Wie een rotdag achter de rug heeft, zet om de werkelijkheid te verdringen snel iets vertrouwds aan: een Harry Potter-luisterboek, de zoveelste keer Gilmore Girls. Escapisme leidt ons vaak naar cultuur. Waar komt die neiging eigenlijk vandaan, en: is het slecht, de realiteit ontvluchten?
Soms zijn er dagen dat je even met alles zou willen stoppen. Van die momenten dat het gewoon te ingewikkeld is je te verhouden tot de wereld, en weinig anders helpt dan Friends bingen op de bank, of luisteren naar Julie Andrews die My Favourite Things voor je zingt (‘Raindrops on roses and whiskers on kittens…’). Eenhoorns en poezen zijn welkom, of Tom Hanks in Toy Story, met dat liedje over vriendschap. Een roman over een bibliotheken waar je met elk boek dat je openslaat een nieuwe versie van je leven begint, films waarvan je al weet hoe ze eindigen (goed). Of die warme, paradijselijke tent van The Great British Bake Off, waar iedereen elkaar aanmoedigt. Entertainment als een fleecedekentje, waaronder je kunt verdwijnen.
In welke films, series, games of muziek vluchten de Volkskrant-kunstredacteuren het liefst? Hun dertien tips zijn onderaan dit essay te vinden.
Het helpt niet dat het wereldnieuws niet al te optimistisch stemt, en dat de zon zich al weken nauwelijks laat zien. De vrolijke afleiding van de feestdagen ligt alweer ver achter ons, maar oorlogen gaan door. Iedereen kent die rare, verlammende mengeling van paniek en moedeloosheid wel, die volgt uit die eindeloze, sombere smartphone-nieuwsstroom. Die vreemde, schijnbare nabijheid van ellende, waardoor je je medeverantwoordelijk voelt, en de schreeuwende urgentie: er moet nú iets gebeuren! Met als gevolg dat je je soms alleen nog maar wilt verstoppen, met de poes onder de deken.
In de zomerleeshit van afgelopen jaar, de roman All Fours van Miranda July, doet de naamloze verteller precies dat: zich verstoppen, en wel in een morsige motelkamer, niet ver van huis. Ze is succesvol kunstenaar, heeft een man en kind, en doet haar best om een goede echtgenote en moeder te zijn. Je kunt niet eens zeggen dat deze welvarende midveertiger het écht zwaar heeft – al sluimert er trauma onder de oppervlakte, en zit depressie in de familiestamboom.
Toch voelt ze de noodzaak om eventjes aan haar leven te ontsnappen. Haar plan is om dat te doen met een roadtrip van Los Angeles naar New York. Tot ze stuit op een sjofel motel, praktisch om de hoek. Onverwacht neemt ze er haar intrek, en blijft er.
Ze bouwt de kamer om tot een comfortabel, luxe boudoir, een warm nest. Daar omringt ze zich met zachte, troostrijke materialen: glanzende gordijnen, satijnen lakens, een poezelig hoogpolig tapijt, en balsemt zichzelf met dure lotions en zeepjes. Weg van alles begint ze aan een innerlijke reis, waarbij ze zichzelf, de liefde, seks en de wereld opnieuw ontdekt. Ze komt de kamer herboren uit, maar daarover later meer.
Haar vlucht is acuut en totaal, en even lichamelijk als mentaal. Die plotselinge verandering van omgeving, met andere wetten en spelregels, en vooral: tijd om op te laden, zal ongetwijfeld hebben geresoneerd bij veel lezers. Even wegvluchten van alles klinkt momenteel bijzonder aanlokkelijk. Maar waar vlucht je heen? Waar verstop je je? En hoe keer je terug?
Opmerkelijk aan escapisme is dat de vluchtroute vaak naar cultuur leidt. We worden blij van dansen, of het luisteren naar muziek, zoeken houvast in de vertrouwde structuur van een oude sitcom of een fijne film van vroeger. We willen worden meegesleept door een boek, andermans leven ervaren in het theater. Games bieden actie, afleiding en opwinding, strips plezier, poëzie brengt troost. In aanwezigheid van kunstwerken worden nieuwe mentale deurtjes geopend. Voorwerpen van eeuwen geleden die, hoe is het toch mogelijk, helemaal speciaal voor jou bedoeld lijken. En die je het gevoel geven dat je niet alleen bent.
