieuwsbericht meer te geloven – wat een ongekende prestatie zou zijn. Dan nog loont het meer om mensen ietsjepietsje meer vertrouwen te geven in ‘echt nieuws’, simpelweg omdat ze het meer tegenkomen.
‘In plaats van waarschuwen voor nepnieuws zou de focus meer kunnen liggen op waar mensen geloofwaardig nieuws kunnen vinden’, oppert communicatieonderzoeker Toni van der Meer van de Universiteit van Amsterdam. ‘Aangezien het herkennen van misinformatie lastig is, zouden mediawijsheidtrainingen meer kunnen focussen op welke bronnen mensen het beste kunnen raadplegen in welke context, of meer focussen op hoe kennis en nieuws geproduceerd wordt. Zo kunnen mensen de inhoud beter evalueren.’
Nog een reden om het anders aan te pakken: de voortdurende nadruk op nepnieuws en misinformatiebestrijding heeft mogelijk nadelige neveneffecten. Van der Meer verdeelde bijvoorbeeld 1.305 proefpersonen over vijf groepen. Ze kregen allemaal wat anders te lezen: nepnieuws, nepnieuws met een factcheck, een bericht waarin stond dat nepnieuws veel voorkomt en een tekst over hoe je misinformatie kunt herkennen. Vervolgens moest iedereen beoordelen hoe betrouwbaar echt nieuws was. Daaruit bleek dat de waarschuwing voor nepnieuws mensen net zo wantrouwig maakt voor echt nieuws als nepnieuws zelf. ‘Het gevaar bestaat dat mensen cynisch worden en alle media gaan wantrouwen’, licht Van der Meer toe.
Dat dit aan de orde is, blijkt volgens de onderzoeker uit de antwoorden op een vragenlijst die hij voorlegde aan bijna drieduizend mensen verspreid over acht landen. De deelnemers moesten inschatten hoe groot het aandeel van misinformatie is op het geheel. De schattingen bleken buitengewoon hoog. Zo schatten de Nederlanders dat bijna de helft van alle nieuws nepnieuws betreft. De studie bewijst geen verband met alle aandacht voor misinformatie, maar Van der Meer vindt het niettemin een teken aan de wand. ‘Ik zal nooit zeggen dat misinformatie geen probleem is. Het kan vergaande gevolgen hebben, maar ik denk dat we niet blind moeten zijn voor de neveneffecten.’
Toen afgelopen zomer in Nature een artikel verscheen waarin wetenschappers de schadelijkheid en de alomaanwezigheid van nepnieuws relativeerden, verscheen in datzelfde nummer een vlammend betoog van wetenschappers die het tegenovergestelde claimen. Onderzoekers als Acerbi zouden een te nauwe definitie van nepnieuws hanteren en de gevolgen ervan onderschatten. Waren de grootschalige rellen in het Verenigd Koninkrijk niet veroorzaakt door nepnieuws over een asielzoeker die drie meisjes had neergestoken?
Daar valt tegenin te brengen dat die rellen doorgingen toen het nepnieuws allang was doorgeprikt. Jarenlange spanningen en sluimerende sociaal-economische problemen maakten het voor de daders wellicht aantrekkelijk om het nepnieuws te geloven en het racistische geweld voort te zetten. Precies zulke dieperliggende sociale problemen en de context waarin misinformatie wortel kan schieten, krijgen volgens de critici te weinig aandacht.
‘Interventies als prebunks geven een makkelijk te implementeren oplossing’, zegt bijvoorbeeld Michael Hameleers, onderzoeker aan de Universiteit van Amsterdam, ‘maar je legt ermee ook de verantwoordelijkheid neer bij het individu: we zullen jullie wel eens even inenten en mediawijs maken. Dat soort dingen moeten we wel blijven doen, maar we moeten niet blind worden voor andere factoren, zoals structurele ongelijkheid.’
De bewering dat nepnieuws geen symptoom van dieperliggende problemen zou zijn, maar de oorzaak van alle ellende, komt veel onderzoekers volgens Hameleers niet slecht uit. ‘Door het verhaal te verkopen dat nepnieuws op zichzelf een heel groot probleem is, krijg je waarschijnlijk eenvoudiger onderzoeksbeurzen en de ondersteuning van grote maatschappelijke partners. Die willen graag meewerken als je kunt zeggen dat je een middel ontwikkelt dat werkt. Het is wat mensen willen horen.’
Philipp Schmid, onderzoeker aan de Radboud Universiteit, snapt de argumentatie, maar denkt dat het niet zo zinvol is om te spreken over misinformatie in het algemeen. ‘Ik werk met zorgverleners op het gebied van vaccinatie. Als je hun vertelt dat misinformatie een klein probleem is, zullen ze verbaasd reageren. De Britse arts Andrew Wakefield claimde in een publicatie eind jaren negentig dat BMR-vaccinaties autisme veroorzaken. Dat was complete onzin, het artikel werd teruggetrokken en vele keren gecorrigeerd, maar zelfs vandaag geloven vaccinatieweigeraars dit nog. De vraag moet dus zijn: over welke misinformatie hebben we het en voor wie is het een probleem?’
Niettemin erkent ook Schmid dat het effect van nepnieuwsbestrijding gering is. ‘Bij de sociale wetenschappen is het effect nou eenmaal altijd klein, maar op een populatie van miljoenen mensen is die kleine effectgrootte wel betekenisvol.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant