Home

Het in één klap online zetten van het collaboratie-archief lijkt mij de enig juiste weg

Het is alweer bijna veertig jaar geleden dat ik maanden heb doorgebracht in wat toen nog het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod) heette. Het was weliswaar gevestigd in een monumentaal Amsterdams patriciërshuis op Herengracht 474, maar de entree verliep via een trapje naar een ondergrondse deur, die ooit als dienstbodeningang moet zijn gebruikt. Met een antieke trekbel maakte de bezoeker zijn komst kenbaar en in het souterrain werd hij vervolgens ontvangen door de conciërge, die op een voorgedrukt briefje zorgvuldig de personalia noteerde, plus tijdstip en doel van zijn bezoek. Het briefje diende de bezoeker steeds bij zich te dragen en weer af te geven, zodra hij het pand verliet.

Mijn doel was om voor de bijlage van het weekblad Vrij Nederland een portret te schrijven van het Riod en zijn medewerkers. Het werd een verhaal dat ik later heb omgewerkt tot een boek: De onderzoekers van de oorlog.

Het Riod heeft een belangrijke rol gespeeld in de vaderlandse geschiedschrijving. Het gebouw was volgepropt met archieven ter lengte van 2,5 kilometer – zo had ik braaf uitgerekend. Allemaal mappen, dozen, registers, documenten, boeken en wat niet al over moord en terreur, geweld en sabotage, collaboratie en verzet. Over goed en fout. Eén mens zou ongeveer tweeënhalve eeuw nodig hebben om dat alles te lezen. De directeur van het instituut heette dr. Louis de Jong en in die tijd was hij bijna even beroemd als Johan Cruijff.

Over de auteur
Max Pam is schrijver en columnist van de Volkskrant. Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.

De Jong, ‘noem me Loe’, heb ik vele malen gesproken, ook bij hem thuis. Ondanks alle kritiek die hij te verduren kreeg – soms terecht – beschouw ik hem nog steeds als een gigant van een geschiedschrijver, bij wie maar weinigen in de buurt zijn gekomen. Intussen sprak ik ook met andere medewerkers: met de beheerder van de bibliotheek, met de grote Churchill-kenner, met de man die onderzoek had gedaan naar de SS en met degene die tot in detail had uitgezocht hoe gaskamers werken. Ik leefde mee met zijn verdriet.

In de loop der jaren heb ik een aantal oorlogsarchieven bezocht, maar van alle medewerkers heeft mevrouw P.C. Gerritse (Nel) de meeste indruk op mij gemaakt. Zij werd ‘de huispsychiater van het Riod’ genoemd. Niet alleen ontving zij mensen die op zoek waren naar verdwenen familieleden, ook zonen en dochters die wilden weten hoe fout hun ouders waren geweest, kwamen bij haar terecht. Ze had moeite over haar werk te praten. Sommige bezoekers bekeken droogweg de dossiers, zo vertelde ze, maar er waren er ook die in huilen uitbarstten. Alle emoties nam zij tot haar schrik mee naar huis.

De confrontatie met het verleden kan aangrijpend zijn, maar inmiddels is het tachtig jaar (!) na de oorlog. Bijna alle betrokkenen – goed, fout of wat daar tussen zit – zijn dood. Daarom pleit ik voor het vrijgeven én online zetten van het Centraal Archief Bijzondere Rechtspleging, waarin de gegevens zijn opgenomen van 425 duizend personen die na de bevrijding op de een of andere manier met justitie in aanraking zijn geweest. Michael Persson is daar volgens een commentaar in de Volkskrant op tegen, omdat hij meent dat ‘kwaadwillenden’ van die openbaarheid misbruik kunnen maken door de namen van foute voorouders op te zoeken en daarmee aan de slag te gaan.

Maar kwaadwillenden heb je altijd en overal. Ze zouden hoogstens bewijzen dat Nederlanders zoveel jaar na dato nog steeds de geest hebben van NSB’ers, aangevers en verraders. Dat moet dan maar, het zou in elk geval veel over ons land duidelijk maken als dat de praktijk wordt. Mij lijkt het in één klap openbaar maken en online zetten de enig juiste weg. Dat veroorzaakt ongetwijfeld bij sommigen een shock-and-awe-effect, maar het geeft de Nederlandse bevolking ook de mogelijkheid eindelijk eens volwassen te worden als het om het eigen oorlogsverleden gaat.

Bij alle commotie heb ik het gevoel dat wij ons zorgen maken over de patiënt Nederland die voorzichtig en omzwachteld behandeld dient te worden, omdat de zieke anders met zijn duim in de mond een potje gaat huilen. Bovendien dacht ik dat iedereen zo langzamerhand wel weet dat niemand verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn voorouders. Het is eigenlijk verschrikkelijk dat je dit mensen nog moet uitleggen.

Absolute voorwaarde is wel dat zo’n archief zo min mogelijk fouten bevat. Helemaal foutloos kan natuurlijk nooit, maar als ik nu lees dat sommige slachtoffers als daders zijn aangemerkt, hoop ik niet dat bij het CABR amateurs aan het werk zijn geweest. In deze krant stond een ingezonden brief van Rudy Schreijnders. Hij is ongerust over de geschiedenis van zijn vader, wiens naam in een dossier zit, dat echter is verdwenen. De vader van Schreijnders was jarenlang een collega-journalist van mijn vader bij de verzetskrant Het Parool.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant columns

Previous

Next