Toch heeft het begrip ‘escapisme’ een negatieve bijsmaak. Alsof vluchten een zwaktebod is. Het wordt geassocieerd met oppervlakkigheid en struisvogelgedrag: wie vlucht, kan de echte wereld blijkbaar niet aan. Maar is dat zo? Maakt het verlangen om even te verdwijnen je een minder betrokken burger? Keer je je daarmee af van de echte wereld? En is die ‘echte wereld’, die we vooral via onze smartphones ervaren, überhaupt wel zo echt?
C.S. Lewis, de schrijver die ons de droomwereld van Narnia bracht, had alvast geen goed woord over voor kritiek op escapisme: ‘Wie een ander beschuldigt van escapisme, gedraagt zich als een gevangenisbewaarder.’ En de dichter W.H. Auden brak in zijn essay Psychology and Art To-Day (1935) een lans voor ontsnappingskunst, ‘omdat de mens ontsnapping nodig heeft zoals hij voedsel en slaap nodig heeft.’
Nu zijn er natuurlijk veel verschillende vormen van escapisme. Natuur, seks en de sportschool lieten we even buiten beschouwing, maar verder werd er op de Volkskrant-kunstredactie levendig over gediscussieerd. Wat is de ideale tijdelijke culturele vluchtplaats? Highschoolfilms, zei de een, om zich meteen te verontschuldigen, want wat als een collega nou juist Tsjaikovski zou roepen, of Ibsen?
Friends, zei de ander, terwijl collega’s dat nu juist weer een versleten cliché vonden, en de personages bovendien onaardig. ‘Disney!’, riep een volgende, waarop een paar redacteuren welwillend meebewogen met nostalgische herinneringen aan zingende prinsessen en hertjes op het ijs, en anderen onmiddellijk de complete jeugdbibliotheek erbij haalden, van Annie M.G. Schmidt tot Tonke Dragt. Waarop er, nog net niet in koor, ‘Harry Potter!’ klonk. En de volgende schoorvoetend toegaf dat zijn persoonlijke vorm van escapisme doorgaans toch uitmondde in bloedige zombiehorror. Want ja, er schuilt ook iets troostrijks in morbide fantasieën van hoe het allemaal nóg erger kan. Dan valt het bij ons nog wel mee.
Voor geruststelling en comfort kun je, kortom, uitstekend bij cultuur terecht. Bijvoorbeeld bij films en boeken uit je jeugd. Escapistisch verlangen neemt nogal eens de vorm aan van nostalgie, en doet innig hunkeren naar cultuur uit onschuldiger tijden. Of naar tijden die onschuldiger líjken, omdat de consument toen zelf nog een kind was. Er wordt voor je gezorgd, alles komt goed.
Dezelfde vluchtbehoefte kan leiden naar het kleine, triviale, ultiem menselijke, zoals de schattige gezinsperikelen in de tekenfilmserie Bluey, de troostrijke familiebanden in een boek als Little Women of de lofzang op het alledaagse in de poëzie van Pablo Neruda. Er kan escapistisch genoegen schuilen in eenvoud en voorspelbaarheid, zoals in het altijd aangename stadje Stars Hollow in Gilmore Girls. Daar waar het touwtje niet eens uit de brievenbus hoeft omdat iedereen vol vertrouwen de deur bij elkaar platloopt.
Cultuur als tijdelijke knusse schuilplaats, waarom niet? Maar kan kunst ook blijvend verandering brengen? Kan een gedicht, een theaterstuk of een schilderij een soort nooduitgang zijn, en zo ja, waar leidt die dan naartoe?
Het goede van kunst is dat het niet vooraf te voorspellen is. Kunst is niet instrumenteel, heeft geen agenda en belooft geen bruikbaar resultaat. Maar kunst kan je wel ergens anders brengen in je hoofd. En dat kan zomaar leiden tot dat gewenste gevoel van bevrijding.
Er is een groot schilderij van Jan Andriesse, Regenboog (1995, museum De Pont, Tilburg), waar je dat kan ervaren. Als je er een bankje voor zou zetten, zouden sommige mensen er nooit meer weggaan. En nee, er staat ‘niks’ op; geen figuren die lijden, geen engelen die troosten. Het is 3,5 bij 6 meter wit. Nou ja, wit – als je ogen wennen zie je kleur, steeds meer, steeds anders. Andriessen bootste het effect van brekend licht na door acrylverf te mengen met marmerpoeder en in vele transparante lagen te schilderen.
Je kunt er moeiteloos in verdwijnen, in die deinende mist van kleur – ook een vorm van escapisme. En tegelijk voelt dit werk als een belofte. Zoals de regenboog in de Bijbel beschreven wordt, als een toezegging van God aan de mens; een belofte van verbondenheid. We zijn deel van een geheel, stelt dit schilderij gerust, deel van schoonheid, we horen bij elkaar.
‘Kunst is gebaseerd op impliciete toestemming’, schrijft journalist Ben Eastham in een essay over escapisme in kunstmagazine Frieze. De kunstenaar bepaalt de voorwaarden van zijn eigen werkelijkheid, aldus Eastham, en de kijker is altijd vrij om die weer te verlaten. Oftewel: kunst laat zich niet vastpinnen. Het biedt alleen een andere werkelijkheid aan.
De hoofdpersoon in All Fours moet zich eerst in die troostrijke, comfortabele hotelkamer terugtrekken voordat ze onbegrensde nieuwe (erotische) mogelijkheden ontdekt, en, getransformeerd en bevrijd, kan terugkeren naar de wereld. En juist daar is kunst goed in: in mogelijkheden aandragen die je misschien eerder niet zag.
Dat is het ook meteen het antwoord op critici van het escapisme. Een behoefte aan een tijdelijke ontsnapping betekent niet dat we ons van de chaotische, ingewikkelde, soms gruwelijke werkelijkheid afkeren. Integendeel, als de spanning te hoog wordt, moet eerst de druk er af, de lucht eruit. Eerst moeten de luiken misschien even dicht, maar daarna moeten ze vooral weer wagenwijd open. Kunst die ons helpt ontsnappen aan de werkelijkheid brengt ons er veranderd naar terug, schrijft Eastham.
Escapisme biedt ruimte in je hoofd. Vluchten in fantasie is daarmee ook een vorm van vrijheid. Want eindeloos doomscrollen mag maatschappelijk betrokken lijken, het is ook gewoon een verslaving aan een slim technologisch verdienmodel. Je daarvan even bevrijden is óók mentale ruimte terugveroveren. Escapisme als vorm van protest, en als bewijs van geestelijke onafhankelijkheid.
Zo bezien is escapisme niet zozeer een verlangen om weg te duiken van de werkelijkheid als wel een verlangen naar een ándere, tastbare, zintuiglijke werkelijkheid. Naar een plek waar we reële invloed hebben, waar we daadwerkelijk deel van zijn.
Dat mechanisme wordt op een prachtige, hoopvolle manier beschreven in het non-fictieboek All The Beauty In The World (2023) van Patrick Bringley. Bringley, die toen hij net uit de collegebanken kwam al evenementen organiseerde voor het prestigieuze magazine The New Yorker, werd met een brute kant van het leven geconfronteerd toen zijn broer onverwacht ziek werd, en snel daarna stierf. Bringley was 25, succesvol, woonde in New York, en ineens was zijn werkelijkheid absurd. Niets voelde meer logisch of vanzelfsprekend. Ambities, verwachtingen, wat doen ze ertoe als je wordt verscheurd door rouw?
Bringley wilde zich alleen nog maar verstoppen. Vanuit zijn diepgevoelde behoefte om te ontsnappen, reageerde hij spontaan op een vacature voor suppoost in het Metropolitan Museum in New York, het grootste museum van Amerika, dat volhangt met kunst en objecten uit de hele wereld. Daar zou hij, gescheiden van de jachtige, dwingende wereld om hem heen, rustig een ambitieloze baan kunnen uitvoeren. Even leek dat de enige mogelijkheid om te kunnen blijven leven.
Hij deed het werk tien jaar lang, en zijn boek is een warmbloedig verslag van zijn ervaring. Geestig verhaalt hij over de reacties van bezoekers op de museumstukken, over contact met zijn collega’s die net als de kunst uit alle windstreken komen, en over zijn verdriet om en liefde voor zijn broer. Maar vooral is het boek een ontroerend relaas over heilzame werking van de nabijheid van kunst. Langzamerhand leert Bringley zich te verhouden tot de geëxposeerde objecten. Het effect van het langdurig fysiek aanwezig zijn bij die eeuwenoude kunst verrast hem als een onvoorzien bijeffect dat gaandeweg de hoofdrol krijgt.
Bringley merkt dat hij niet óver kunst wilde leren, maar ván kunst. Liefst doe je dat, stelt hij vast, door niets te doen. Niet lezen, gewoon ervaren, en het werk zijn effect laten uitoefenen. Een beeldend kunstwerk ‘vertelt je dingen die tegelijkertijd te groot en te intiem zijn om samen te vatten’, schrijft hij. ‘En daar vertellen ze over door niets te zeggen.’
Op zijn beurt vertelt Bringley de lezer levendig over stilte in schilderijen en de schoonheid van de geometrische patronen uit de Arabische wereld. Over de kalmte van het eeuwenoude portret van een derwisj uit Oezbekistan en over de tempels van de farao’s, waar een heilige versie van tijd bestond, djet, tijd van de goden, die losstaat van het tempo van alledag.
Als hij zich omdraait naar een volgende zaal, kan hij duizenden kilometers en eeuwen reizen. Elk voorwerp uit elk land brengt hem iets, zet deuren open, maakt ruimte in zijn hoofd en geeft hem via een verrassende omweg juist het gevoel betrokken te zijn, en mee te mogen denken over de wereld. Wat begint als een vlucht wordt langzamerhand een hulpmiddel om de realiteit weer aan te kunnen. Daarmee is dit bescheiden boekje een groots en hoopvol verhaal van ongekende mogelijkheden, en een ode aan de kunst.
Er is kunst die opzettelijk ontregelt, oproept tot actie, die choqueert en je confronteert met alle grote crises van nu. En je hebt kunst die simpelweg mooi is, troostrijk, aangenaam, opbeurend, ontroerend. Kunst om jezelf in te verliezen of je in te verstoppen, maar die uiteindelijk, via de omweg van het schone, óók nieuwe zienswijzen kan aanreiken, of helderheid verschaft.
En er is kunst die op wonderlijke wijze allebei doet; die je diep lijden voorschotelt, je meevoert naar al het gruwelijks dat mensen elkaar aandoen, en dat toch op zo’n onovertroffen manier weet te vangen dat je een diepe sensatie van schoonheid ervaart. Van existentiële ontroering, van catharsis. Uit een ontmoeting met grote kunst kom je altijd een beetje veranderd terug.
Escapistisch verlangen is ook dat: een verlangen naar verandering. Van ruimte, vaak van plaats, maar vooral in je hoofd. Om je uiteindelijk, weer opgeladen en een beetje veranderd, opnieuw te kunnen verbinden met de wereld om je heen.
Waarin vluchten de Volkskrant-redacteuren zelf het liefst? Dertien persoonlijke afleidingsmanoeuvres.
Natuurlijk een fotoboek! Maar welke uit mijn verzameling? Ik kom er niet uit – gevalletje keuzestress. Daarom raad ik maar het exemplaar aan waarmee het voor mij begon: American Surfaces van Stephen Shore, de prachtige kleurensnapshots (van veelal lelijke dingen) die hij in 1972 en 1973 maakte tijdens een rondreis door de VS. Ik kocht het op 6 juli 2016 – de bon heb ik nog – in Huis Marseille, dat toen een Shore-retrospectief toonde. Die aanschaf liep zomaar uit op een passie.
Musicals zijn voor mij een heerlijke vorm van escapisme. Dit seizoen is Moulin Rouge!, nu te zien in het Beatrix Theater in Utrecht, een uitblinker. Het is een chocoladetaart van een voorstelling, deze luxe productie met oogverblindend decor, hypermodern lichtplan, veel show, dans en sterke zangers. De toef slagroom op de taart zijn de 77 popsongs die op inventieve (en muzikaal sterke) wijze in het liefdesverhaal tussen Satine en Christian in en rond de Parijse nachtclub zijn verwerkt. Lady Gaga, David Bowie, Lorde, Sia, Pink – ze komen allemaal op hoge snelheid voorbij.
Nog troostrijker dan een briljant nummer van een visionaire artiest waarin die een eigen wereld schept, is een volgende generatie visionaire artiesten die dat briljante nummer respectvol afstoft. The Last Shadow Puppets (een supergroep van rocksterren Alex Turner en Miles Kane) brachten hun cover van David Bowies Moonage Daydream nooit uit, waarschijnlijk uit angst om hun grote held Bowie tekort te doen. Gelukkig voor ons speelden ze ’m in de zomer van 2016 veel live, en zijn daar goede opnamen van te vinden op YouTube.
Het begon met Clueless (1995) en American Pie (1999), films die ik zag toen ik zelf nog een ‘high schooler’ was. Daarna heeft dit filmgenre me nooit meer losgelaten. Niet per se de ‘goeie films’ (The Breakfast Club of recenter Booksmart) trekken me aan, maar juist de lompe. Of er nu gruwelijk wordt gemoord (Scream) of belachelijk foute grappen worden gemaakt (Not Another Teen Movie), het maakt niet uit. Doe mij een paar confrontaties bij de lockers, een onderhoud rond de tribune van een sportveld, een schoolfeest en ja, liefst ook wel de suggestie van een tongzoen en je kunt me wegdragen.
Als jazzpianist Bill Evans met zijn trio de laatste noten van Nardis speelt, klinkt er half mei 1964 applaus op in The Trident Club in het Californische stadje Sausalito. Niets voert me zo weg van het hier en nu als het geklap van publiek op oude jazzopnamen. Het applaus brengt, meer dan de van dichtbij opgenomen instrumenten, de akoestiek van de club tot leven. Dan ben ik daar, in een andere tijd, op een andere plek, waar het leven even beter is.
Bij de omschrijving ‘een gezellig managementspel over doodgaan’ ging het niet meteen kriebelen. Maar het was tijdelijk gratis, dus ach. Dat heb ik geweten. Er is geen game op de wereld die me zo opslokte als Spiritfarer. Door dit simpele platformspelletje klapte mijn slaapbank dagen achter elkaar niet meer in en moest ik wekkers zetten om naar buiten te gaan. Het is op de meeste platformen spotgoedkoop en zelfs beschikbaar op de telefoon. Maar zeg niet dat ik u niet gewaarschuwd heb.
Onbehaaglijkheid wordt het best bestreden met een dosis fictieve onbehaaglijkheid. U heeft problemen? Het is niks vergeleken bij die van Frank, drugsdealer uit het middenkader in het snoeiharde én menselijke onderwereldportret Pusher (1996) van Nicolas Winding Refn. Er volgden nog twee filmdelen, waarin steeds weer een ander falend personage op de voorgrond staat: van Frank (Kim Bodnia, The Bridge) naar skinhead Tonny (ster Mads Mikkelsen) en de tragische Servische gangster Milo (Zlatko Burić, uit Triangle of Sadness). De Pusher-trilogie werd vorig jaar digitaal gerestaureerd. Precies op tijd.
Hoewel ik al jaren niet serieus meer naar voetbal kijk, voel ik me enorm op mijn gemak in de wereld van Football Weekly, de voetbalpodcast van The Guardian, vooral gericht op de Premier League en de Europese avonturen van Engelse clubs. De combinatie van kennis van zaken en zelfrelativering met een sterk engagement over de vele manieren waarop de voetbalwereld ontspoort, maakt dat ik zeker twee uur per week luister, als ik onderweg ben. Dat is al snel een wedstrijd met blessuretijd en verlenging.
Soms wordt het muzikale informatiebombardement je te veel; iedere dag dertig nieuwe albums, hou eens op. Terugkeren naar de bron is een remedie, ook om weer te kunnen horen wat écht belangrijk is. Ik vind mijn heil altijd in de Andalusische volksmuziek, de mysterieuze, spirituele, betoverend mooie flamenco van de Spaanse gitano’s.
Hoe poëzie, levenspijn én vreugde, aarde en hemel bij elkaar kunnen komen in weinig meer dan ritmische gitaren, dans, percussie en getergde zang blijft een muzikaal wonder. Daarbij is flamenco een bron van bewogen Spaanse geschiedenis. Aan te raden instappunt: de documentaire Camarón, over het ongelooflijke leven van zanger Camarón de la Isla. Te zien op Netflix, met kippenvelgarantie.
‘Dag olifant’, zegt de porseleinkast./ ‘Kom voorlopig maar niet meer terug.’ Dit gedicht duikt soms in mijn hoofd op. Het is een soort innerlijk gesprek: ‘Die porseleinkast is mijn ziel, dat wist ik al’. Maar die olifant? Die ‘voortdurend om zich heen trompettert:/ ik heb gelijk! Wat is die olifant van mij?’
Toon Tellegen maakt woorden levend, als persoonlijkheden, en dat lucht op. ‘Ik zag de eerzucht, pontificaal maar kreupel.’ Plichtsbesef, weet ik nu, heeft enorme wenkbrauwen – ‘uit meer bestaat hij bijna niet’. En het woordje ‘nee’ houdt zich koest, tot het merkt dat het wél macht heeft, en afwacht – met de scherpte van een mes.
Als ik ooit in coma kom te liggen, leg ik bij dezen graag vast, wil ik dat er in mijn kamer 24 uur per dag Sarah Vaughan wordt gedraaid. Als ik dan nog kan horen, weet ik, zal ik gelukkig zijn omdat ik me eindeloos kan koesteren in dat troostrijke vibrato en haar warme, bronzen timbre. De stem van Vaughan werkt voor mij als een spinnende poes op schoot.
Speciale vermelding verdient Polka Dots and Moonbeams, waarin ze na 1 minuut 15 in zeven seconden lichtvoetig de toonladdertrap ophuppelt – ogenschijnlijk achteloos maar technisch verbluffend, en immer goed voor rillingen van genot. En het zwierig-zwoele Make Yourself Comfortable (alleen de titel al), dat voor mij voor altijd verbonden is met liefde en knisperend haardvuur. Sarah Vaughan werd niet voor niets ‘the divine one’ genoemd. Hemels, dat is ze.
Eigenlijk is de Kenjezelf Kit van striptekenaar Jeroen de Leijer juist niet bedoeld als afleiding. ‘De Kenjezelf Kit biedt u de mogelijkheid om middels zelfreflectie onbestemde momenten te duiden zonder daarbij het moment in te vullen’, aldus de maker. Het is een set mooi vormgegeven kaarten met een handleiding, ergens op het vage en soms tóch verhelderende spectrum tussen kunst, gelul, absurde humor, psychologie en spiritualiteit. Ik vind het een grappige leidraad om (meestal in gezelschap) aan serieuze introspectie te doen. Bemoedigend ook, hoeveel zin er in schijnbare onzin schuilt.
Op de staat van de wetenschap, de gezondheidszorg en enkele gewelddadige conflicten na, was alles beter in de jaren negentig. Niets biedt dan ook zo’n comfort als een film uit dit gouden tijdperk van de mensheid. De jaren negentig grossierden in positieve verhalen waarin het tussentijds níét net iets te vaak bijna misging en waarvan de goede afloop verzekerd was, wat je al wist als je de VHS-band startte. Mijn tip: Pretty Woman (1990), met de kameleontische Julia Roberts. Onlangs ontdekt – 34 jaar te laat.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant